is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 1, 07-01-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat ons progressief zijn

Natuurlijk, woorden zijn moeilijk. Ze slijten bovendien. Als ze vaak door de rotatie-persen rollen en op ieders lippen zijn, herkent men amper meer hun oorspronkelijke beeltenis. Zo gaat dat nu eenmaal. Ook met het woord progressief!

Maar laten wij eraan vasthouden. Al drukt men er geen program mee uit en al zegt het niets over de vormen van de maatschappij van morgen.

Met het woord progressief wordt het besef uitgedrukt, dat mens en maatschappij in beweging zijn. En dat men die bewegingen moet waarnemen, op zich in moet laten werken, zijn houding ertegenover moet bepalen. En bovendien: de progressieve mens zal niet beginnen met dat nieuwe gek te vinden. AI kan hij er zeer zeker wel waakzaam tegenover staan. De progressivist is niet zo gauw bang voor de toekomst.

Men kan het aan het spraakgebruik horen, of iemand tot de progressieven behoort. In menig kerkelijke kring hoor ik vaak het woord „ik ben zo bang, dat...”, en dat is dan een man, die bezig is allerlei* spookbeelden van ontwikkelingen voor de geest te halen, die hem doen huiveren. Aan een zo’n woord hoor ik dan, dat daar een conservatief mens staat. Zo ook, wanneer in de redenering een groot brok historie

wordt behandeld. Hoe meer historie, hoe minder progressief. Wie progressief is, weet dat allerlei dingen veranderen en dat het verleden wegzinkt, niet meer functioneert. Hij weet, dat dit langzaam gaat en hij zal daar een gevoel van weemoed niet bij kunnen onderdrukken. Vooral, wanneer hij romantisch van aanleg is.

Maar romantiek duidt meestal op conservatisme en de progressieve mens is, krachtens zijn aard, meestal niet erg romantisch.

Progressief-zijn betekent intussen niet de historie vergeten. Maar hij staat er nuchter tegenover. Hij gelooft niet aan de goede oude tijd. Hij weet, dat de overgeleverde stukken uit het verleden literatuur, beeldende kunst veelal betrekking hadden op een kleine bovenlaag van de maatschappij. Maar het gewone volk, analfabeten, werkte, bestond, zonder veel contact met de cultuur. Pas in de 19e eeuw wordt dit volk ook in de literatuur ont.dekt. En in de 20e eeuw wordt dit volk in de cultuur opgenomen. Conservatieven wenen daarover. Zij spreken van vervlakking, progressie ven wijzen op verbreding. Men kan op vele gebieden aanwijzen, hoe de progessieve mens de stuwende kracht is. Ik denk aan het onderwijs. Wie zijn het.

die met passie nieuwe vormen zoeken? Onder het wenkbrauwfronsen van de conservatieven gaan zij hun gang. Men kan het zien bij het zoeken naar nieuwe maatschappelijke vormen. Maar ook bij de woningbouw, bij de kerkbouw, bij muziek- en schilderkunst. Zeker, daar gebeuren wel eens rare dingen bij. En misschien zal een later geslacht glimlachen om zoveel grilligheid. Maar de conservatief laat niet af te waarschuwen. Hij loopt met wrevel door de nieuwe wijken en hij komt pas tot rust bij Beethoven en Chopin.

De progressief loopt echter ook gevaren. Dat moeten wij niet verdoezelen. Hij kan uit gemakzucht de zaken op hun beloop laten, een mystiek vertrouwen koesterend in de oppermachtigheid van de gang der dingen. Wanneer hij normloos gaat leven, komt hij in de sfeer van alles-mag en alles-kan. Dan is een schijn-progressiviteit, die camouflage is van wezenlijke ongeïnteresseerdheid. De progressief weet, dat men zijn kinderen niet moet slaan en dreigen; dat men zijn kinderen vrijheid geven. Maar wie alleen maar niet straft en niet dreigt en alleen maar de kinderen hun gang laat gaan, is niet progressief. Hij is lui.

Daarom moet men toezien, dat de progressiviteit gebonden wordt aan verantwoordelijkheid. Alleen maar door grote aandacht te hebben voor de materie, waarmee wij omgaan, voor de mensen, die ons omringen, voor de wereld, waarin wij leven, is progressiviteit waardevol. Dat is ook duidelijk. Men wil immers de krachten, die in de dingen schuilen, waarnemen, gebruiken, doen ontluiken. Dat vraagt voortdurende aandacht en verantwoordelijkheid.

Men moet bovendien toezien, dat men geen slaaf van die krachten wordt. Het verleden mag men niet heilig verklaren. Maar de dynamische krachten in mens en maatschappij zijn evenmin heilig. Ze kunnen goed zijn. Maar ze kunnen ook kwaad zijn. De progressieve zal steeds bij zijn oordelen, met het gezicht naar de toekomst, een keuze moeten doen. En de keuze die hij doet, hangt samen met zijn geloof. Met zijn normen, die uit dit geloof voortvloeien.

Ik meende, dat het goed is, deze dingen aan het begin van 1956 te zeggen. Wij gaan een jaar tegemoet, waarin dat woord progressief een rol zal spelen. De democratische socialisten, verenigd in de PvdA, willen progressief zijn. Daarmee irriteren zij de rechterzijde. Ik begrijp dat. Daar wil men conservatisme en progressiviteit overwinnen, door beide onder eeuwige beginselen te stellen. Wij weten, dat reeds het noemen van eeuwige beginselen een conservatieve bezigheid is, omdat deze beginselen onherroepelijk uit het verleden gepuurd worden en ontleend worden aan vormen van vroeger. Daarom gaat dat spel niet op, om conservatief en progressief in een (hoge) hoed te doen.

Wij willen progressief zijn. Dat hangt met ons geloof samen, dat immers weet heeft van het bewegen der dingen in de richting van het Koninkrijk Gods. Dat hangt samen óók met ons zien van de veranderingen in de samenleving; onherroepelijke veranderingen, die wij echter niet als een tirannie ondergaan, maar kritisch.

Laat ons progressief zijn. En laat ons weten, dat dit samenhangt met het bewegen Gods. L. H. R.

Nieuw j aarsnacht

In ’t manewater zijn van winterdorpen de bomen wier, de huizen blauwe rots en elke toren-eens apostel Godsstaat scherp-getand in uitgeleefde trots als zaagvis rechtop in een wak geworpen.

Er is vannacht toen ’t nieuwe jaar ging luiden, een jongling die zich dood reed, opgehaald – is hij vergeefs dit leven door gedwaald? Uit lage ramen van zijn kosthuis straalt de feestverlichting van de dwaze bruiden.

In ’t manewater blij-verbaasd gedompeld zongen de middeleeuwers Kyrie eleis, maar eeuwen vriezen dicht tot nacht en ijs, blindlings begint en breekt voor elk de reis. Ook deze nacht. Of hij nu vliegt of strompelt.

De datum is bekend. Dus: heü en zegen! Nu slaapt de buurtschap, die elkaar verguist, terwijl de dood zijn akkerland doorkruist. Blaat weer een wiegekind? De rede pluist, maar ’t manewater houdt het al verzwegen.

Er is vannacht een jongeman verdronken. – Die ene maar ? Och kom, nog heel veel meer. Een schip verging, een vliegtuig stortte neer, maar wat gelukkig is, men heeft ook weer een nieuwe tijdmaat met een groc beklonken.

Alwéér een jaar.-Wordt het onnodig later? -o,ik-énik-ik heb het overleefd! Wie naar het paradijs nog heimwee heeft, weet dat een ongehoord mysterie zweeft in ’t manewater-in het manewater.

JAN VAN DE WOLK