is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 41, 13-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' BratEMi.aïiï> ” ~ '"]

íytvem (si-en

Het is niet zozeer voor het gedijen van een harmonische ontwikkeling van de internationale politiek als wel voor onze gemoedsrust maar goed dat de kranten vaak niet weten wat ze bedoelen met de woorden die ze gebruiken. Wanneer het begrip voor een situatie te kort schiet, vindt men gemakkelijk genoeg een woord dat alle problemen omhult en krantenlezers en radioluisteraars gelegenheid biedt onbekommerd mee te praten over onderwerpen waarvan de portee hun ontgaat. Dat is allesbehalve een naoorlogs verschijnsel, hoewel het heden ten dage funester is dan vroeger. Tijdens de oorlog waren de grenzen ondanks alle halfduister der stiekume collaboratie scherp genoeg tussen de strijdende partijen getrokken om een goed verstaander te doen begrijpen dat het woord „terroristen” in de Duitse communiqués maar een Duits en vijandelijk en dus als zodanig niet ernstig op te vatten begrip was voor wat in Rusland partisanen, in Frankrijk maquis en ten onzent knokploegen heette. Die groepen streden buiten militair verband de strijd tegen den belager en dat was voor menigeen voldoende. Men kwam er eerst toe zich af te vragen, welke motieven en omstandigheden iemand tot partisaan maakte als het partisaanschap op zichzelf dubieus werd, zoals in Griekenland. Dan pas bleek, dat de strijd tegen de Duitsers veelal gevoerd werd door groepen met volstrekt tegengestelde en onverenigbare opvattingen omtrent de naoorlogse toekomst, groepen aan wie de verzamelnaam terroristen slechts in zoverre recht deed als ze uit één gezichtspunt werden bezien. Voor de oorlog wees Jan Romein er eens op, dat het niet anders stond met de „bandieten” waarvan de Japanners plachten te gewagen in hun berichten uit China. Bandieten was ook maar een naam; in dit geval voor grote groepen tot wanhoop gebrachte boeren, die door den vijand van hun land verdreven waren.

Wij willen het hier hebben over de nieuwste generalisatie van deze aard, over de zogenaamde extremisten. Dit begrip is in zijn vage algemeenheid nog gevaarlijker dan de beide bovengenoemde. Er ligt immers geen onverholen af keer of afwijzing in. Integendeel, de beschouwer plaatst zich als het ware op een denkbeeldig liberaal middenstandpunt en verwijt zachtjes een groep toch wel wat al te ver te gaan. Extremisten, dat woord doelt op hen die ver van den spreker af staan, mensen die zich opzettelijk van de harmonische middenweg hebben verwijderd. En geen grote groep, o neen, zij zijn maar de uitersten, gerekend van een alweer denkbeeldige middengroep uit die de toon aangeeft. Meer dan dit zegt het woord op zich zelf niet. Het heeft de ondertoon van het ongelijk der aldus genoemden, maar verklaart noch de oorzaken, noch de beweegredenen van hun „extremisme”. Alle dogmatiek is hier uit den boze; we moeten weten waarom men extremist wordt en wat dat in zijn levenssfeer betekent. Anders komen we niet verder dan goedbedoelde praatjes als: „Laten die Javanen toch met Van Mook praten, dan zullen ze wel zien dat zij en wij maar één vijand hebben, die pemoe-

da’s”. Woorden zijn er om een werkelijkheid weer te geven, niet om de werkelijkheid te vervangen. Het is echter heel wat moeilijker de werkelijkheid in al haar schakeringen te kennen dan er in generaliserende termen over te spreken.

Richten wij onze blik eerst op Indonesië (ik bedoel met het bespreken van Indonesië in deze rubriek niet dat het buitenlana voor ons is; wel dat het Indonesisch extremisme niet kan worden los gezien van internationaal voorkomende verschijnselen). De berichten uit Java wekken de indruk, dat het gros der bevolking na de beschamende nederlaag der Hollanders, hun terugkeer als machthebbers zomin verwachtte als wenste en daaraan uiting geeft door het tonen van nationalistische vrijheidssymbolen en -betogingen. De extremisten zijn nu zij die op gewelddadige wijze pogen het gemeenschappelijke doel te bereiken. Waarom? Het schijnt dat hiervoor twee oorzaken zijn. Ten eerste de sociaal desorganiserende invloed welke van het Japanse bezetttingsbestuur is uitgegaan, ten tweede de opvoeding in militairistisch-nationalistische geest door de Japanners, waarvoor bij uitstek een deel der jeugd vatbaar is gebleken. Bij de Indonesische extremisten staat blijkbaar niet het beginsel voorop; zij worden niet door een leidende idee tot wat men extremist noemt, maar door de omstandigheden die hen uit hun sociaaleconomische sfeer loswoelden, hen ontwortelden en tot desperado’s maakten. Het Indonesisch extremisme is niet in de eerste plaats een politieke kwestie, maar in zijn ontstaan en wellicht ook in zijn verloop een sociale, economische en culturele aangelegenheid. Het is gevaarlijk bij voorbaat met de gedachte te spelen, dat Nederlanders van alle schakeringen met Sjahrir en misschien zelfs Soekarno, gezamenlijk front kunnen maken tegen de pemoeda’s. Afgezien nog van het feit, dat de rustige nationalisten, op wie generaal Spoor in zijn recente rede doelde, als mensen met een dagelijks handwerk niet gemakkelijk tot vechten te krijgen zijn (dan juist zouden ze immers ook pemoeda’s worden!), bedenke men dat er politiek gesproken tussen pemoeda’s en nationalisten geen tegenstellingen van belang bestaan.

Zo verdwijnt het begrip extremisme voor Indonesië door zijn ongrijpbaarheid en blijft de Nederlandse krantenlezer verbluft achter.

Palestina, ander actueel extremistenland. Ook hier is het woord misleidend, omdat ook hun beginsel hetzelfde is als dat van de gehele bevolking waaruit zij voortkomen. Men kan hen het strijdend gedeelte van de Joodse bevolking van Palestina noemen; hun werk bestaat in het beschermen van Joodse nederzettingen tegen Arabische bedreiging, het illegaal aan land brengen van landverhuizers en in het algemeen in het tegenwerken van het Engelse bestuur, zolang dit ten aanzien van de immigratiebepalingen zich niet richt naar de aanbevelingen der Engels-Amerikaanse commissie. Maar in dit geval zijn het lang geen desperado’s die de wapens grepen. Integendeel, krachtige jongemannen, jarenlang gehard en geoefend in de legers van het Verenigd Koninkrijk, die van de Nijl naar de Brenner oprukten. Mensen, die liever in de landbouw en de industrie zouden werken, maar de wapens hanteren zolang hun volk dat naar hun mening eist.

Door het ondergrondse Joodse leger als extremisten voor te stellen, beging het Engelse bestuur dezelfde fout als de Duitsers tegenover hun terroristen. Het trachtte als nietig en onrepresentatief voor te stellen, wat in werkelijkheid de uitdrukking van de volkswil is. Op de grote razziadag bleek men van mening veranderd; hoge Joodse leiders werden, verdacht van medeplichtigheid aan het in gevaar brengen van orde en veiligheid, gearresteerd Was extremisme dan normaal geworden? De Amerikaanse reactie leerde wel, dat de kleineerpolitiek propagandistisch slecht verantwoord geweest is!

Er is bendewezen zoals er criminaliteit en criminele aanleg bestaan. Er schuilt criminaliteit onder het politieke bendewezen. Maar het is even fout den zwarten handelaar die na Dolle Dinsdag 8.5.-er wordt, een held te noemen als b.v. een jongen Jood wiens familie in Hitler’s gaskamers omkwam een extremist. Het is onjuist naar formele kenmerken z.g. extremisten af te zonderen. De meeste mensen verlangen naar regelmatig werk en huiselijk geluk. Wee een wereld die hele volken, hele volksgroepen tot een geesteshouding drijft, waarin velen aan het geweer de voorkeur geven. De tegenstelling tussen „nationalisten” en „extremisten” is altijd kleiner dan tegenstander en vluchtige beschouwer menen.

V Juli 1946.

A. E. COHEN.

Memento

„Ten gevolge van de gemeenheid en kwaadaardigheid der concentratiekampen van de Nazies, ten gevolge van de oprechte ontzetting, veroorzaakt door de verhalen van de stakkers, die, min of meer gebroken, eruit ontsnapt zijn, bestaat er een wijdverspreide neiging om te beweren, dat de Duitsers bijzonder wreed zijn; dat ze inderdaad een aparte kwaadwillige variëteit vormen van het menselijk geslacht. Oude verhalen van wreedheden worden nu weer opgehaald.

Welnu, dat is nu juist toegeven aan de Nazi-aanmatiging, dat zij een bijzonder

volk zijn. We kunnen nu eenmaal niet van twee wallen eten en indien wij betogen, dat de Germanen niet het zuivere, blonde, uitverkoren volk zijn, dat ze zelf beweren te zijn, maar een kruising van Slavische, Keltische, Gothische en Alpine elementen met slechts een taal als bindmiddel, dan kunnen we niet tevens het denkbeeld koesteren van een specifieke, sadistische trek bij de Germanen.”

Uit H. G. Wells. The outlook for homosapiens, 1946. Vertaald door J. G. B.