is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond, jrg 45, 1939, no 35, 08-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land wordt gegeven en voorts wordt nagegaan in hoeverre zii herziening of aanvulling van noode hebben. Meer dan men oppervlakkig zou denken, is voor de arbeidersklasse een dergelijke studie van belang. De verworven rechten op sociaal gebied vormen voor hen in het bijzonder een kostbaar bezit. Het is echter een bezit dat geenszins onaantastbaar is, maar slechts door waakzaamheid behouden kan blijven. De steeds wisselende economische toestanden vorderen voortdurende aandacht. Zouden de ten deze geldende wetten niet op tijd herzien of aangevuld worden, dan zouden zij verstarren en op den duur onbruikbaar worden.

De schrijver, dien wij kennen als eetn practisch politicus, beseft dit ten volle. Hij weet, dat deze wetten, na langdurigen politieken strijd verkregen, eer. veel diepere en ingrijpender verandering in het lot der arbeiders te weeg hebben gebracht dan wellicht na een heftige en geslaagde revolutionnaire situatie het geval zou kunnen zijn geweest. Vraagt eens een ouden vakgenoot naar toestanden, zooals zij in zijn jongensjaren waren, dan zult gij de waarheid van deze bewering moeten erkennen. Gold een halve eeuw geleden de liberale gedachte nog voor onaantastbaar en werd iedere staatsinmenging in de handelingen van den particulieren ondernemer als eene ongewenschte en overbodige bemoeienis beschouwd, tegenwoordig is het. onmogelijk, dat hij. bij het gebruik maken van levende arbeidskrachten, niet op de eene of andere wijze met den wetgever te maken krijgt. Ongemerkt voor de oogen van den leek, heeft zich dit proces voltrokken. Haast geruischloos is hij, wetenschappelijk gesproken, uit den glorietijd der vrije maatschappelijke krachten beland in het tijdperk der economische gebondenheid. De ondernemer voelt dit als een druk, als een belemmering van zijn initiatief en wijt in een ongunstige conjunctuur stilstand of achteruitgang van zijn zaken grootendeels aan de té sterke overheidsbemoeiing. Hij wil terug naar het verleden, toen hem gelegenheid werd geboden om herstel te verkrijgen langs den weg van den minsten weerstand: het loon van den arbeider. Hij verzet zich met alle kracht tegen iedere ordening en medezeggenschap en hij huivert bij de gedachte dat langs deze wegen eens de economische democratie een voldongen feit zal worden. In zijn strijd hiertegen veronachtzaamt hij geen argument, indien het ook slechts eenigermate geschikt is om gebruikt te worden tot verijdeling van dit streven. /

Het is deze critiek, die de schrijver op nauwlettende wijze gadeslaat waarbij hij stelling neemt tegen alles wat wanverhoudingen in ons huidige productiestelsel wil bestendigen. In korte maar rake hoofdstukken beschrijft hij het falen van de vrije economie; de verspilling welke aan dit stelsel inhaerent is; het ingrijpen van de overheid; de ordening op sociaal gebied; de bedrijfsraden; de ordening van algemeenen aard; de economische democratie; de medezeggenschap; alles gevolgd door een slotbeschouwing. Van zes wetten. op de ordening betrekking hebbende, geeft hij voorts de voornaamste bepalingen.

Vooral het eerste hoofdstuk, bevattende critiek op het vrije spel der maatschappelijke krachten, is suggestief geschreven. De vrije economie moet tot nieuwe crises leiden. „Wanverhoudingen tusschen de verschillende economische grootheden, tusschen productie en koopkrachtige vraag en tusschen productie en credietvolume, treden herhaaldelijk aan den dag. Het prijsmechanisme, de dokter die den patiënt (het economisch leven) na elke inzinking weer op de been zou moeten brengen schiet danig te kort. De patiënt blijkt steeds meer immuun voor de genezende kracht, die van het prijsmechanisme heet uit te gaan."

In zijn beschrijving van de onderlinge concurrentie, een strijd op leven en dood, die in het stelsel der vrije economie zijn rechtvaardiging vindt, geeft hij als zijn meening te kennen, dat „het is in zekeren zin de ironie van het noodlot, dat de verdedigers van de vrije economie, die zich altijd felle bestrijders hebben betoond van den klassenstrijd, die den arbeiders wordt opgedrongen, zelf van een strijd of leven en dood geenszins afkeerig zijn, doch integendeel dezen strijd aanprijzen, zonder zich al te veel -aan te trekken van de duizenden slachtoffers die daardoor worden gemaakt. Een tegenstelling, waarop het goed is nog eens nadrukkelijk de aandacht te vestigen."

Zoo zouden wij uit dit boék meer aanhalingen kunnen geven, die voor den socialist geen onbekende geluiden zijn. Hij vindt in dit werk de bevestiging van het vertrouwen, dat hij stelt in een socialistische toekomst, aangezien de steeds voortschrijdende drang naar ordening verwezenlijking van zijn ideaal naderbij brengt. De ordening in haar ontwikkeling is niet meer te stuiten en al mogen er tijden komen van schier ondoordringbare duisternis, waarbij gestreden wordt om dictatuur of vrijheid, vrede of oorlog, vrije economie Of gebondenheid, wij zijn het eens met De la Bella als hij het woord van Galilei in herinnering brengt: En toch beweegt: zij zich.

Voor de vermeerdering van de kennis der bestaande toestanden in het economische en sociale leven heeft De la Bella met het schrijven van dit boek een uitstekend werk gedaan. Den practici heeft hij den dienst bewezen, hun op dit gebied de balans voor te leggen, opdat zij weten waar zij aan toe zijn; den beginneling kan het tot leidraad strekken in zijn verdere studie. Hij besluit zijn boek als volgt:

„Voor allen, die tot de werknemers, handen hoofdarbeiders behooren en die in zoo sterke mate lijden onder het huidige stelsel, maar ook voor andere groepen in onze samenleving, die voortdurend — vaak tevergeefs — ■worstelen om een bescheiden bestaan, zij de ontwikkeling va:i thans een getuigenis van de werking van nieuwe ideeën en onweerstaanbare krachten naar andere vormen en een betere maatschappij, welker verwezenlijking millioenen in de wereld met onwankelbaar idealisme vervult." H. B.

AVONDSCHOLEN VAN HET INSTITUUT.

In den vaak moeilijken strijd om het bestaan, om een plaats onder de zon, is kennis een niet te verwasrloozen factor. Zij, die de school op te jeugdigen leeftijd verlieten, hebben in hun latere leven veelal de bittere ei-varing moeten opdoen, hoeveel zij aan kennis van allerlei dingen te kort zijn g'ekomen.

Voor hen, die een, plaats in de arbeidersbeweging hebben ingenomen, en meer nog voor hen, die daarin enigerlei functie vervullen, is ontwikkeling en niet in de laatste plaats parate kennis van zeer bijzondere beteekenis.

Steeds grooter wordt het aantal problemen, dat voor heel het volk van gewicht is en dat om oplossing roept. Daarbij de juiste grens te vinden tusschen hetgeen wenschelijk en mogelijk is daarbij af te meten wat in bepaalde omstandgihdeen gerealiseerd kan worden vraagt kennis en inzicht en vereiscbt een bijzondere scholing, waartoe het Instituut voor Arbeidersontwikkeling op uitnemende wijze den weg heeft geopend.

Vooral ook door de oprichting van arbeidersavondscholen heeft het Instituut den grondslag gelegd voor ontwikkelingskansen, die vöór onze leden individueel èn voor de arbeidersbeweging in haar geheel van onschatbare waarde moeten worden geacht.

Het scholenwerk van het Instituut te steunen, het bezoek aan de scholen zooveel mogelijk te bevorderen, is dan ook de plicht van ieder, die de belangen van onze beweging dienen en de arbeidersklasse naar een hooger levenspeil voeren wil.

S. de la Bella, Bestuurder N.V.V.

Wendt u voor inlichtingen tot het Centraalbestuur van het I.v.A.O., Vondelstraat 15, Amsterdam, W.

DAGBOEK 1939.

Moscou, 31 Augustus 1939.

De Opperste Raad van de Sovjet-Unie is in vergadering bijeen.

Op het spreekgestoelte Molotow, een van de weinige vooraanstaande bolsjewieken, die nog niet door het executie-peloton van Stalin werden doorzeefd.

Hij spreekt: „Dit handelsverdrag was niet het eerste, dat onder de huidige (nationaalsocialistische) Regeering met ons (anti-fascisten) gesloten is.

Bij deze overeenkomst neemt de Sovjet-Unie op zich, aan (Göring)-Duitschland een bepaalde hoeveelheid van ons overschot ten behoeve van de Duitsche (oorlogs)-industrie te verkoopen, hetgeen ten volle aan de belangen van de Sovjet-Unie beantwoordt.

Toen de Duitsche Regeering (die de Communistische Partij in Duitschland heeft uitgeroeid) evenwel den wensch te kennen gaf, ook de politieke betrekkingen met ons te verbeteren^ had de Sovjet-regeering geen reden dit te weigeren.

Het betreft hier niet onze houding ten opzichte van het binnemlandsch bestuur van een ander land („Thalman moet vrij!").

Wij mengen ons niet in de binnenlandsche aangelegenheden van andere landen.

Het feit, dat onze politieke stelsels verscholen, kan geen bezwaar zijn voor het onderhouden van goede politieke betrekkingen met andere, niet-sovjet-kapitalistische landen (zooals daar zijn het fascistisch Italië en het nationaal-socialistisch Duitschland, dat het Republikeinsche Spanje hielp vernietigen)."

Terwijl aldus en onder daverend applaus van den geheelen Oppersten Raad van deze zich noemende ware socialisten, dit platte koopmansstandpunt werd verkondigd, bereidden Engeland en Frankrijk zich er op'voor, Polen te hulp te snellen, indien Duitschland dit land zou aanvallen.

Men weet het, dit geschiedde. Dit geschiedde dank zij het feit, dat Rusland met Duitschland het ook door onze Hollandsche communisten geprezen niet-aanva!sverdrag' afsloot. Daardoor vond Duitschland den moed tot dóórzetten tegen Polen.

Dientengevolge hebben op 3 September 1939 Engeland en 'Frankrijk aan Duitschland den oorlog verklaard.

En ziehier nu enkele regels uit betoogen van menschen, die nimmer om eenheidsfronten tegen tegen het nazi-fascisme schreeuwden, gelijk de communisten op bevel van Moscou uit den treure hebben gedaan.

Chamberlain (Minister-President):

„Alles waarvoor ik heb gewerkt, waarop ik heb gehoopt en waarin ik heb geloofd gedurende mijn openbare leven, is tot puin ineengestort. Het eenige, dat mij is overgebleven, is, na te gaan, welke krachten ik bezit voor de overwinning van onze zaak.

Ik kan niet zeggen, welke rol ik wellicht zal mogen spelen, maar ik vertrouw, dat ik den dag zal mogen aanschouwen, waarop het Hitlerisme vernietigd zal zijn, en een bevrijd Europa zal zijn hersteld."

Greenwood (Sociaal-Democraat):

„Tot Polen zeggen wij: onze harten zijn met u en met onze harten al onze krachten, tot den terugkeer van den vrede. Het nationaal-socialisme moet definitief omvergeworpen worden."

Sinclair (Liberaal):

„De wereld moet weten, dat het Britsche volk onverbiddelijk vastbesloten is, een einde te maken aan de nationaal-socialistische overheersching en een orde op te bouwen, gevestigd op rechtvaardigheid en vrijheid."

Churchill (Conservatief):

„Het betreft niet Danzig en Polen. Het geldt, de wereld te redden van de pestilentie der nationaal-socialistische tyrannie en de heilige goederen der menschheid te verdedigen. Deze oorlog heeft geen materiëele voorwaarden ten doel. Hij heeft ten doel, het toekomstige statuut van den mensch te vestigen."

Wie zijn nu de praatjesmakers, wanneer het betreft strijd tegen het fascisme, mijnheer Louis de Visser?

U geeft daar geen antwoord op, maar u zegt met de Russische Prawda, dus op bevel van Moscou: het niet-aanvalsverdrag met Duitschland werd gesloten, omdat Engeland en Frankrijk geen behoorlijk verdrag met Rusland wilden sluiten en wij toch zoo verschrikkelijk erg voor den vrede zijn.

Jawel. Maar weet u wat de eenvoudige man in de straat zegt? Dit: Wanneer Rusland tegen Duitschland maar had willen zeggen: wij doen met Engeland en Frankrijk, het gaat zoo het gaat, mede, om je op.je falie te geven, zoodra je Polen of eenig ander land gewelddadig aanpakt, dan zou de vrede in Europa gediend geworden zijn. Dan toch zou Duitschland zich Wel tienduizend maal hebben bedacht, alvorens gewelddadig zijn zin tegen Polen door te drijven. Dan zou tevens het nationaal-socialisme een knauw hebben gekregen. Maar nu, dank zij hét niet-aanvalsverdrag, vond Duitschland moed. Nu rekent het er op Polen binnenkort te veroveren, waarna het grens-aan-grens met Rusland komt te liggen en het makkelijker goederen en mogelijk ook wapenen uit Rusland kan betrekken. Zoo zal het den strijd tegen Engeland, Frankrijk en andere landen, welken het om de vernietiging van het nationaal-socialistische systeem te doen is, beter kunnen volhouden.

Zoo, mijnheer De Visser, spreekt de eenvoudige man uit de straat. Die man heeft gelijk. Het communistische praatje: „niet aanvalspact is vredespact," is... . een praatje.

Dat weet ook Molotow. En Stalin! Maar zij denken: een voordeelig handelsverdrag is een voordeelig handelsverdrag; geld stinkt niet; in Rusland hebben de menschen niets te zeggen en de communisten buiten Rusland verdedigen toch wel al onze daden. Zelfs als wij met Duitschland bloed-broederschap drinken. C. v. d. L.

HULP VOOR ONBEHUISDEN.

Op Zaterdag 16 September 1939 is er wederom een straatcollecte ten bate van de winterhulp van Hulp voor Onbehuisden.

Doet mede!

Meldt ti aan als collectant(e)!

De Vereeniging Hulp voor Onbehuisden verzorgt dagelijks 800 volwassenen en kinderen van alle gezindten en van eiken leeftijd, en is hierbij voor een groot deel van giften afhankelijk.

Wie voor Hulp voor Onbehuisden collecteert, steunt een mooi en edel werk van groot algemeen nut.

Het Amsterdamsche publiek is Hulp■ voor Onbehuisden nu reeds 35 jaren zeer welgezind en daarom za! men voor „Jonker" alleszins prettig collecteeren.

Trouwens, wanneer gij een vorig jaar aan de collecte hebt deelgenomen, weet gij dit bij ondervinding.

Meldt u onverwijld aan als collectant(e). Uw spoedige aanmelding helpt de administratie vergemakkelijken en beperkt de onvermijdelijke onkosten.

Helpt Onbehuisdens Winterhulp aan mannen, vrouwen en kinderen in de nachtasyls en internaten!

Meldt u onmiddellijk aan: Stadhouderskade 84.

Kroniek.

De oorlog en wij.

In De Diamantbewerker van 1 September 1939 schrijft Jan (Bartels) een artikeltje, getiteld In de deemstering (schemering), waaraan het volgende is ontleend:

Het is niet mogelijk met eenige kans van zekerheid over den gang onzer nijverheid te schrijven; de menschheid heeft alle problemen van het gewone leven terzij gesteld en verkeert in een paniekstemming, in het vooruitzicht van de rampen, die mogelijk de heele wereld kunnen teisteren.

Ieder mensch met gezond verstand is tegen oorlog gekant en vindt het ongehoord, zelfs misdadig, dat een handvol enkelingen over het leven van millioenen onschuldigen heeft te beslissen. De berichten, die ieder uur het publiek bekend worden gemaakt verhoogen het pessimisme; de onrust is stijgend; bij de ouderen zijn tfe wonden van den wereldoorlog 1914-1918 nog verre van geheeld en weer rijst hetzelfde schrikbeeld op, dat in moorddadigheid het vorige nog zal overtreffen.

Ieder vraagt zich af: wat kan een oorlog brengen op de wereld om in de toekomst den vrede te verzekeren? De ondervinding heeft toch geleerd, dat juist de vernietiging van heele volkeren de basis wegneemt om verstandige en rechtmatige overenkomsten te sluiten.

Hoe onze industrie op de oorlogsgeruchten zal reageeren, weet niemand; in ieder geval voelen wij nu reeds den terugslag en wordt er minder gewerkt. Reeds zijn vele van onze jonge kameraden tot den legerdienst opgeroepen; de positie voor allen wordt onzeker en wij hopen dat nieuwe lichtpuntjes zullen opflikkeren, die deze huidige spanning als een akeligen droom doen wegdrijven.

Wij kunnen in ieder geval verzekerd zijn dat onze Regeering niets onbeproefd laat om ons buiten den wereldkrijg te houden. Alle hoop is niet opgegeven, dat zelfs door besprekingen toch de vrede wordt behouden

als het gevaar nakend is, is heel dikwijls de redding nabij.

De hoop, die Bartels koesterde, is gebleken ij del te zijn. Sinds Zondag 3 September 1939 is er oorlog tusschen Duitschland eener-, Polen, Frankrijk en Groot-Britannië anderzijds.

Bartels schrijft, dat de oorlogsgeruch-

„WHISTLE WH1LE YOU WORK ..."

(Liedje uit Sneeuwwitje)

Aldus het begin van het liedje dat de dwergen in de teekenfilm Sneeuwwitje zongen als-ze zwoegden en werkten.

„Fluit terwijl je werkt. .

Och, als je bij toeval de zalen op onze fabrieken zoo over loopt, op de fabrieken, waar nog gewerkt wordt, dan treft het, dat er niet meer zoo luidruchtig gezongen en gefloten wordt als vroeger, terwijl wij aan het werk zijn.

Hoe kan het ook anders, het werk is zwaar, de tijd is hard en het loon is al te gering voor den arbeid . . .

Het is en blijft ploeteren en poot-an spelen.

En de tijden zijn maar al té ernstig om veel te zingen of te fluiten.

Maar toch mogen wij even vrolijk fluiten tijdens het werk als wij onze bijdrage — ai is het dan maar een kwartje — voor het fonds hebben betaald.

Wees dan even blij, dat je voor de kinderen van ons allen weer iets hebt kunnen doen.

Dus dan een opgelucht vroolijk

Whistle While you Work . ..

H. van 't Veld.

ten in België hebben geleid tot vermindering van werk in ons vak. Zoo is het ook hier geweest.

Daarmede zal het, nu de oorlog is uitgebroken, ongetwijfeld heel wat erger worden.

Dit wordt geschreven op Maandag 4 September 1939, den dag na de oorlogsverklaring, en heden is het aantal werkeloozen reeds met ongeveer 250 gestegen. Waarschijnlijk zullen de volgende dagen gelijke resultaten oplevelen. Het is niet onmogelijk, dat nagenoeg de geheele industrie tot stilstand zal komen.

Zoo is het ook in 1914 geweest. Toen is na betrekkelijk korte tijd het werk op bescheiden schaal hervat, aanvankelijk voor tijdelijk sterk verminderde loonen. Vrij spoedig werd echter weer op redelijke schaal gewerkt tegen de gewone loonen en gedurende den geheelen oorlogstijd bleef het vrij levendig.

Hoe het nu zal gaan, niemand kan het voorspellen.

Afwachten en berusten.

Wat zou men anders kunnen?

* * *

tn België.

In De Dag van 4 September 1939 verscheen het volgende:

In de huidige omstandigheden zal niemand onder onze trouwe lezers er over verwonderd zijn dat, als gevolg van de internationale verwikkelingen, de beweging in den diamanthandel onder het zero-peil (nul) is gedaald.

Het hoeft daarom geen nadere uitleg om welke redenen wij geen geregeld marktoverzicht zullen geven.

Een feit moet nochtans worden gereleveerd, te weten, dat, ter stabilisatie van de prijzen van den diamant, de transacties te Londen voortaan zullen geschieden op een basis van 4,68 dollar voor een pond sterling.

Het zal evenmin verwondering baren indien het eerstvolgend zicht te Londen zal worden verdaagd, als gevolg van het toespitsen van den internationalen toestand.

Bedrijfsregeling in België.

Voor het einde der maand Augustus werd ons enkele weken geleden een vraaggesprek door den voorzitter van den Raad van Advies toegezegd. De huidige omstandigheden hebben hieraan enkele dagen vertraging gebracht.

In verband met de persmededeeling, welke wij in het nummer van Zaterdag j.1. hebben gepubliceerd en welke betrekking had op de werkkaarten voor diamantbewerkers, hebben wij tijdens het voornoemd vraaggesprek nog het volgende meldenswaardige opgeteekend:

Op het oogenblik en ondanks den zenuwstorenden toestand heeft de Commissie, belast met het nazicht, de aangevraagde licenties onverpoosd doorgezet. Ongeveer 17.000 werkliedenaanvragen werden behandeld, naast 1400 licenties voor patroons. Morgen, Dinsdag om o uur, zal een bijzondere commissie zich uit te spreken hebben over een 120 licentie-aanvragen van fabrikanten en werkgevers, welke buiten het verband staan der bestaande patroonsorganisaties.

's Anderdaags (Woensdag e.k.) zal de Raad van Advies om 3 uur en om 5 uur het Nationaal Paritair Comité vergaderen. Het in werking treden van de vereeniging zonder winstgevend doel, belast met het beheer der fondsen van de licentiekaarten, zal aan de dagorde staan.

Voor wat betreft de plechtige inhuldiging y,an ., ,e »°kalen van het Nationaal Paritair Oomite en de neven-organismen, ingesteld voor de bedrijfsregeling in den diamanthandel en -nijverheid, zij zal vermoedelijk plaats vinden voor den datum van het in voege brengen '??. f' vertrek-basis van het minimumloon (180 frank), op 2 October aanstaande.

Eerstdaags zal in het Staatsblad de bekendmaking verschijnen, waarbij de loonboekjes voor het diamantbedrijf in hunnen specialen vorm van toepassing zullen worden

OP onze uitdrukkelijke vraag of 2 October lJö9 als defmitieven datum voor toepassing van het minimumloon mag worden beschouwd, bevestigde ons dit de voorzitter van den Raad van Advies met de meeste beslistheid.

Met betrekking hiertoe zij nog medegedeeld, dat tot voorzitter van den Raad van Advies, voor den tijd van drie jaren