is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 37, 14-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WERELD SPREEKT 1 i

HET EINDE VAN DE TIJD ’

Met het woord „intellectuelen” bedoel ik nu en hier, niet de mensen, die een academische graad bezitten of een hoge baan hebben, maar hen, die geestelijk pogen met hun tijd mee te leven en die te verstaan. Welnu, kort voor de oorlog was het een onaantastbaar axioma onder deze intellectuelen in Nederland, dat tot de Europese schrijvers, die je gelezen moest hebben, zeker de Engelsman Aldous Huxley behoorde. Je hoefde het niet met hem eens te zijn, bovenal je hoefde zijn boeken niet mooi te vinden, maar hij hoorde, met enige anderen als Gide, Kaf ka, Joyce tot de meest omstreden, maar erkende meesters van het Europese denken.

Ijit het, door de oorlog geschapen isolement verlost, gaat men vragen: heeft Huxley ons nog iets te zeggen en handhaaft hij zich naast de nieuvre meesters van de tijd: de Franse existentialisten? Voor me ligt zijn boek uit 1945 „Time must have a stop” („er moet een einde aan de tijd komen’), titel ontleend aan een drama van speare Hendrik IV, waar de stervende Hotspur zegt: „maar het denken is de slaaf van het leven en het leven de nar van de tijd; en de tijd, die het heelal overschouwt, moet zelf ooit ten einde komen.”

De romans van Aldous Huxley, ook deze roman, ontroeren zelden; ze missen de edelmoedigheid van de gulle ontroering. Het zijn boeken van een super-intellectueel, die alles gelezen heeft, wat Europa en Azië hem voorgezet hebben, een man van verfijnde cultuur, uit een voornaam Engels milieu. Zijn scherpzinnige, wat cynische zielkunde ontmaskert graag alle schijnbaar-zuivere gevoelens en verwijlt iets te gaarne bij decadente zielen en zedeloze situaties. Door al zijn boeken waait het herfstbesef, te leven in een rotte wereld waarin een kille wind de bomen ontluisterd heeft en niets meer groeien wil. De men.s zoekt rillend naar een veilig tehuis, maar ontdekt, dat zijn woning bouwvallig is en vermolmd. De meeste personen in zijn boeken zijn rijke aristocratische geesten, die eerder standpunten vertegenwoordigen dan warm-hartstochtelijk leven. Hun samenspraken en overpeinzingen weerspiegelen op meesterlijke wijze het verward-spelend orkest van het moderne geestesleven. „Brillant en boeiend, zelden ontroerend of meeslepend”, ziedaar hoe ik persoonlijk zijn grote romans zou willen typeren. Maar afgezien van hun vaak bewonderenswaardige constructie, fraaie typeringen, meesterlijke dialogen is er één eigenschap, die samenwerkend met hun flonkerende scherpzinnigheid toch deze boeken belangrijk maakt

') NEtar aanleiding van Aldous Huxley, Time must have. a stop (Londen 1945) en prof. dr. G. v. d. Leeuw, Onsterfelijkheid of opstanding, 4e druk. Van Gorcum, Assen 1947, 52 blz., prijs?

en dat is de onverbiddelijke eerlijkheid. Dit geldt ook voor: „Time must have a stop”. Het verhaal beschrijft een jeugdeplsode in Londen en Florence 1929. Een jonge dichter wordt zich bewust van zijn scheppend vermogen èn van zijn aanleg tot laaghartigheid. Het conflict tussen schoonheid en goedheid in een mensenziel wordt openbaar. Spiegelingen van dit conflict aanschouwen we in de vader, een geborneerd maar idealistisch politicus, in zijn oom, een gulle, ruim-levende maar zedeloze Epicurist; in de gezelschapsdame van zijn tante, de koelberekenende, maar wellustige mrs. Thamble. De epiloog speelt in 1944. De jonge dichter is oorlogsinvalide en peinst over zijn leven na. Hij heeft zichzelf leren kennen, omdat hij tweemaal de dood ontmoet heeft: die van zijn oom, die van een edele zonderling, een levenswijs man, die hij in zijn jeugd verraden, als volwassene verzorgd en gekoesterd heeft. Nu weet hij, hoe te leven: d.i. te leven vanuit de doodsgedachte.

De dood spookt door het denken van de moderne mens. Is het u opgevallen, dat de filmindustrie deze obsessie al geregistreerd

heeft en in bedwelmende wensdroom voorgezet? „De doden leven”. „We ontkennen lachend de dood”. Eigenlijk is dit toch het thema van de onnozele filmverhaaltjes, die ten grondslag liggen aan films van zo’n verscheiden kwaliteit als: „Here comes mr. Jordan”, „Blithe Spirit”, „The house halfway”, „A matter of life and death”. En op een hoger plan cirkelt de existentiefilosofie, zowel de Christelijke als de heidense, om hetzelfde vraagstuk.

In de roman van Aldous Huxley is het waagstuk verricht om, nu niet in naïeve filmbeelden, maar in psychologisch-verantwoorde taalvorm de toestand te beschrijven van een gestorvene. We lezen er wat de gestorven oom yoelt én denkt, ja zelfs beleven we, nu van de overzijde van het graf, hoe de van het lichaam gescheiden ziel, aangeklampt door een medium, antwoord geeft en verkeerd verstaan wordt door de deelnemers aan een spiritistische séance. Deze hoofdstukken zijn noch grappig, noch kinderlijk-naïef. Men moet er slechts aan kunnen geloven. Een roman, wijl een verzonnen verhaal, kan geen feitelijkheid bewijzen.

„Men moet er slechts aan kunnen geloven!” Het boekje van Van der Leeuw heeft'geprobeerd nadrukkelijk te omschrijven, wat de Bijbel hierover leert. Ik weet dat deze kleine, te kleine, studie in kringen van theologen grote opgang heeft gemaakt.

Zoals een man binnen zijn kamerwanden zich opsluit en bij ’t werk de tijd vergeet.

en of het dag of nacht is zelfs niet weet.

wijl hij al wat zijfi arbeid stoort verbande.

maar eindlijk als de lamp ophoudt te branden in ’t donker tastend naar het venster treedt

hij ziet een lichtstreep door een smalle reet

en stralend stroomt de dag over de landen...

zo werken wij bij ’t licht van onze lamp, die wij onwetenden als daglicht loven.

totdat een machtige hand haar uit komt doven.

Wij denken aan de dood als aan een ramp,

die ons van wat ons licht schijnt zal beroven.

wij dwazen, die aan ’t zonlicht niet geloven.

\ MARTHm A. MUUSSES

Uit: De wijkende Einder. Stockholm 1946.