is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 45, 1938, no 21, 22-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Echtscheidingen in Amerika Het is hier niet de plaats om ons te verdiepen in het echtscheidingsvraagstuk, dat vele kanten heeft, morele, sociale, godsdienstige. leder heeft over dit probleem zo zijn eigen gedachten, al kan niemand ontkennen, dat inde geweldige stijging van het aantal echtscheidingen een onrustbarend gebrek aan ernst en goede trouw tot uiting komt. Gelijk op zovele terreinen spant Amerika ook op het gebied van de echtscheiding de kroon. Of deze kroon aan het prestige van de Verenigde Staten veel luister bij zet mag betwijfeld worden. De echtscheiding verbreidt zich in Amerika als een besmettelijke ziekte en het bedrag, dat mannen aan hun gescheiden vrouwen jaarlijks moeten uitkeren aan kosten van levensonderhoud (alimentatie) bedraagt niet minder dan duizend millioen dollar. Men is oppervlakkig geneigd om te denken, dat als mannen hun avontuurlijke neigingen willen volgen en zich laten scheiden, er geen bezwaar tegen is, dat zij daarvoor een behoorlijke prijs betalen. Maar inde Verenigde Staten zijn het niet altijd mannen, die terwille van een andere vrouw een scheiding verlangen, maar is het de vrouw, met wie zij getrouwd zijn, die de scheiding wenst met het oog op de grote uitkering, die de rechtbanken als regel aan het arme vrouwelijke slachtoffer vaneen mislukt huwelijk toekennen. Er zijn vrouwen, die geholpen door advocaten van slechte reputatie, dat spelletje van trouwen en scheiden uitsluitend spelen om zich een inkomen te verschaffen, waarvan zij in welstand kunnen leven. Er zijn in Amerika vrouwen met een „eigen” inkomen, dat bestaat uit de door de rechtbank opgelegde uitkeringen van drie of vier voormalige echtgenoten. Wanneer de man niet betalen .wil, wordt hij gegijzeld Inde meeste gevallen is een verblijf inde gevangenis wel zó afschrikwekkend, dat de gescheiden mannen maar tot betaling overgaan, ook als zij de overtuiging hebben, dat het hun voormalige vrouwen niet om henzelf maar om de wettelijke uitkering te doen was. Maar Amerika is het land van de onbegrensde mogelijkheden en zo bestaat er in New York inde West-zevenendertigste straat een gevangenis, die bekend is als de alimentatie-clftb. Daar worden de gegijzelde mannen zo keurig behandeld, alsof zij ineen hotel waren. Het ontbreekt hun letterlijk aan niets. Alleen vrouwen worden in deze gevangenis niet toegelaten. Naar men zegt beschouwen de gegijzelde mannen dit niet als een straf! Universiteiten In vroeger tijd De beroemde Engelse universiteit te Oxford had in 1340 niet minder dan 24.000 studenten. De hogeschool te Bologna, waar alleen rechtsgeleerdheid werd onderwezen, telde aan het eind van de 13e eeuw niet minder dan 10.000 studenten, terwijl de Parijse universiteit omstreeks dezelfde tijd 12.000 leerlingen had. Ook de hogescholen te Salamanca en Praag hadden in die dagen vele duizenden studenten. Hij had rust nodig. „üw man heeft volkomen rust nodig,” zei de dokter „en daarom heb ik een slaapdrank voorgeschreven.” „Wanneer moet hij die innemen?” vroeg de vrouw. „Hij moet de drank niet innemen, maar u!” Tweede hands Een jonge man vroeg ineen herenmodemagazijn of hij een costuum kon krijgen, precies gelijk aan een uit de étalage. De bediende vroeg hem, of hij het costuum uit de étalage niet wilde hebben. „Jawel,” zei de man, „als ik het tweede hands kan krijgen.” „Tweede hands? Waarom?” „Omdat die meneer inde étalage het al meer dan drie maanden gedragen heeft.”

Vreemde overeenkomst tussen twee levens Op Zondag 28 October 1934, om zeven uur ’s avonds, werd de heer W. C. Armstrong, apotheker-scheikundige te Chicago, in Central Park aldaar dooreen auto aangereden. Hij werd tegen de straat gesmakt, kreeg een schedelbreuk en overleed vrijwel onmiddellijk. Hetzelfde ongeval overkwam op Zondag 28 October 1934 op hetzelfde uur, dr. Morris Barry, in Littletown, inde staat Illinois. Terwijl hij ineen park wandelde, werd hij eveneens dooreen auto aangereden en de gevolgen waren voor hem even fataal als voor den heer Armstrong. Tot zover is er weinig bijzonders in deze twee overeenkomstige gebeurtenissen. Maar het merkwaardige is, dat de heer Armstrong en dr. Barry volkomen eikaars evenbeeld waren en dat hun levens op eigenaardige wijze verweven waren. Ofschoon zij op elkaar geleken, zo nauwkeurig als tweelingen kunnen doen, bestond er tussen beiden niet de minste familierelatie. Op een dag tijdens de wereldoorlog werd een Amerikaanse militaire dokter naar een veldhospitaal aan het Franse front gestuurd. Terwijl hij op weg was naar de apotheek van het hospitaal, bleef hij plotseling met een schok staan, omdat zijn evenbeeld hem tegemoet trad. Op het gezicht van den anderen man tekende zich een zelfde verbazing af als op dat van den dokter.

Beide mannen waren op een centimeter na even groot; hun gezichten vertoonden precies dezelfde trekken en zij waren beiden evenzeer gebruind door de zon. Het duurde enige ogenblikken, voordat zij voldoende moed verzameld hadden om elkaar aan te spreken. De beide dubbelgangers waren dr. Morris Barry en de apotheker Armstrong. De laatste was belast met de leiding van de apotheek van het veldhospitaal. In het gesprek bleek, dat beide mannen waren geboren op 28 October 1884. Hun ouders waren boeren en beiden waren zij enige zoons. Zij hadden dezelfde studie gedaan én waren hogelijk verbaasd over de overeenkomstigheden in beider levens. Het bleek o;a„ dat zij op dezelfde datum waren getrouwd en dat zij hetzelfde aantal kinderen hadden. Na de oorlog waren zij gewoon om elkaar ieder jaar inde vacantie te ontmoeten; de beide gezinnen kwamen dan bij elkaar. Zij zetten de vriendschappelijke omgang regelmatig voort en mochten er getuige van zijn, dat de beide zoons van den dokter trouwden met de beide dochters van den apotheker. Beide mannen werden gedood op het zelfde uur van de 28e October, op hun vijftigste verjaardag. Hier houdt echter de overeenkomstigheid op; de apotheker liet een aanzienlijk fortuin na, de dokter stierf arm.

( )B!3!!BMU!ilH

De Weddenschap door HENK DUBBELMAN. Amsterdam is een mooie stad. Niemand durft daaraan twijfel uitspreken, al blijven de Amsterdammers met een opvallende en bijna provinciale belangstelling behebt tegenover personen van beiderlei kunne, die er ietwat opvallend uitzien. Met mijn Amsterdamse vriend Kronenburg en mijn Rotterdamse vriend Dassen, was ik over dit onderwerp ineen fanatieke discussie gewikkeld naar aanleiding van het feit, dat een van onze kennissen in pyama door de Leidsestraat had gewandeld. Kronenburg vond het een gewaagde onderneming, gezien de overdadige belangstelling van Amsterdammers voor alles wat niet „gewoon” is. „Een pyama is doodgewoon”, vond Dassen. „Ja, maar niet op straat!”, riep Kronenburg uit. „Omdat jullie niets gewend bent!”, kwam de Rotterdammer triomfantelijk. Met veel moeite slaagde ik erin om een stedenkamp Rotterdam—Amsterdam te voorkomen. „Bilders heeft er vijfentwintig pop mee verdiend door in

pyama door de Leidsestraat te lopen”, legde ik uit. „Het was een weddenschap, meer niet!” „Ik zou er niet aan denken voor vijfentwintig gulden me door heel Amsterdam voor gek te laten ve'rklaren”, verklaarde Kronenburg. „Ja, als je aan de opinie van de mensen hecht”, zei Dassen, „dan krijg je die angst dat iemand je idioot zal vinden.” „Dat heb jij net zo goed”, antwoordde Kronenburg heftig. „Daar durf ik vijfentwintig gulden onder te verwedden.” „Aangenomen”, riep Dassen. „Voor vijfentwintig pop wil ik best de opinie van Amsterdam trotseren. Zeg maar op, wat moet ik er voor doen!” Kronenburg dacht lang na, want hij wilde waar voor zijn geld hebben. Tenslotte zei hij: „Ik wed om vijfentwintig gulden, dat jij morgenmiddag om vijf minuten over twaalf in de Leidsestraat niet vijf minuten op je rug durft te gaan liggen.” „Op het trottoir?” vroeg Dassen secuur. „Nee, op de rijweg!” Aldus werd overeengekomen ten overstaan van mijn persoon als scheidsrechter. Om twaalf uur zouden we op het Leidseplein samen komen, ons daarna inde Leidsestraat begeven, waar Dassen zich op zijn rug midden in het verkeer zou nedervlijen. Ik hield den Rotterdammer voor, dat hij zijn leven waagde met de onderneming, doch hij wilde naar mijn waarschuwing niet luisteren. Precies op de afgesproken tijd vonden we elkaar onder de peristyle van de Stadsschouwburg. Dassen had een gele regenjas over de arm; hij zag er vergenoegd en ondernemend uit. Kronenburg was ietwat wit om de neus. Hij voelde zijn verantwoordelijkheid zwaar. „Als de politie je nu geen

vijf minuten laat liggen”, opperde hij. „Dan heb jij gewonnen”, zei Dassen royaal. Wij liepen de Leidsestraat in. Dassen stak de rijweg over en wij keken hem na. Op een meter afstand van de trottoirband spreidde hij zijn regenjas op het asfalt uit en ging er ruggelings op liggen. Het verkeer raasde op enkele centimeters langs zijn hoofd, maar hij bleef onverstoorbaar liggen. De voorbijgangers keken nauwelijks naar hem. Een paar meisjes giebelden en een slagersjongen sprong van zijn fiets. Een agent kwam aanschrijden en zei, nadat hij een halve minuut had toegekeken: „lets niet in orde?” „Niets van belang. Overeen paar minuten ben ik verdwenen.” De agent zette zijn route voort. Dassen bleef precies vijf minuten op zijn rug liggen. De enige hatelijke opmerking kwam uit de mond van den slagersjongen, toen Dassen onder de auto uit kwam kruipen, een oud-model Ford, die hij voor een uur gehuurd had

..lets niet in orde?”

,JVee, op de rijweg!"