is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 13, 02-04-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap-zijn in Christus, wat deze Engelse kerkliederen zo boeiend maakt!

In een verzuilende samenleving zal langzaam maar zeker het lied, dat alléén geboren wordt in de vreugde om verbondenheid en gemeenschap, verstommen. En er gaat een vreemde stilte vallen. Teert ook de socialistische gemeenschapsbeleving eigenlijk niet grotendeels op de liederen van het

verleden? Juist daar, waar iets wordt beleefd van werkelijke gemeenschap wordt ineens, als een wonder, het lied geboren. Dat kan gebeuren op een goed congres, of tijdens een geslaagde conferentie, of in een jongerenkamp. Goddank ook in godsdienstige samenkomsten, waar ineens het lied zó kan klinken, dat het terugwijst naar de diepste verbondenheid van mensen, die hun waarachtige samen-zijn opnieuw hebben ontdekt. Misschien, dat de gereformeerde predikant Okke Jager de slagader van de oecumene aanwijst, wanneer hij zegt, dat er een nieuwe dogmatiek geschreven moet worden voor de Kerk van Christus, die tot titel zal hebben: Kun je nog zingen, zing dan mee I Het is niet toevallig, dat de sterkste stuwkracht van de oecumene ineens leeft bij het gezamenlijk zingen, een gezamenlijk gebeden Onze Vader.

Dat een kerk, die het blijde apostolaat als eerste opgave her-ondenkt, tezelfdertijd het lied her-vindt! In een kerkelijk opgesplltst Nederland zouden we eerst maar eens moeten proberen, om samen te zingen. Als dat gaat, zou er dan niet veel meer gaan groeien? Ik vraag me wel eens af, waarom bijv. het IKOR het niet eens probeert met een uitzending uit een 4-tal oecumenische groepen: vrijzinnigen en rechtzinnigen, hervormden en remonstranten, doopsgezinde en lutheranen. Wat mij betreft uit Sittard en uit Sneek, uit Goes en Groningen. De Vara heeft wel eens geëxperimenteerd met massa-samenzang door mensen in Amsterdam, Brussel, Londen, Kopenhagen. Werd daarin niet een wonderlijke verbondenheid openbaar? Zou ook een Verenigd Europa niet zingend geboren moeten worden? Met praten en conferenties alleen zijn we nog niet zo heel veel opgeschoten... Goethe dichtte:

Stervende Jezus (fragment) Rogier v.d. Weiden (1400-1464)

Wo man singt, da lasz’ dich ruhig nieder, Böse Menschen haben keine Lieder.

Het nieuwe testament zegt het nog wat anders, veel duidelijker. Daar, waar verteld wordt, hoe Paulus en Silas uit hun gevangenschap worden bevrijd door het lied tot eer van God, dat hun de verbondenheid met de medemensen hergeeft. (Handelingen 16 : 25 en 26) Dat lied, dat bevrijdt, maakt zelfs de gevangenbewaarder jaloers, zodat hij vraagt, wat hij moet doen, om behouden te worden... Door het lied „gaan alle deuren open en raken de ketenen van allen los”.

In onze tijd, waarin het lied verstomt, is tevens kenmerkend de crisis in al de vormen van gemeenschapsbeleving. In Sartres „Huis dos” klinkt geen lied, evenmin als in de herberg van het misverstand (Le Mal entendu) van Camus. In het eenzaam avontuur van de mens (in zijn „25ste uur”-) is zelfs voor solozang geen plaats meer. De revolutie der eenzamen voltrekt zich in een benauwende stilte, even adembenemend als bij een film, waarbij ineens het geluid wegvalt. ..

Wat is het oneindig véél, om te mogen geloven in Christus en diepste gemeenschap van Mens tot mens en van mens tot mens zingend te beleven. Wat is het oneindig veel, om de diepste gemeenschap en verbondenheid in het socialisme zingend te belijden. Maar God, doe ons méér zingen, geef ons meer de ruimte van Uw lied, dat wervend en sterk ons maakt tot Uw zingende gevangenen... W. SANGERS

HEILIG AVONDMAAL

Zij aten allen het gezegend brood,

Dronken ontroerd den zwaarhewaasden beker.

Hun 00gen weenden en hun hart sloeg weeker En stroomde vol van ’s Heeren bittren dood.

Zij zagen zijn gestrekten stillen nood En ieder voelde zich ontzet, maar zeker.

Zijn moordenaar, en als een strenge wreker Zijn blind gezicht met de oogen glazig groot.

En bonzend vielen op de bange borst

De vuisten: Heer, ’k ben schuldig! ik belijd ’t! Ik reet uw zijde op met mijn felle zonden:

Maar levend in hun midden stond hun Vorst.

En hun verweende scheemrende oogen konden Den glans niet dragen van zijn heerlijkheid.

WILLEM DE MÉRODE

uit: „Het kostbaar bloed.”