is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 28, 08-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Kerkelijke Wereld

Ragaz en Barth

De bijzondere aandacht, die de Nederlandse overheid aan de komst van Karl Barth in Nederland heeft geschonken, moet gezocht worden in de vrees om zich de onvriendelijkheid van Duitse zijde, indien Barth al te veel vrijheid van spreken kreeg, op de hals te halen. Vandaar de houding der overheid, die wij de vorige week signaleerden en die ook door Mr. M. C. Slotemaker de Bruine in „Woord en Geest” wordt gelaakt.

Al staan wij de volledige handhaving der godsdienstvrijheid, ook in Nederland voor, dat neemt niet weg, dat wij oog moeten hebben voor wat de leider der Zwitserse religieussocialisten, Ragaz, in zijn „Neue Wege” van Maart ’39 over Barth schrijft.

Tot goed verstaan moet men weten, dat Barth een der jonge volgelingen van Ragaz is geweest. Barth is echter na de wereldoorlog een andere weg gegaan. Hij heeft de „Rijk Gods”-gedachte, door Ragaz als kern van bijbelse verkondiging naar voren gebracht, anders geïnterpreteerd. Hij bracht grote afstand tussen wat God deed en wat de mens kon doen en weten. De strijd tegen het humanisme, maar ook de afwijzing èn van de traditionele christelijke politiek èn van het religieus-socialisme moeten daaruit begrepen worden. Barth wilde alleen verkondiging van het Woord. Geen systeem, geen -ismen’-.

Toen kwam het nationaal-socialisme. In 1933 spreekt Barth daarover in „Theologische Existenz heute”, en verklaart, dat hij moet handelen als de monniken en nonnen van het (in de buurt van zijn toenmalige woonplaats Bonn gelegen) klooster Maria Laach, die zich door de komst van Hitler niet van de wijs lieten brengen en als steeds hun liederen zongen en gebeden uitspraken.

Maar het Nationaal-Socialisme drong verder. Het bleek geen politiek systeem te zijn, maar godsdienst. Toen dat duidelijk werd, veranderde de houding van Barth. Nu werd hij gedwongen tot een duidelijk neen.

In een zijner laatste (of allerlaatste) geschriften (het is niet bij te houden!), getiteld „De kerk en het politieke probleem in het heden”, zegt Barth het nu duidelijk: de Kerk en het Nationaal-Socialisme zijn vijanden.

Wij beamen dat volkomen. De religieussocialisten zien in dit woord bevestiging van wat zij steeds gezegd hebben. Bevestiging door niet de eerste de beste.

Hoe reageert nu Ragaz op deze positiekeuze van Barth? Hij juicht niet. Hij toornt. En inderdaad voor een deel terecht. Laat mij de hoofdstrekking van zijn artikel, getiteld: „Karl Barth bricht in die Politik aus” (K.B. barst tot politicus los), vrij en kort weergegeven.

Het is vrij laat, dat gij tot uw ontdekking komt, Barth! roept Ragaz. Dat is u al in 1933 gezegd. Maar toen hebt gij gezwegen. Ja, gij zegt nu wel, geen visionair geweest te zijn. Maar als gij u om de politiek bekommerd hadt, dan zoudt gij in 1920. bij de opkomst van het fascisme geweten hebben, wat gij eerst nu belijdt. Niet omdat gij geen visionair waart, maar omdat gij brillen der theologische verblinding droegt, hebt gij niet gezien, dat het fascisme het beest uit de afgrond, waarover de Openbaringen van Johannes spreken, is. Uw theologie is de schuldige, dat gij, grote theoloog, voor de waarheid der dingen blind waart.

Gij hebt bij de komst van Hitler, juist zoals de monniken en nonnen van Maria Laach hun liederen zongen en hun gebeden als vroeger zeiden, uw theologie voortgezet, alleen op „wat verhoogde toon” misschien. Gij hebt de gebeden van Maria Laach gehoord, grote theoloog, maar niet de schreeuw uit de concentratiekampen, waar de broeders en zusters Christi gemarteld werden. Dat is het; daardoor zijt gij gevallen. En gij zult niet weder opstaan, tot gij eerlijk verklaard hebt, dat gij gevallen zijt. Niemand verlangt van u, dat gij martelaar hadt moeten worden..., maar wij verlangen wel van u de erkenning, dat gij in uw eenvoudige plicht jegens Christus’ jongeren te kort geschoten zijt, toen gij, in het

aangezicht van de concentratiekampen, een „theologische Existenz” (bestaan) leidend, op verhoogde toon dogmatiek beoefende. Wij vragen de erkenning, dat gij, in uw theologisch brevier verdiept, aan degeen, die in rovershanden viel, voorbijgegaan zijt. Talloze eenvoudige christenmensen en vele niet-christenen hebben, wat gij nu zegt, reeds lang geweten, dit inzicht ten dele vaak met hun „Existenz”, ofschoon niet een „Theologische Existenz heute”, betaald!

Ragaz verweert zich tegen de opmerking, dat in 1933 de religieus-socialisten in Duitsland smadelijk omvielen. Ja, dat was het geval met Georg Wiinsch. Maar laat Barth liever in eigen kring blijven en naar zijn vroegeren vriend en geestverwant Gogarten kijken. En zit een andere leider, Eckert, niet nog steeds in de gevangenis?

Op dit ogenblik verkondigt Barth, zegt Ragaz, precies hetzelfde, als wat de religieussocialisten steeds gezegd hebben, alleen doet hij het door zijn kerkbegrip, vanwaar ieder levend mens een dodelijke kilte aanwaait, uit te bouwen. Ragaz stelt yast, dat Karl Barth en de zijnen, doordat zij de boodschap van het Koninkrijk Gods, door de religieus-socialisten verkondigd, bestreden, gehoond, uitgedoofd hebben, bijzonder actieve wegbereiders van Hitler en zijn rijk geworden zijn.

Wat toe te voegen aan deze bittere woorden?

In de eerste plaats moeten wij, zonder nog iets aan de zakelijke inhoud van wat Ragaz zegt, af te doen, het vermoeden uitspreken, dat hier een zeer kwetsbaar en gekwetst man aan het woord is.

In de tweede plaats, dat Ragaz inderdaad op een zwakke plek bij Barth wijst. Barth heeft zich in Duitsland teruggetrokken achter de laatste verschansing: de Kerk, het Woord. Maar hij heeft er geen, althans te laat acht op geslagen, dat vóór die verschansing een groot gebied is, de cultuur, vanwaar het hechte bolwerk kan worden ondermijnd. Dat merkt men niet, als men tussen de muren van zijn verschansing blijft. Dat merkt men wel, als men zijn arbeid verricht, zijn arbeid als christen, op het terrein, waarop die burcht is gebouwd.

En nu komt de felle hoge toon. Die dringt door. En degeen, die vragen om een duidelijkafwijzend woord tegenover het Nationaal-Socialisme kunnen het nu horen uit de mond van Barth. Zó fel is dat woord.. andere afwijzingen van de kant van hc?l ve7ie reeds eerder tot dezelfde conclusie kwamen, niet gehoord worden. Dat is het bovenal, waarom Ragaz zich terecht verontrust en ergert. Maar tenslotte heeft Ragaz geen gelijk, als hij zegt, dat Barth nu hetzelfde zegt, als wat hij, Ragaz, al zovele jaren gezegd heeft. Barth zegt Kerk en bedoelt ook Kerk. Ragaz zegt Koninkrijk Gods en bedoelt dan gans wat anders, dan ooit Barth bedoelen kan.

Het is goed, dat Ragaz Barth en zijn volgelingen (en ik zou dat willen uitbreiden voor Nederland) wijst op hun politieke onverantwoordelijkheid, op hun gemakkelijke hoon, op de irriterende minachting voor de cultuurarbeid. Dan staan wij naast Ragaz. Maar wij moeten toch voorzichtig zijn met te menen, dat Ragaz nu gelijk gekregen heeft. Het water tussen deze twee, die elkander hebben liefgehad, blijft diep.

Jodenhaat is Christenhaat

Sigmund Freud, thans weggevlucht uit de stad Weenen, vanwaar hij de resultaten van zijn zoeken en denken de wereld inzond, heeft door zijn ~De Toekomst van een Illusie” een der weinige veelgelezen bijdragen in de atheïstische litteratuur geleverd. Hij verondersteit in dat boekje, dat de godsdienst „een algemeen menselijke dwangneurose is, die, zoals die van het kind, stamt uit het Oedipuscomplex, dus uit de vader-kind-verhouding”. En hij meent, dat een genezing uit deze neurose (d.i. zielsziekte), alleen maar kan geschieden door „de opvoeding tot realiteit”.

Het is hier niet de piaats, de zwakte van

Freud’s standpunt na te gaan. Wie het geschrift, thans ruim 10 jaar oud, nog eens leest, ziet, dat Freud zich bij de vorming van zijn inzicht betreffende de godsdienst in het bijzonder door de R.K. Kerk heeft laten leiden. En verder, dat hij het wezen van de godsdienst niet vat, en alleen de verschijningsvormen ontleedt met een wetenschap, die niet geschikt is, tot het hart der religie door te dringen.

Intussen heeft dit boekje zijn werk gedaan, en vele anti-religieuzen een zekerheid gegeven, dat de godsdienst eens te meer vernietigd is.

Nu is zo juist een nieuw boek van Freud verschenen. „De man Mozes en het Monotheïsme”. Het is een analyse van het antisemitisme. Met de psycho-analytische methode ontleedt hij datgene, waar hij zelf nu het slachtoffer van is. De uitkomst van zijn onderzoek is te merkwaardig, om deze niet te vermelden, ook al staan wij tegenover de conclusies gereserveerd.

Een van de diepe motieven tot Jodenhaat acht Freud de Christenhaat. Hij zegt daarover het volgende; „Men moet niet vergeten, dat al de volkeren, die op het ogenblik vooraan staan in Jodenhaat, pas in historische tijden Christenen geworden zijn, of door bloedige dwang daartoe zijn gedreven. Men zou kunnen zeggen, dat zij allen ~slecht gedoopt” zijn. Onder het dunne vernis van Christendom zijn zij gebleven, wat hun voorvaderen waren, die een barbaars politheïsme huldigden. Zij hebben hun wrok tegen de nieuwe, hun opgedrongen godsdienst niet overwonnen, maar zij hebben die wrok naar de bron verschoven, vanwaar het Christendom tot hen kwam. Het feit, dat de Evangeliën een geschiedenis verhalen, die onder Joden speelt, en eigenlijk alleen over Joden handelt, heeft hun zulk een verschuiving makkelijker gemaakt. Hun Jodenhaat is in de grond Christenhaat, en men behoeft zich er niet over te verwonderen, dat in de Duitse nationaalsocialistische revolutie deze innige verwantschap tussen de twee monotheïstische godsdiensten in de vijandelijke behandeling van beiden zo duidelijk tot uitdrukking komt.”

De Paus zegent Franco

De Paus heeft aan Franco getelegrafeerd: „Wij verheffen ons hart tot God en verheugen ons met Uwe Excellentie over de zo vurig verbeide overwinning van het Katholieke Spanje. Met die gevoelens bezield, schenken wij Uwe Excellentie en het edele Spaanse volk onze apostolische zegen.”

Over die woorden zijn wij te bitter, om commentaar te geven. Wij vestigen er alleen de aandacht op, dat ~De Maasbode” van 17 Maart j.l. een uittreksel geeft van het herderlijk schrijven van den Spaansen kardinaal Goma y Tomas, aartsbisschop van Toledo. Er blijkt uit, dat dit hoofd van de Spaanse geestelijkheid volstrekt niet gerust is over de toekomst. „In de laatste tijd”, zo schrijft hij, „worden dienaangaande ook in Spanje leerstellingen verkondigd, die absoluut onjuist en gevaarlijk zijn. Er bestaat een wezenlijk onderscheid tussen de verering, welke de mens aan God verschuldigd is, en de dienst aan natie, vaderland en staat. Op dit onderscheid wordt niet altijd gelet. Men komt daarbij tot overdrijving en tenslotte tot de tyrannie van de totalitaire staat. In Spanje was het patriottisme steeds nauw verbonden met het Katholicisme en iedere nationale opbloei ging vergezeld van een godsdienstige wedergeboorte. In deze tijd, nu de bakens verzet worden, moet er op bijzondere wijze over gewaakt worden, dat de schat van het geloof zuiver bewaard blijve.”

Deze schat van het geloof schijnt het Katholieke Spanje zuiver te kunnen bewaren met een man aan het hoofd, die verantwoordelijkheid draagt voor de uitmoording van steden; en die, toen hem als rebel een royale overgave geboden werd door een wettige regering, zich niets herinnerde van het evangelische gebod, zeven maal zeventig keer vergiffenis te schenken.

De Paus mag Franco gezegend hebben. Wij weten niet, of God hem zegent.

L. H. RUITENBERG.