is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 29, 15-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verloren zoon

Lk. 15 ; 11—32. Ook zeide hij: Zeker mens had twee zonen. De jongste zeide tot zijn vader: Vader, geef mij het mij toekomende deel der bezitting. Hij verdeelde het vermogen onder hen. En na korte tijd pakte de jongste zoon aUes bijeen en vertrok naar een ver land, waar hij zijn vermogen in een losbandig leven verkwistte. Toen hij alles had doorgebracht, kwam een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden. Nu trad hij in dienst bij een der burgers van dat land, en deze zond hem op het veld om zwijnen te hoeden. En hij begeerde zijn maag te vullen met het voer dat door de zwijnen gegeten werd, en niemand gaf het hem. Toen zeide hij, tot zichzelven gekomen: Hoevele huurlingen van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik kom hier van honger om. Ik wil opstaan en naar mijn vader gaan, e.n ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u: ik ben niet meer waard uw zoon te heten: maak mij tot een van uw huurlingen. Hij stond dan op en ging naar zijn vader.

En toen hij nog ver weg was, zag hem zijn vader en werd ontroerd van meedogen; hij liep op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem. De zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Maar de vader zeide tot zijn slaven: Haalt spoedig het beste kleed en trekt het hem aan, doet een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten, haalt het gemeste kalf, slacht het en laat ons eten en vrolijk zijn: want deze zoon van mij was dood en is levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Toen begonnen zij feest te vieren.

REMBRAND!

Zijn oudste zoon nu was op het veld en hoorde, toen hij naar huis keerde en naderbij kwam, muziek en dans. Hij riep dan een der knechten en vroeg hem wat dat beduidde. Deze zeide: Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond teruggekregen heeft. Nu werd hij toornig en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader kwam naar buiten en drong er op aan; maar hij gaf hem ten antwoord: Zie nu eens, zovele jaren dien ik u, en ik heb nooit uw gebod overtreden. Toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven, om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u komt, die uw goed met gemene vrouwen heeft doorgebracht, slacht ge voor hem het gemeste kalf. Hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe; gij moest dus feestvieren en blijde zijn; want deze broeder van u was dood en is levend geworden, was verloren en is teruggevonden.

In een van de boeken van prof. Van Ginneken staat de gelijkenis van den verloren zoon afgedrukt in een aantal van onze Nederlandse dialecten. En juist in die vorm voelen we zo duidelijk, hoe eigen ons dit verhaal is en hoe meesterlijk in zijn eenvoud de wijze van vertellen.

Dit is directe prediking. Elke hoorder is er dadelijk ~in”; een zeker mens had twee zonen. En wie eenmaal luistert, blijft luisteren. De geschiedenis blijft van het eerste tot het laatste woord boeiend en „gewoon.” Maar niemand ontkomt aan het besef, dat er nog iets meer gezegd is dan wat dien verren zwerver betrof. De meest argeloze hoorder heeft zich even „verloren zoon’” geweten, en een boodschap vanwege den vader ontvangen.

Lk. 15 is een duidelijk hoofdstuk en ik ben mij bewust hoe slap en overbodig een soort uitleggend preekje naast zijn doordringende prediking zou blijken. Maar ons geslacht leest veel en vlug en daarom mag ik misschien voor ons allen, lezers (neen, uitroepers en hoorders moet de bijbel volgens Buber en Rosenzweig hebben) bij deze gelijkenis een paar streepjes zetten, ons allen tot beter lezen, beter luisteren dwingen.

Allereerst is er het zwijgen van den vader, waarover dr. Miskotte zulke mooie dingen heeft gezegd. De brutale, naar het ruimere leven begerige knaap krijgt geen standje, geen geklaag. De vader deelt het vermogen. In grote kracht, in zeer groot vertrouwen.

Als het natuurlijk gauw spaak loopt, hongert de domme jongen naar zwijnenvoer, naar voedsel ~beneden zijn stand.” Wie kent niet de begeerte naar oppervlakkige lectuur, leeg tijdverdrijf, babbelgezelschap, naar een soort schijnverzadiging, terwijl het zuivere brood uit des vaders huis ons wacht?

Gedachten der besten, schoonheid van natuur en kunst, een weinig contact met degenen die ons overeind helpen.

Juist in die neergang komt het moment van inzicht: dit is te dwaas; ik hoéf mij niet te vergooien. Een inzicht gedragen door het spiegelbeeld van ’t vaderlijk vertrouwen: ik blijf het eigen kind in mijns vaders huis, ik kè,n terug. Dit is merkwaardiger dan het schuldbesef; de overbodige zelfvernedering blijft hem dan ook bij de thuiskomst in de keel steken!

De vader blijkt gewacht te hebben, juist op den nietsnut, hoe zou hij hem anders van verre in den bedelaar herkennen. En in den vader is geen bijgedachte. Herkennen is voor hem hetzelfde als tegemoet gaan, omarmen. Niets van de vraag: is dit waardig? Is dit paedagogisch? Alleen stil wachten en blij ontvangen.

En dan is het feest. „Want deze zoon van mij is levend geworden.” Waaruit bleek dat? Alleen uit de terugkeer. Welke garantie gaf zo’n terugkeer uit honger en nood? Gene. Maar de gedachte aan thuis was althans in hem opgekomen. Uit dit ene feit groeit het nieuwe ieven door het vertrouwen en de vreugde van den vader.

Er wordt wèl weinig van den afgedwaalde geëist!

Nu voelen wij ons opeens de oudste. Ja, juist zo zou er wrok in ons zijn: En ik dan? en mijn braafheid? De vader heft ook deze wrok op in zijn liefde: Juist dat je braafheid „gewoon” was, is de rijkdom van onze verbondenheid; die maakte al het „daagse” tot een feest.

Wij zijn de jongste, wij zijn de oudste. En altijd werkt aan ons de genade van het grote leven, Gods liefde. Hoe vaak is vervreemding of verbittering zo van ons afgenomen. Hoe vaak mochten wij opnieuw beginnen. En wonderlijk, dat handelen van een onbegrijpelijke genade die wij ondergaan, is in al zijn verhevenheid ons niet vreemd. Dat wat ons leven zegent, geeft er tegelijk vorm en doel aan. lets er van wil in ons tot werkelijkheid worden. Mensen mogen elkaar vertrouwen en opwachten en nieuwe kracht geven!

Het kon wel eens zo zijn, dat een heel groot deel van ons geloof in deze twintig verzen uit het Lukas-evangelie ligt besloten.

Ik schrijf dit op de avond van den goeden Vrijdag, nu misschien velen van ons in stilte om een avondmaalstafel hebben gezeten. Moge het het feestmaal geweest zijn, dat altijd weer bereid wordt, waar de vader de oudste en de jongste zonen in zijn wijde liefde opheft, en tot elkaar brengt en vooruit en naar binnen leert zien.

P. KALMA—KOOPS.

Hij sprak en zeide In ’t zaal zich wendend: Vaarwel o moeder. Nooit keer ik weer....

En door de lanen Zag zij hem gaan en Sprak geen vervloeking, maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking.... Doch, bijna blijde. Beval den maagden:

Laat Immermeer De zetels staan en De lampen aan en De poort geopend, de slotbrug nêer.

Maar toen, na jaren, Melaatse zwerver Ter poorte klaagde; Uw zoon keert weer.... Zag zij hem aan en Vond gene tranen

Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

GEEBTEN GOSSAERT.