is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 62, 13-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nogmaals: Radicalisme

1

Vorige week heeft ds Buskes uitvoerig en nogal scherp afgerekend met een stukje uit mijn onvolledig dagboek, waarover hij verwonderd en teleurgesteld was. Dat spijt me, want ik heb grote achting voor hem (niet gemakkelijk zal ik bijv. de Zondagavonddienst in de Grote Kerk te Zwolle in de bezettingstijd vergeten, waar hij Bijbels, moedig en radicaal na de dienst op tal van vragen inging) en daarom kom ik nog eens op de zaak terug.

M’n eerste reactie was: ds Buskes heeft mijn stukje te haastig gelezen. Niet dat dat zo erg is, want geweldig belangrijke dingen staan er stellig niet in! ’t Is alleen jammer, want wie haastig leest, leest zelden nauwkeurig. Ik heb dit gedacht, omdat ds Buskes mij aanvalt op dingen, die ik per se niet gezegd heb.

Zo zegt hij 0.a.: „Hij (dat ben ik. J. H.) staat sceptisch tegenover mijn verwijt van gebrek aan radicalisme. Dat is volgens hem enkel een afreageren van een geval van onbehagen en hij meent, dat, als men zelf niet komt met duidelijke, doorzichtige, radicale oplossingen, de roep om radicalisme steriel en verwarrend is”.

In het gewraakte stukje uit het onvolledig dagboek had ik o.a. opgemerkt, dat zeer velen hetzelfde verwijt, dat ds Buskes richt tot de Christelijk Sociale conferentie gebrek aan radicalisme ook tot de P. v. d. A. richten.

En dan volgde er even verder: „Soms sta ik namelijk sceptisch tegenover het verwijt van een gebrek aan radicalisme, omdat ik in dat verwijt een afreageren voel van een gevoel van onbehagen. Een onbehagen, dat zijn grond vindt in. de moeilijke, ondoorzichtige situatie, waarin we leven en die ons de weg naar klare, eenvoudige, radicale oplossingen afsnijdt.”

Ook nu ik het nog eens overlees, lijkt het mij toch duidelijk genoeg, dat ik hier niet zoals de weergave van ds Buskes suggereert een oordeel vel over de motieven en de achtergronden van zijn roep om radicalisme. Ds Buskes trekt de zaak hier in een persoonlijk vlak, zonder grond. Ik wil ook wel graag verklaren, dat ik in deze passage hem niet op het oog had. Daarvoor ben ik te overtuigd van de echte bewogenheid, die ds Buskes drijft in zijn uitingen.

Niet alleen ds Buskes is verwonderd geweest. Ik zelf ook! Namelijk, toen ik in zijn artikel de volgende zin las:

„Worden leden van de P. v. d. A. nu al onrustig, wanneer men van een socialistische beweging een fundamentele critiek op de structuur van onze maatschappij verwacht!”

Niet alleen had ik niet gezegd, dat ik van deze roep tot radicalisme onrustig werd, maar dat woord kwam in mijn stukje zelfs niet voor!

Mijn vraag was niet: „Ds Buskes, houdt alstublieft op met dat aandringen op radicalisme!”, maar alleen: „Bewijs ons een dienst en preciseer, wat u bedoelt!” Die vraag was oprecht en ernstig gemeend. Want die vraag komt tot ons, vooral van de jongeren. Op een cursus in Bentveld ben ik pas nog weer diep onder de indruk gekomen van die vraag. Men hunkert naar een duidelijke visie, men wil klaar de weg voor zich zien. De weg, waarvoor het de moeite waard is offers te brengen. En daarbij

vraagt men van ons om onverbiddelijk eerlijk te zijn, geen stenen voor brood te verkopen, hen niet met leuzen en gewichtigklinkende woorden te misleiden, niet meer te zeggen, dan wij met een zuiver geweten kunnen verantwoorden.

Ik meen, dat dit een brandend probleem is. Stellig geen gemakkelijk probleem, maar wel een, waaraan het socialisme niet voorbij kan gaan. Tenzij het zelfmoord wil plegen. Ik meende ook, dat het juist „Tijd en Taak” is, waarin dit soort problemen onverbloemd aan de orde kunnen worden gesteld.

Daarom wil ik ook wel ronduit zeggen, dat het slot van het artikel van ds Buskes, waarin hij de hoop uitspreekt, dat ik mijn „onvolledig dagboek” voorlopig als particulier bezit zal beschouwen en er niet toe over zal gaan het te publiceren, omdat het waarlijk geen propagandalectuur voor het socialisme zou zijn, mij heeft gegriefd. Is „propaganda” of is „eerlijkheid” (ook in het erkennen van eigen zoeken en tasten) onze maatstaf voor publicatie? Op deze wijze wordt het een vrij hachelijke onderneming om op de zakelijke vragen en argumenten in te gaan. Toch wil ik het proberen, al was het alleen maar om mijn vraagstelling te verduidelijken.

Ds Buskes vat zijn critiek op het kapitalisme in drie punten samen.

In de eerste plaats: het kapitalisme is kaïnsachtig, gekenmerkt als het is door het ieder-voor-zich en het alles beheersende winstmotief. In dit verband spreekt hij ook over het individuele winstmotief en de meedogenloze concurrentiestrijd. In de tweede plaats: het kapitalisme is Mammonistisch, daar het alles waardeert naar de

maatstaf van het geld en de arbeider taxeert naar wat hij economisch waard is.

Als ik ds Buskes goed begrijp, bedoelt hij met zijn eis tot radicalisme, dat wij niet met minder mogen volstaan dan met een structuur-verandering in de maatschappij, die dit kapitalisme radicaal en definitief opruimt.

Hier ligt de moeilijkheid echter niet, waar ik op doelde. Laat ik het zo mogen zeggen: ds Buskes noemt hier het kapitalisme, tekent daarvan een ontstellend beeld en roept ons nu op om radicaal dit beeld te bestrijden.

Maar de jongeren, over wie ik sprak, herkennen veelal in dit beeld hun eigen situatie niet. En: zij willen weten, wat wij hun in plaats van de huidige situatie en de huidige verhoudingen aan willen bieden.

Twee illustraties. De eerste: als in een groot bedrijf bij een bepaalde gelegenheid de voorzitter van een fabriekscommissie een doorgewinterd socialistisch vakverenigingsman in volle oprechtheid de bedrijfsleiding dankt voor de spontane medewerking en voor de zorg, die aan de mens in het bedrijf geschonken wordt, is dan in zo’n situatie nog het beeld te herkennen, dat ds Buskes tekent?

Het tweede: er is een tijd geweest, dat een begrip als „socialisatie” een magische klank had, omdat men daarin het middel meende te zien voor de radicale structuurverandering, die ds Buskes wenst. Durven wij nog zó overtuigd en zo vastberaden deze weg wijzen? Als dat niet het geval is, welke andere radicale weg kunnen wij dan wijzen? Ik hoop een volgende keer nog een aantal dingen te noemen.

Om een nieuw misverstand te voorkomen : ik wil met dit alles niet een onvruchtbaar relativisme propageren. Ik vraag alleen, dat wij ook ds Buskes deze vragen niet uit de weg gaan. Dat ik ze hem heb gesteld, vindt ook zijn oorzaak in het feit, dat hij wat levenservaring én politieke ervaring betreft verreweg mijn meerdere is. J- H.

MENS EN MEDEMENS

Een critisch lezer vraagt mij, wat het verhaal van Jezus en de overspelige vrouw met de problemen van „mens en medemens” te maken heeft.

Ik dacht: alles. Wij kunnen voor de mens die voor ons staat of het kind dat voor ons staat! —en schuld heeft, niet doen wat Christus deed voor de overspelige vrouw. Maar wij kunnen wel iets beters doen dan de Farizeërs en schriftgeleerden, die alleen maar denken aan veroordelen en straffen. En ook iets beters, dan zwijgen in het beschaamde besef dat het ons niet toekomt de eerste steen te werpen. Daar helpt men namelijk als het er op aankomt, de schuldige in het geheel niet mee.

Ik zou willen zeggen: het is een richtlijn voor buitenstaanders, maar niet voor degene wie de zaak zeer direct aangaat.

Er zijn in het menselijk verkeer zulke momenten dat men voelt: nu gadt het er om. Men weet dat maar al te goed achterna, als men de kans verzuimd heeft. Zulke kansen worden niet verzuimd uit nonchalance of uit onnozelheid, maar eerder uit krampachtigheid; men voelt het gewicht van het ogenblik en de zwaarte van de eigen verantwoordelijkheid zó sterk, dat men... niets meer doen kan. Of men doet

hetzelfde wat men al honderd maal gedaan heeft en waarvan men wéét dat het geen effect zal hebben.

In zulke momenten zou men het moeten aandurven om zich zelf los te laten afstand te doen en niet meer degene te zijn van wiens woord of gebaar nu alles afhangt. Men zou stilletjes ter zijde moeten treden en plaats maken. Dat is dacht ik de betekenis, in de verhouding van de ene mens met de andere, van dat Christuswoord „Ook Ik veroordeel u niet”.

Dat woord kan bevrijden, ook wanneer het slechts een (ev. onuitgesproken) woord tussen mensen is, niet omdat het zo bescheiden is of zo verdraagzaam of zo humaan, maar omdat het tussen schuldige en beoordelaar een gemeenschap schept van „twee of drie te zamen in Zijnen naam”; daar is Hij „in hun midden”, die ook tot de overspelige vrouw Zijn woord gesproken heeft, en daar kan Hij een nieuw begin geven.

Op die manier dacht ik dat er een zeer direct verband was tussen de intens menselijke verhoudingen en wat Jezus doet aan de overspelige vrouw.

M. H. VAN DER ZEYD