is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 60, 29-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ditmaal allerhande

Ik wil van een paar gebeurtenissen vertellen die mij troffen in de laatste tijd.

Bidden of duimen?

Een dezer dagen zag ik „Limelight”. Het verhaal is wel zeer melodramatisch maar in de grond heeft niemand daar écht bezwaar tegen. En Chapiin geeft een paar clown-nummers weg, die men zijn leven lang niet vergeet.

In het verhaal speelt een jong danseresje een belangrijke rol. Zij is door Chaplin, de verlopen clown spelend, er toe gebracht, na een periode van crisis in haar leven, tóch weer te gaan dansen. Op het ogenblik, dat zij zal optreden, staat Chaplin naast haar. In haar vrees zegt zij: „Will you pray for me?” Bidt voor mij. Maar de Hollandse tekst vertaalt: „Wil je voor mij duimen?” Ik vraag mij af: is dit nu christelijk Nederland? Een van tweeën: de vertaler was benauwd zelf geen christen zijnde dat hij met de vraag om te bidden voor het welslagen van een balletdanseres, tere zielen van puriteinen kwetste. Of de verzorger van de Nederlandse tekst was wél een christen en sloot zich aan bij het grondigfoute oordeel, dat ballet en geloof zó met elkaar vloeken, dat een jonge vrouw, die vlak voor haar optreden staat, met dat „bidden” in feite niet anders dan „duimen” bedoeld kan hebben.

Ik. gok op het eerste. Ik merk vaker, dat buitenkerkelijken gauw onder de indruk komen van de steilsten onder de christenen. Zij menen dat zij de verdraagzaamheid betrachten door deze steilen te ontzien. Zij hebben ongelijk. Integendeel: door de suggestie te handhaven, alsof een dergelijke „zindelijkheid” eerbied voor het christendom inhoudt, wordt het christelijk geloof-zelf, dat óók voor zenuwachtige balletdanseresjes geldt, teruggedrongen.

Ofschoon veel bidden op duimen lijkt, mag men bidden géén duimen noemen.

Sinterklaas is in het land

In het voorprogramma van de bioscoopvoorstelling heb ik de intocht van Sint Nicolaas gezien in Rotterdam. De burgemeester van de grootste continentale havenstad stond op het bordes, met ambtsketen en al. Hij drukte de goede Sint een hand.

Ik heb bovendien de intocht gezien van Sint Nicolaas in Amsterdam. Door het televisie-raam. De klokken van de (r.k.) St Nicolaaskerk beierden terwiji de grijze Doorluchtigheid van zijn schip „Spanje” aan wal stapte. Een uitstekend fanfarecorps van vernikkerde lieden speelden de verzen en de burgemeester van Cardiff was zelf gekomen om te zien of er veel verschil is tussen Sint Nicolaas en het Kerstmannetj e. Ten slotte heb ik op diezelfde middag in levenden lijve Sint Nicolaas gezien, zijn intocht houdende in de nabij liggende buurt. Drie muziekgezelschappen, prachtige pakjes, de Hoge Gast-zelf op een fraai paard. Juichende kinderen.

Men zegt, dat in Amsterdam een half millioen mensen de intocht van.de Sint gezien hebben. Hier in Den Haag waren het vele duizenden.

Is dit Sinterklaas-gedoe niet erg ndar? Het lijkt wel of de mensen des te meer behoefte krijgen om aan iets geks te geloven, naarmate ze aan Een die wijs is, minder kunnen belijden.

Het Sinterklaasfeest onzer jeugd was gezellig. Zonder veel pretentie, met aardige surprises. Tegenwoordig maken zakenlui gebruik van de behoefte der grote menigte aan een illusie, die men niet in ernst hoeft te nemen. Of zou het zijn, dat dit moderne Sinterklaasfeest een wraak is op de ontbinding van onze volksgemeenschap, die geen feesten meer kan vieren buiten de hokjes om en dan nog met een principe of een zware gebeurtenis op de achtergrond. Hoe het zij: al maken wij het verschijnsel begrijpelijk, het is daardoor nog niet aanvaardbaar geworden.

Laten wij ons best doen het gezinsfeest niet in de massalisering en de commercialisering onder te laten gaan.

De Kerk in de Kamer

Er is weinig, te weinig aandacht besteed aan het feit, dat Vorrink bij de behandeling van de begroting van de minister van Oorlog uitvoerig gesproken heeft over het Herderlijk Schrijven van de Generale Synode der N. Herv. Kerk over Oorlog in Vrede. Dit Herderlijk schrijven is uiterst aarzelend in zijn aanvaarding van oorlog als verdedigingsmiddel en laat geen enkele illusie over de gevolgen ervan. Het breekt met de mening ook en juist in kerkelijke kring gevoed dat de Overheid in het bijzonder gekwalificeerd zou zijn om „te wapen” te roepen. Vorrink citeerde uitvoerig dit Herderlijk Schrijven en verklaarde dat dit woord op hem schoon niet tot enige kerk behorend grote indruk had gemaakt en als vermaning voor allen mocht gelden.

De c.h. heer Tilanus kwam daar in zijn rede op terug. Hij schetste, hoe van 1919 tot 1933 de sociaal-, vrijzinnig-, en christendemocraten zich tegen bewapening gekeerd hadden en men steeds maar weer van die kant wilde bezuinigen op het militaire apparaat. „U begrijpt, mijnheer de voorzitter”, aldus gaat de heer Tilanus verder, „dat ik dan wel met grote instemming een betoog beluisterde als gistermiddag door de geachte afgevaardigde de heer Vorrink werd gehouden”. De communist Haken interrumpeert: „Dat is dus een vooruitgang.” De heer Tilanus gaat verder: „Inderdaad. Ik vond het alleszins begrijpelijk, dat de uitspraak van de Synode der N. Herv. Kerk, zoais de heer Vorrink die uitspraak in het begin van zijn rede uitvoerig citeerde en waarnaar ik met sympathie geluisterd heb, ook hem toesprak en zijn gedachten- en gevoelsleven beroerde.”

Ziehier dus, hoe een synodale uitspraak in de Tweede Kamer functionneerde.

Men mag blij zijn, dat een ernstig woord van een kerk in het parlement aan de orde kwam. Maar dan moet het toch anders functionneren, dan het hier deed. De heer Tilanus heeft het woord van Vorrink gehoord als een bewijs van een verandering sinds 1933. Ik meen intussen, dat de houding van hen, die vóór 1933 de ontwapening bepleitten zeker minstens evenzeer, zo niet méér rekening hield met de gedachten, die thans door de Hervormde synode worden uitgedrukt. In dèit verband moet men synodale uitspraken niet laten klinken. Daardoor wordt het element van critiek, dat er op het militarisme ligt, verdoezeld. In het pleidooi van Vorrink om de culturele en sociale zorg vooral niet achter te stellen bij de wapenvoorziening, lag méér innerlijke aansluiting bij het synodaal rapport dan in de woorden van de heer Tilanus, hoe goed bedoeld deze ook zeker waren.

L. H. R.

TER ZAKE

Vandaag enig nieuws van het front: „Het socialisme is op zijn retour; dat hebben de verkiezingscijfers te zien gegeven. Het liberalisme daarentegen breidt zich uit”, zei prof. mr P. J. Oud (N.R.C. 22 XI)

„Er is reden tot gematigd optimisme Tot nu toe heeft de rode socialistische minister van Financiën het altijd gewonnen. Voor het eerst heeft nu een andere politiek gezegevierd: de politiek van het gezond verstaald en het midden (de schrijver zinspeelt op het amendemént-Lucas, betreffende de dividendstop. K. K.)” Uit een hoofdartikel van „De Haagse Post” (22-IX), getekend H. (Hïltermann) en als titel voerend: „Eerste bres in het afroomfront”.

Ik laat zulke teksten graag op me in werken en vermei me in de diepzinnige gedachte van de professor, die heel anders rekent dan geivone mensen. En zie: de heer H. heeft nog niets van zijn profetische gaven verloren, sedert hij Elsevier voor de Haagse Post verruilde. En hoe helder schrijft hij! „rode minister” niet duidelijk genoeg, nee: „rode socialistische minister”. Nu weet zelfs iedere lezer van de rosé Haagse Post wie bedoeld is.

Hier is nog een mooi citaat over huisbezitters; dat zijn „burgers, die zich in het verleden verdienstelijk hebben gemaakt

jegens de gemeenschap door hun spaarpenningen om te zetten in woongelegenheid voor hun medeburgers.” (Justus Meyer in de H.P. 22 XI blz. 22). Jammer, dat deze welhaast klassieke definitie de niet geringere verdienste der huiseigenaren in het heden over het hoofd ziet, die m.i. hierin bestaat, dat zij zich jegens de gemeenschap verdienstelijk maken door het innen van huurpenningen. Zullen we voor deze dienaren der gemeenschap geen aparte ridderorde instellen, bijv. de orde der miskende huisbazen?

Maar de kroon spant het „nationaal weekblad „Burgerrecht”, dat kans ziet twaalf bladzijden te wijden aan het welvaartsplan van het N.V.V. zonder één ernstig argument te gebruiken tenzij dat het welvaartsplan zo dik is. Wie meent dat ik te kwaadaardig ben, overwege deze zinsnede: „Door de internationalisering van het economische leven als realiseerbaar voor te stellen, wekken zij (het N.V.V.) bij ons volk de gedachte, dat nationale inspanning niet meer nodig is.”

Behalve kwaadaardige insinuaties hanteren deze schrijvers een merkwaardige methode van weerlegging, die zoal geen navolging, dan toch aandacht verdient. Men citeert een regel en plaatst dan uitroeptekens. U begrijpt de bedoeling? Verondersteld wordt, dat de aangehaalde regel zo stom is, dat weerlegging overbodig is voor de intelligente lezer. Zo lees ik op

(Vervolg op pag. 8)