Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan tuberculose en min of meer aan alle ziekten der ademhalingsorganen, welke hoogere sterfte meestal personen betrof, die eerst aan Spaansche griep hadden geleden, daarvan waren hersteld, doch aan de bovengenoemde naziekten stierven. Veelal werd dan ook op de sterftekaarten aan getroffen: pneumonie enz. na griep of na influenza.

Is de griep over onze oostergrens het land binnengekomen, de oostelijke provinciën zijn ook het meest door haar geteisterd geworden. Drenthe heeft een opvallend hoog cijfer 2 1 jo maal zoo hoog als het geheele Rijk; daarop volgen Groningen en Overijssel met 1V 2 maal zoo hooge cijfers als het Rijk. Het laagste cijfer heeft de provincie Utrecht 18.87, waarop eerst Noordholland, dan Zuidholland volgt. Dat deze 3 provinciën zulke gunstige cijfers vertoonen is het gevolg van de omstandigheid, dat in de groote steden de sterfte betrekkelijk gering is geweest: hoe grooter bevolking hoe minder sterfte. In de middelsteden, van 20.001—50.000 zielen, is de sterfte ook nog minder geweest dan gemiddeld in het geheele Rijk. En waar nu de straks genoemde 3 provinciën een groote stedelijke bevolking hebben (Zuidholland 67 n / 0 , Noordholland 660/0 en Utrecht 50%) moest dit wel tot lage sterftecijfers leiden. In Drenthe met zoo goed als geen stedelijke bevolking was de sterfte het hoogst.

Bij de behandeling van de sterfte naar den leeftijd in het algemeen is er reeds op gewezen, dat die sterfte in 1918 groote afwijkingen vertoont in vergelijking met vroegere jaren en dat de afwijkingen het grootst zijn in de middelleeftijden van 20—39 jaar, terwijl zij gering waren in de allerjongste en alleroudste leeftijdsklassen. Bij griep alleen vonden we ook wel hooge cijfers in de middelleeftijden, doch haast even hooge cijfers bij de zuigelingen en bij de hoogst bejaarden. De griepcijfers laten dan zien hooge cijfers in de middelleeftijden geringer wordend, bij jongeren tot de 5 tot 13 jarigen, om dan voor de nog jongere kinderen te vermeerderen, met hooge cijfers voor de zuigelingen. Aan de andere zijde daalt de sterfte tot de 50—64 jarigen, om dan ook te stijgen tot het hoogste cijfer bij de meest bejaarden.

Dat nu zooals bij de sterfte naar den leeftijd is medegedeeld die hoogst bejaarden in 1918 een vrij gunstig sterftecijfer vertoonen, moet dus het gevolg zijn van lagere sterfte aan andere doodsoorzaken van eenige beteekenis, want al zijn er veel ouden van dagen aan griep overleden, hun geheel aantal 212, legt weinig gewicht in de schaal bij eene totale sterfte van ruim 9 1 /» duizend in die leeftijdsklasse. De oorzaken die hebben medegewerkt tot verlaging van de sterfte der meest bejaarden zijn in de eerste plaats de ouderdomsziekten, die ongeveer een 5 honderdtal sterfgevallen minder veroorzaakten dan in 1917, terwijl ook zoo goed als alle ademhalingszieken en hartziekten in 1918 lagere cijfers hebben, dan in 1917.

Zooals uit de verhoudingscijfers der sterfte tot de bevolking blijkt, is de sterfte onder de mannen grooter geweest dan onder de vrouwen, voor het geheele Rijk 27.24 mannen tegen 24.30 vrouwen met eene verhouding dus als 1:89, terwijl deze bij de totale sterfte was 1:0.95; voor griep was dus de vrouwensterfte ten opzichte van die der mannen gunstig te noemen. Alleen in Friesland en in Drenthe zijn relatief meer vrouwen dan mannen gestorven.