is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 32, 1951, no 2, 1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts wil ik nog wijzen op de volgende moeilijkheid. De Huurwet geeft een aantal scherp omschreven voorschriften en ook minder scherpe richtlijnen. Op deze laatste slaat artikel 3 (3) der Huurwet. Hier staat: ..Indien een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wet nog niet was tot stand gekomen of niet of met een andere bestemming was verhuurd, of de toen bestaande huur en verhuur niet onder normale omstandigheden was tot stand gekomen, dan wel de huurprijs niet met stelligheid uit de totale prijs op de dag, voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wet kan worden afgeleid, geldt als oude huurprijs die van een vergelijkbaar onroerend goed”. Zulks kan betrekking hebben op een normale woning, een vil a. een groot bedrijfsgebouw, een kantoor, maar ook op een los terreintje bij een schuur ergens in een ver afgelegen dorp. Hier wacht het bureau van de Secretaris een zware en tijdrovende taak.

Dan is er nog de onderbuur. In vele gevallen een groot euvel! Bij de Prijzenbureaux was het mogelijk dat de onderverhuurder in de waan kon worden gebracht dat het optreden van het Prijzenbureau bij wijze van algemene controle geschiedde, dus zonder dat de naam van de klagende onderhuurder werd genoemd. Thans is dit niet meer mogelijk omdat een advies van de Huuradviescommissie moet worden overgelegd. De onderverhuurder weet dus precies welke van zijn onderhuurders heeft geklaagd. En nu hebbe men niet de illusie dat het onsociale optreden van ve e onderverhuurders plotseling een einde heeft genomen, doordat de Huurwet er is. Wat doet de onderhuurder er tegen wanneer de onderverhuurder geen penning in de meter werpt en dan uitgaat? Wat doet de onderhuurder er tegen, wanneer de onderverhuurder zijn w.c. afsluit en dan uitgaat? enz. enz.

Zelfs de scherpzinnigste Kantonrechter is niet in staat om de talloze plagerijen tegenover een onderhuurder, die de onderverhuurder niet meer wenst, te signaleren, nog veel minder te voorkomen. De vindingrijkheid is in deze gevallen verbijsterend en kent geen grenzen. Evenals zulks het geval was na de vorige wereldoorlog, is de onderhuurwoeker en alles wat daarmede verband houdt, vele malen erger dan de ongemotiveerde huurverhogingen, welke door enkele verhuurders worden geëist.

Tenslotte nog het ontbreken van strafbepalingen. Dat geen strafbepalingen in de wet zijn opgenomen, dus dat alles als een civiele zaak wordt beschouwd, acht ik een ernstige tekortkoming. Ik zou haast willen zeggen dat het in vele gevallen neerkomt op het vrijlaten van de huren. Slechts twee voorbeelden.

Eerste geval: een huurder meent bezwaar te moeten maken tegen het bedrag dat hij wekelijks moet betalen. Over eg met de verhuurder baat echter niet. Hij gaat niet naar de Huuradviescommissie. omdat hij niet weet wat het resultaat daarvan zal zijn. terwijl hij niettemin een bedrag van ƒ 2.50 vooruit zou moeten betalen. En ƒ 2.50 is voor de huurder vaak een grote last. Hij berust dus in een te hoge huur. Daar tegenover staat dat. indien de huurder wel naar de Huuradviescommissie gaat en hij ontvangt een voor hem .gunstig advies, dan heeft de verhuurder ..pech gehad” en hij betaalt ten hoogste het teveel betaalde terug en gaat verder vrij uit.

Tweede geval: een onderhuurder meent, dat hij te veel betaalt. Overleg met de onderverhuurder heeft geen resultaat. Hij doet een beroep op de Huuradviescommissie en ontvangt een voor hem gunstig advies. De onderverhuurder betaalt de onderhuurder het teveel betaa'de terug en hij gaat verder vrij uit. maar hij zal de onderhuurder zoveel moeilijkheden in de weg leggen (zie boven), dat het voor deze niet langer mogelijk is te blijven. Dan heeft de onderverhuurder zijn zin en zijn onsociale houding kan hij qp zijn volgende onderhuurder botvieren. Hij doet dit zolang totdat hij een onderhuurder heeft gevonden, die zich bij zijn veel te hoge eisen neer zal leggen. Een aantal strafbepalingen had derhalve niet in de wet mogen ontbreken en ook niet een bepaling, dat door of vanwege de

Huuradviescommissie, op eigen initiatief, zou kunnen worden opgetreden, üe te regelen materie is uiterst subtiel. Zij wordt evenwel door de Huurwet bij lange na niet op voldoende wijze opgelost.

Adressen enz., uitgaande van het Instituut

Herziening Woningwet

Het bestuur van het Instituut heeft het ontwerp-Ruimtewet en de voorstellen tot wijziging van de Onteigeningswet van de Staatscommissie vooi de herziening! van de Woningwet in handen gesteld van de Stedehouwkundige Raad. die zijn oordeel in twee nota’s heeft neergelegd. De eersti van deze nota’s met de begeleidende brief .van het bestuur volgt hieronder

Aan Zijne Excellentie de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Excellentie

Namens het bestuur van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw nemen ondergetekenden de vrijheid Uwe Excellentie hierbij twee nota’s te doen toekomen, welke de Stedebouwkundige Raad van het Instituut over het ontwerp-Ruimtewet en het ontwerp tot herziening van de Onteigeningswet van de Staatscommissie voor de herziening van de Woningwet heeft samengesteld.

Het bestuur zou het bizonder op prijs stellen als Uwe Excellentie bij de overweging van de voorstellen van de Staatscommissie met deze nota’s rekening zou willen houden.

Een van de leden van het bestuur maakte bij de beoordeling van de inhoud van beide nota’s het voorbehoud dat hij zich niet kan verenigen met het pleidooi voor de uitbreiding van de verplichting tot vaststelling van gemeentelijke bestemmingsplannen tot de bebouwde kernen en dat hij de aanvaarding van de gebruikswaarde als norm voor de vergoeding bij onteigening niet kan aanvaarden, aangezien z.i. deze in onze rechtsverhoudingen diep ingrijpende maatregel niet zal voeren tot betere stedebouwkundige verzorging of zal resulteren in lagere huurprijzen, omdat overdracht van bouwgrond op basis van de marktwaarde en niet tegen kostprijs pleegt te geschieden, ook bij verkoop of uitgifte in erfpacht door gemeentelijke grondbedrijven.

Een ander lid van het bestuur heeft ons doen weten dat hij de hem toegemeten tijd niet toereikend achtte voor een rustige overweging van de overgelegde stukken en dus de verantwoordelijkheid daarvoor niet kan accepteren.

Wat de in de nota’s behandelde onderwerpen aangaat, mogen wij nog opmerken dat de Stedebouwkundige Raad zich over het geheel gehouden heeft aan hetgeen door de Staatscommissie zelf in haar wetsontwerpen is opgenomen. Zo is met name het onderwerp van de vergoeding van bedrijfsschade. die in de huidige stads- en dorpsuitbreiding een belangrijke rol speelt, terzijde gelaten.

Zonder dat wij dit op deze plaats verder kunnen uitwerken, willen wij de nadruk leggen op het grote praktische belang van een bevredigende regeling van de bedrijfsschade, waarover thans tussen partijen niet zelden diepgaand meningsverschil bestaat.

In de hoop dat Uwe Excellentie aan een en ander aandacht zal willen schenken

Met verschuldigde hoogachting (w.g.) M. J. I. de Jonge van Ellemeet Voorzitter

(w.g.) H. v. d. 'Weijde Secretaris-Directeur

’s Gravenhage. 8 Januari 1951

Nota van de Stedebouwkundige Raad inzake het ontwerp Ruimtewet van de Staatscommissie voor de herziening van de Woningwet )

1. Algemene beschouwing

De verschijning van het rapport van de Staatscommissie tot herziening van de "Woningwet is in stedebouwkundige kringen met spanning afgewacht. Sedert lang leefde hier het besef dat de wet in toenemende mate achter raakte bij de praktijk van de bemoeiingen, die zij beoogt te regelen en meer nog bij de gedachten omtrent de noodzakelijke ontwikkeling van de stedebouw in de toekomst. De laatste ingrijpende herziening, die de heeft ondergaan, is in 1934 voltrokken en deze had het karakter van een aanpassing bij tijdelijke crisisomstandigheden. zonder voor de stedebouw enig – winst te brengen. De voor afgaande wetswijzigingen hebben wel beproefd aan de toepassing van de wet nieuwe ruimte te verschaffen, maar zij hadden in hoge mate een incidentele strekking, waren meer gericht op het wegnemen van kleine hindernissen dan op het ophouwen van een nieuw stelsel, zoals de praktijk dit eiste en grepen zo weinig doortastend in het lichaam van

De opmerkingen van de Raad betreffende de in dit ontwerp opgenomen schaderegeling zijn vervat in de nota inzake het ontwerp tot wijziging van de Onteigeningswet.