is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 8, 1934, no 9, 01-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

URGENTIE VOORSTELLEN.

Voor de Algemeene Jaarverg. der Ned. Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk, Staatsburgerschap op 26 Mei j.1. zijn twee urgentievoorstellen ingediend n.1. door JOHANNA W. A. NABER en Mevr. M. STIBBE —KNOCH welke zoo gewichtig zijn, dat ik er goed aan meen te doen ze met de toelichting in ons blad over te nemen.

Of ze aangenomen of verworpen zijn, zullen wij eerst in het volgende maandblad kunnen mededeelen.

Voorstal van Johanna W. A. Naber, overgenomen door de Afdeeling Amsterdam.

De Nederlandsehe Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, uitgaande van de meening, dat de Nederlandsehe Vrouw naast den Nederlandschen Man een gelijk deel aan de offers, welke in deze moeilijke tijden van de gemeenschap worden geëischt, gewillig heeft te dragen, — gelijk zij dit trouwens doet in zake directe en indirecte belastingen etc., waarbij geenerlei rekening wordt gehouden met man of vrouw zijn, wat door de vrouw ook niet wordt verlangd — -protesteert tegen iedere achterstelling van de Nederlandsehe Vrouw als zoodanig bij den Nederlandschen Man in zake beroepskeuze en loon, als tegen een schending, ja verzaking van het bij de herziening der Nederlandsehe Grondwet van het jaar 1922 daarin vastgelegde beginsel, van gelijk Staatsburgerschap van den Nederlandschen Man en de Nederlandsehe Vrouw.

Toelichting. Juist nu vakopleiding, studie, ambts- en beroepsarbeid, het verheffende en bevrijdende van zelfverdiend loon, onzen jongen vrouwen smaak hebben gegeven in vele goede levensdingen, als daar zijn: economische zelfstandigheid, beroepsliefde, pensioengerechtigdheid, — alles voor vrouwen van eene oudere generatie nog woorden zonder zin of klank, — dreigen de wegen, die wij ter bevrediging van haren rechtmatigen levenshonger voor onze dochters, voor onze nichtjes hebben gebaand,

haar weder te zullen worden afgesneden en zal de bereidwilligheid tot kapitaaluitleg voor de opleiding onzer meisjes opnieuw worden gedrukt door het oude wanbegrip: „zij zullen wel trouwen en dan is het toch maar weggegooid geld", terwijl het huwelijk weder zal terugzinken tot een verzorgingsinstituut voor stumperige vrouwen, die niet zelf in haar onderhoud kunnen voorzien. Met allerlei drogredenen wil men ons opdringen, dat dit, gezien den nood der heerschende werkloosheid niet anders kan, dat de vrouw in hare achterstelling in zake beroep en loon heeft te berusten, omdat zij een offer heeft te brengen aan het algemeen belang door den man den weg vrij te laten, opdat deze een gezin kunne stichten. Laten wij ons echter wel wachten voor valsche leuzen. Offers brengeyi kan ontroerend schoon zijn; maar slachtoffer zijn is noch eervol noch voordeelig, voor ons zeiven niet en voor anderen evenmin. Ambt en beroep zijn geen middelen ter bevordering van gezinsvorming: salaris, loon is geen aalmoes, geen bedeeling voor on- en minvermogenden; zij zijn vergelding van arbeid. De nijpende nood van dezen tijd eischt op iedere plaats, hoog of laag, de meest geschikte, de meest bekwame persoon en de ervaring heeft nu al wel geleerd, dat te dien opzichte het man of vrouw zijn, het al of niet hebben van een gezin volstrekt onverschillig is. Wij mogen ook allerminst vergeten, dat reeds bij de behandeling der Arbeidswet van het jaar 1889 rondweg is verklaard, dat arbeidsbeperking, arbeidsverbod voor de gehuwde vrouw slechts was een eerste stap om geleidelijk te komen tot een algeheel verbod, — niet van den vrouwenarbeid, die is onmisbaar, — maar van den vrouwenloonarbeid, en hoevele stappen zijn sedert niet reeds in die richting gezet! Wij mogen ons ook niet in slaap laten wiegen door de overweging, dat het percentage der gehuwde vrouwen in ambt en beroep minimaal is, dat haar ontslag dus in de praktijk niet veel zal uitmaken, gelijk nog onlangs in Sprekende Cijfers is aangetoond door het