Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vuist onder den neus duwden. Dit had een groot rumoer tengevolge, en hoewel men anders haast bij iederen stap struikelt over een politieagent, was er nu niemand hunner te zien. Was het wonder, dat de arbeiders veronderstelden, dat dit zaakje was op touw gezet door de boeren, met medeweten van de politie ? Die tergerij moest zeker wanordelijkheden uitlokken, om dan de rustbewaarders (?) gelegenheid te geven, er eens op in te houwen en de orde te herstellen. Het volk liep echter niet in den gespannen strik, omdat men de bedoeling begreep.

Echter : de kruik gaat zoolang te water totdat zij breekt.

En nu kan men zeggen, dat er geen zekerheid bestaat, •dat er werkelijk zoo laag gehandeld werd, maar het feit, dat er geen politie was, om de drankwet te handhaven, gaf stof genoeg tot denken en verdenken.

Wel werd er eindelijk tegen twee Balksters procesverbaal opgemaakt, doch niet dan nadat de sergeant eerst een soldaat naar de woning van P. O. had gezonden, om de politie te waarschuwen, en toen zij daarop niet kwam , er zelf was heengegaan en der politie had verweten (zoo vertelt men althans) dat zij op rustige burgers loerden, maar waar hun plicht hen riep, dezen verzaakten. Leerzaam, nietwaar ? Echter wordt door sommigen tot verontschuldiging der politie aangevoerd, dat zij zich waarschijnlijk juist van schoon linnen hadden voorzien en de kamerjacht buitengewoon veel drukte gaf, wat ten huize van P. O. niemand mag bevreemden.

Ingezonden Stukken.

Mijne houding op de Meeting te Heerenveen.

_»Nu nog spreken over de meeting te Heerenveen! Zij ligt reeds een eeuw achter ons !" Die zoo spreekt, heeft gelijk. Ik was dan ook èn voor de daar aanwezigen èn voor mij zelve verplicht geweest, veel eerder eene soort van uitlegging aan het dè&r door mij gesprokene te geven.

Wat zal ik er echter van zeggen ? Het kan mij gewoonlijk zoo weinig schelen, hoe men mij beoordeelt. Ik bfn zoozeer voor mij zelve overtuigd, dat ik maar één doel heb : waar te zijn, dat ik er volstrekt geen notitie van neem, of mijne woorden naar den smaak van mijne hoorders zijn geweest, ja of neen. Nu men mij echter af en toe onder 't oog brengt, dat die nonchalance niet alleen mij zelve schaadt, maar ook het doel waarvoor ik werk, geloof ik. dat de tijd gekomen is, om het zwijgen te verbreken.

^ an het door my gesprokene te Heerenveen neem ik geen woord terug. Integendeel, van dag tot dag wordt de overtuiging bij mij sterker, dat ik het aan het juiste eind had.

Een woord vooraf, alvorens dit nader toe te lichten.

Ik ben socialiste „pur sang." Zij die mij op laffe Wijze tot Anarchiste stempelen, op hoop de zaak, Waarvoor ik mij moeite geef, te ben sdeelén, zijn in tuijn oog belachelijk. Anarchist te zijn is evenmin schandelijk als Socialist, Anti-Revolutionair of Liberaal te wezen. Het staat ieder vrij, er eene andere öieening op na te houden als zijn buurman. Als ik Anarchiste was, zou ik dat met trots erkennen. Ik voor mij geloof echter het Anarchisme eerst mogelijk na het Socialisme, en daar het laatste er vooreerst nog niet is, valt er over het andere ook ttog^ niet te praten.

Niettegenstaande nu die volmaakt socialistische

Mynhear gnyske efkes en sei wylst er op 'e klok Seacu : , ketier for tsienen ? Sakkerdebleu ! ik mat Kei t kantoar, oars fait de boekhalder yn 'e sliep en <3e klerk byt fen alle pinhalders stikken ou, om 't «r yn syn iver de tosken ek mei oan 't wirk sette Wol."

Mefrou andere neat. Hja lake ek net, mar sakke J'n in saneamde sliepstoel yn 'e hoeke fen de keamer del. „Yette net ienris tsien üre en foar ienen komt der nimmen," suchtte hja, „dy lange moar*en binne sa forfélend, Sam ! jy witte it net heal. Jy hawwe jou wirk , jou saken dy 't jo drjuwe , toar ik haw neat, suver neat, der 't ik de tiid mei deadsje kin..."

Mynhear wier wiles oerein gien en stiek in sigaer °an- «Jy kinne leze, pianespylje, teikenje, borduere, ««e wirkjes breidsje, haeke ..." telde er op de finSsi's foar hjar op, „dat is al seis. Mei César boartsje, Tineke mölke jaen , yn 'e tün kuijerje , dat is al luggen ; op 'e hüshalding tasjên, de aeijen telle..."

„Haw er de gek mar mei," klage hja, „jv hawwe e hieltyd oulieding en ik. .

^ sJa, dat is nou ienkear mei üs manlju net oars.

y matte de kost fortsjinje en jimme, froulju, matte i. jiïd rölje litte en op de bern passé !" sei hv ^ich.

. » tls skande!" suchtte hja, „der ek noch de gek mei ^ liawwen! Koe 'k dat léste mar dwaen ! Wy awwe nou skieik toalf jier troud wést..."

hie üs aldste jonge al alve jier wést kind," I1!) *mar frou! as dy bistien hie, den hied er > (jy1 ,ujuggen üre al nei skoalle matten en de oaren, j fc "an him folgen ek, en den hienen jy wer al- '

denkbeelden, behoor ik niet aan den 8. D. Bond. Het beweren, dat ik daarvoor te veel „bourgeois" ben, laat ik voor rekening van de zeggers. Dit intermetzo geloof ik noodig, omdat mijn optreden te Heerenveen die praatjes in de hand schijnt gewerkt te hebben.

Ik heb dus gezegd, dat ik mij hield aan het gesprokene te Heerenveen.

Om mij goed te begrijpen, zult gij, Friezen! u eenige oogenblikken buiten uwe provincie dienen te denken. Niet oreral toch heerscht dezelfde opvatting omtrent het socialisme. Bij u b.v. zijn de woorden van Karl Marx: „Arbeiders van alle landen vereenigt u!" in goede aarde gevallen. Toch — de werkstaking van het Bildt bewijst het — zijt gij niet ongenegen, zoo het mogelijk is, in transactie te treden met andere klassen. Üwe keuze is : Eerst alle middelen uitgeput, alvorens aan geweld te denken. In één woord: Gij wilt beproeven, het socialisme, dat wil zeggen :„het recht voor allen" in praktijk te brengen.

Niet aldus in Holland. Het meerendeel daar ziet in het socialisme heel iets anders. Voor hen beteekent het: eene omwenteling van zaken, die hen de plaats zal geven, welke de bezitters van het heden mnemen. Dat de toestand dan eigenlijk hetzelfde zou blijven en er alsdan alleen eene personenverwisseling zou plaats hebben, willen zij niet van hooren. Voor hen is het doodeenvoudig een klassenstrijd, waarbij al wat geld en kennis heeft, verdelgd moet worden. Dat alles wordt zoo luchtig behandelt, alsof revolutie zooiets als een feestje is.

Deze fractie der Sociaal-Democraten zou men eigenlijk dansende revolutionairen kunnen noemen, doch ongelukkiger wijze schijnt zij tot heden het meest de vrouw uit den arbeidersstand tot zich te kunnen lokken.

Laat men nu niet gaan denken dat ik beweer, dat allen in Amsterdam pretmakers zijn. Ik ken er vele ernstige, denkende mannen onder, die ik ten hoogste eer, doch daar waar de vrouw gezamenlijk met den man heet te werken, eindigt de sociale quaestie in ... . een danspartij. En dat kan ook niet anders. Al wat over het algemeen genomen de vrouw uit de werkende klasse van de oplossing der sociale quaestie begrijpt, is dat eene revolutie haar in de gelegenheid zou stellen, den hoed, mantel of eenig ander vod van mevr. A.; B., of C., op hare beurt te verkrijgen. Hooger vlucht omtrent het doel van 's menschen bestaan nemen gewoonlijk hare denkbeelden niet. Ik maak haar daar volstrekt geen verwijt van. Zij heeft niet anders geleerd, en wee degene, die haar een inzicht in het „mensch zijn" durft geven.

Geeft nu dezulken liet algemeen stemrecht! Als morgen de man het „algemeen stemrecht" verkrijg t, zullen er natuurlijk: eveneens een massa onder zijn die, in hun onverstand, den boel meer achteruit dan vooruit helpen. Doch ééne taak zullen zij toch kennen , het: «eendracht maakt macht!" Zij zullen gewoon zijn, zich te vereenigen, onderling saam te werken, al zouden zij het ook maar geleerd hebben in koffiehuis of herberg.

Niet aldus de vrouw. Met die zonderlinge leerwijze die de vrouw predikt: dat al wat goed is voor den man , haar nadeelig is, heeft men haar van jongs af aan geleerd, dat zich te isoleeren hare kracht is. Hoe minder omgang zij met hare zusteren heeft, hoe fatsoenlijker zij is. Daar waar echter de omstandigheden het onvermijdelijk maken, dat zij elkander ontmoeten, mogen zij slechts spreken over kinderen, kleederen of p0t koken. Al wat daar

j linne bleaun."

Hjar eagen waerden wiet en hja sei treurich : „jy wolle der noait in earnstich wird oer hearre, Sam ! mar ik woe wol, dat jv ris efkes yn myn siel léze koenen , ho iensum as ik my soms fiele kin. As min ienkear troud is, den is 't it aldermoai3te as . .

Mynhear grypte nei syn hoed en foei hjar yn 't wird : „as ik yn jou siel léze koe, den scoe 'k dêr sjên, hwet jy my al tüzenkear forhelle hawwe, dat it sa spitich is dat wy gjin bern hawwe. Mar dat is nou ienkear net oars. Jou mem hie mar ien en as jy nei skoalle of nei tsjerke of ütfenhüs wieren, den wier hja wer allinne, en as jy jouns sliepten en jou heit yn de soasjeteit siet, hwet aerdichheid hie jou mem den oan jo ? En do jy op jou achttsjinde jier mei my trouden, hwet wier dat doplesierich for jou mem, dat se hjar bern üt 'e hüs gean seach , al wier se der ek greatsk op , dat jy sa gau yn 't houliksboatsje stapten."

„As ik sisters hawn hie. . ." bigoun mefrou.

„Gekheid allegjerre! mei dy sisters hie't deselde wei opgien en ier of let hie jou mem allinne sitten lyxi as nou ! sei mynhear en forfolge: „jy hawwe jo nou ienkear yn 'e holle set, dat de lju jo dêrom bikleije matte, mar dat kin ik net dwaen. Gjin bern : gjin soarch en lést! César en Mineke meitsje it spil al smoarrigernöch . . . sjoch ris!"

Hy wiisde op de krommels en stikjes, der 't César yn omwadde hie en skóp mei de foet in röltsje smoarch doek wei, dat by de stoel fen it wiif laei. It wier de büsdoek, dy 't de houn üt 'e tün helje matten hie en der 't er nou wer mei alle geweld op

buiten ligt, is uit den booze! Als zij van sociale nooden iets weet en, wat meer zegt, er van durft spreken , is zij bepaald onvrouwelijk. Ten minste zoo beweren de Heeren der schepping. Van verenigingsleven is dus bij haar geen sprake. Wel nebben in de laatste jaren enkele haar toegeroepen: „Vereenigt u1" maar daar, waar zij aan die oproeping gehoor hebben gegeven, hebben diezelfde mannen, die haar dien raad gaven, haar met hoon en spot overladen. Niets is te vuil, niets te walgelijk geweest, om haar naar het hoofd te slingeren.

Geeft nu, te midden van dien toestand, de vrouw het algemeen stemrecht!

Wat zal zij met het stembillet aanvang an ? Wiea zal zij om raad vragen? Onderling vergaderen? Enkelen uitgezonderd zal zelfs de meest vooruitstrevende man haar dit beletten. Zij zal dus verplicht zijn, zich te wenden tot den man, den eenigste die alle belang er bij heeft, om haar op een verkeerden baan te leiden.

Laat ons de zaak goed onder de oogen zien. Volgens de wet is er een gepriveligeerde en een onderdrukte. Be man en de vrouw. Telkens nu als de laatste iets in hare rechten wint, verliest de ander. Dat is logika. Wie ter wereld zal er nu een oogenblik aan denken, dat de massa vrijwillig van hare voorrechten afstand zal doen !

De vrouw, op het oogenblik het A. S. verkrijgende, zou komen in de kluchtige positie van een bestolene, die bij den dief om recht ging vragen.

Voor haar zou het stembillet de spade zijn, waarmede zij haar eigen graf dolf. Zij zou een vechtpunt der verschillende partijen worden; zij zouden haar sleuren en sleepen totdat zij eindelijk, nog niet gewoon aan de politieke strikken, in handen viel van hemelbelovers van allerlei slag, die haar of een hemel hierboven öf een hemel hier od aarde voorspiegelden. Met beide zou zij bedrogen uitkomen. De een zou haar spoedig, evenals in de middeneeuwen, beduiden dat: de hemel voor de vrouw slechts betreedbaar is, als zij hier op aarde de slavin van den man is geweest, en de ander zou haar zoolang zijne bescherming opdringen, totdat zij was geiijk aan de domme 111 ®van&enschap levende harembewoonster.

Indien de vrouw van het heden het kiesbiljet kreeg, zou zij m eene luttele spanne tijds, die enkele privilegien welke de wet haar nog geeft, verdobbeld nebben.

Daarom verlang ik slechts geleidelijk het kiesrecht voor de vrouw en dat dan ook nog niet eerder voordat kiesbevoegdheid er nevens staat. De vrouw moet de vrouw kiezen. De man immers doet evenzoo!

Ln nu mogen al enkelen beweren, dat ik tracht man-menschen en vrouw-menschen te scheppen - ik stel daartegenover de vraag: Wanneer hebt gij, Mijneiieeren. die reeds duizenden en duizenden jaren de belangen der menschheid hebt behartigd, ooit de vrouw uw gelijke, „mensch" verklaard?

Amsterdam, 28-9-'90. W. DRUCKER

Eene vraag.

Dezer dagen werd te 's Gravenhage door den Officier van Justitie eene zware straf geëischt voor eene ontaarde moeder, die hare 17jarige dochter willens en wetens liet prostitueeren en haar overgaf aan de vuile lusten van . . . ja zelfs van hoogbejaarde heeren, die daarvoor hun goud veil hadden. De wet kon, dank zij onze plutocratische wetgeving, deze laatsten niet treffen, al waren zij minstens

tasetten kaem. „Hjir César !" hjitte syn baes him, „net oan dat kring ! Hjir moai lizzen gean en 'goed op 'e frou passé, hjer! Dach Lotsje! net lilk wêze, hjer! ik kom om itenstyd grif thüs !"

Hy tute hjar efkes op 'e foarholle, klöppe de houn op e rêch, knikte Leentsje, dy 't yn 'e keamer kaem om de thétafel op to rédden, frjeunlik ta en gyng troch de tun nei in sket, dat yn in smelle striette ütkaem, iepene in doar dêryn mei in kai, dy 't er yn 'e büse droech, en die hjar op deselde wize wer tichfc. Dat wier de neiste wei nei it kantoar en mei al dat gejeuzel fen mefrou wier it moai let wirden. Hy moast de forlerne tiid ynhelje as 't in bytsje woe. 't Like dochs net sa mal as er 't mefrou ouskildere hie : de boekhalder hie de eagen goed iepen en de klerk skreau yn in great boek, mar do 'ter „mynhear" hearde, halde er op fen skrjuwen en laei er de pinne del. Nei de earste moarnsgroete kaem er in trêd neijer en wiisde op in stik mannich brieven, dy 't er al in üre lyn op mynhear 's lesner klear lein hie. Earbiedich mei de holle in bytsje foardel sei er heallüd: „de ünderste, der wirdt strakjes anderd op werom helle, mynhear J"

„Fen hwa komt er ?" frege mynhear en grab'bele foart nei de „ünderste."

't Wier in tige fiis brievesekje mei forskate hantaesten er op.

Mei greate gewoane skrjuwletters stie er opskreaun ;

an mienheer s van de grooteweg

ien ygen haanden.

Tonei mear.

Sluiten