is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 7, 18-02-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Burgerrecht waarschuwt

Het lezen van het uiterst rechtse weekblad ‘Burgerrecht’ is een droeve zaak. Misschien zou men er het beste aan doen dit blad ongelezen te laten. In ieder geval is het doorgaans beter de inhoud onbesproken te laten; de wijze, waarop kritiek geleverd wordt op schier alles, waarop maar kritiek te leveren is, nodigt niet tot een aangename discussie. Integendeel!

Toch ditmaal een uitzondering. Een uitzondering voor het IKOR, waarover Burgerrecht al bij herhaling de staf gebroken heeft en welke omroepvereniging thans weer door de redactie wordt aangevallen op een manier, die o.i. protesten oproept. Het is bovendien goed, dat dit stukje van dr. Zeegers (zo men weet is dr. Zeegers lid van de Antirevolutionaire Partij) ook in bredere dan in Burgerrecht-kringen bekendheid krijgt. Want wij geloven toch wel, dat men binnen de confessionele partijen en in de kringen van hen, die voorstanders zijn van wat wij ‘verzuilde’ organisatie noemen, het niet algemeen eens zal zijn met dit geschrijf. Zelfs de trouwste NCRVvrienden zullen, dunkt ons, toch wel bezwaren moeten hebben tegen het (hoofdredactionele) artikeltje, dat we maar in z’n geheel overnemen.

Dr. Zeegers schrijft: ‘De lezer zal zich herinneren, dat wij enkele malen gewaarschuwd hebben tegen het IKOR. Deze organisatie doet zich zeer onschuldig voor. Haar naam betekent Interkerkelijk Overleg in Radiozaken. Schijn-

baar bevinden we ons dus op zuiver kerkelijk terrein. In feite hebben we te doen met een crypto-socialistische organisatie, die in de c.-h. oud-minister mr. Mulderije een schone vlag gevonden heeft om de socialistische lading te dekken.

Het bewijs van deze onze beschuldigingen is niet moeilijk te leveren. Predikanten die bij de PvdA aangesloten zijn, komen bij uitstek in aanmerking om voor deze omroep op te treden. We noemen alleen maar de naam van de zeer “linkse” ds. H. A. Visser uit Amsterdam.

Het hervormde herderlijk schrijven werd voor de microfoon als een gebeurtenis van uitzonderlijke betekenis besproken in een serie lezingen, waarin elk kritisch geluid ontbrak. Geen wonder, de spreker was lid van de PvdA.’

Een somber geluid dus, dat dr. Zeegers laat horen. Maar de schrijver heeft ook nog een minder donkergestemd beeld opgevangen. Hij schrijft namelijk verder: ‘Het deed ons deugd in het blad “De Waarheidsvriend” het officiële orgaan van de gereformeerde bond, een rechtse groepering in de Hervormde Kerk, te lezen, dat ook in die kringen de ogen opengaan.’

Waarna dan een passage volgt uit een artikel, dat wij niet gelezen hebben, en in welke passage wordt vastgesteld: ‘Er staan iedere zondag honderden predikanten op hervormde kansels, van wie het IKOR altijd heeft gezegd: neen, die niet en die niet.’ ‘Hoe treurig dit alles moge zijn,’ gaat dr.

Zeegers verder, ‘toch zijn we blij dat het thans ook in de kerkelijke pers eens gezegd wordt.

‘Overigens bewijst het wel,’ zo besluit hij, ‘dat de progressieve voorstanders van de democratie en de medezeggenschap bij al hun hoog verheven idealen, blijkbaar in eigen kring, jegens geloofsgenoten nog wel, rustig de meest elementaire beginselen der democratie, het vrije woord voor ieder, met de voeten treden. Ter wille van de “sociale gerechtigheid” misschien?’

Tot zover dr. Zeegers, vooraanstaand lid van de Antirevolutionaire Partij. Haast vanzelfsprekend roept dit stukje Burgerrecht-vdorlichting protest op. Allereerst al de kwalificatie, die van het IKOR gegeven wordt. Een ‘crypto-socialistische organisatie’, waarvan de lading gedekt wordt door de schone vlag, waarmee dan mr. Mulderije bedoeld wordt.

Over de PvdA-predikanten kunnen we maar beter geen woorden vuil maken. Het lijkt ons namelijk van minder belang te weten of de Blijde Boodschap gebracht wordt door een ‘rode’, ‘zwarte’ of ‘grijze’ predikant. En daarom is de waarschuwing van Burgerrecht tegen het IKOR dubbel veroordelenswaardig. Het IKOR heeft namelijk in brede kring een gehoor gevonden, een gehoor, dat ook bestaat uit tal van buitenkerkelijken, die er nimmer toe komen de gang naar de kerk te maken, doch die zondags wel de weg naar deze radio-omroep vinden. ‘Burgerrecht’ waarschuwt tegen een organisatie, die tot doel heeft een bovenmenselijke boodschap uit te dragen, omdat een aantal van de voorgaande predikanten behoort tot een poütieke partij, waarop dit blad het niet begrepen heeft. Dit is toch wel diep treurig. Het IKOR een cr3rpto-socialistische instelling te noemen is op zich niet alleen onjuist, het is ook af te keuren. Maar het is ronduit beschamend op een dergelijke wijze te insinueren, als Burgerrecht meent te mogen doen. Hier worden, nog wel door een voorstander van christelijke partijvorming, waarden omlaaggehaald, die niet omlaaggehaald mogen worden en worden in het politieke gevecht van alledag zaken betrokken, die daar beslist buiten moeten blijven.

Misschien kunnen, na het lezen van dr. Zeegers’ stukje, voorstanders van christelijke partijvorming begrijpen, waarom doorbraakmensen zo huiverig zijn voor christelijke politiek.

Wat dr. Zeegers ten slotte nog zegt over het hervormde herderlijk schrijven is ook teleurstellend. Het verraadt, dat de schrijver ook hier weer geluisterd heeft met een ‘politiek oor’.

Dat we in een verzuild land leven, is bekend. Het is erg genoeg overigens, maar het is een feit. Dat we echter in een land leven, waarin de kerkganger zich bij het aanhoren van een Boodschap, die ver uitgaat boven welke politieke boodschap dan ook, moet afvragen: ‘Wat voor kleur heeft de voorgaande predikant wel’ en dat die kleur van gewicht zou zijn bij het maken van de kerkgang, is rondweg ontstellend. Eerlijk gezegd, we verwachten dat ook in de prot.-chr. pers protesten tegen dit stukje van de a.-r. dr. Zeegers niet zullen uit*3iyven.

DICK SCHEPS

‘wij Gods medearbeiders zijn’. Een goed ding dat dat in de bijbel staat. Ja, als het er niet in stond, il faudrait I’inventer. Het gevaar is geloof ik niet denkbeeldig, dat wij dit bijbelwoord invoegen in een geheel verkeerde en geheel on-christelijke gedachtengang. Hier is mijn werk. Het dreigt te mislukken, en ik heb er mij toch zoveel moeite voor getroost. Mijn plannen, ik had ze zo zorgvuldig uitgedacht; mijn taak, waaraan ik mij zo ernstig had gewijd. Is het nu zo dat dat alles op niets zal uitlopen? Maar dat kan niet, wanneer wij toch Gods medearbeiders zijn!

Dat kan uitstekend. In de gedachtenwereld en de levensvoering van verreweg de meesten onzer neemt het werk een overmatig grote plaats in. Het werk, en daarbij moet God dan onze medearbeider zijn. Maar God is eenmaal niet die nuttige uitvinding, waardoor het welslagen van onze pogingen wordt gegarandeerd. Hij werkt. Hij verwerkelijkt onder de mensen en in de wereld Zijn Koninkrijk. Het is iets wonderbaarlijk heerlijks, dat Hij daarbij mensen gebruiken wil, maar de relatie tussen Gods Werken in de wereld en onze menselijke activiteit blijft een verborgenheid.

Soms denk ik, dat God van wat wij ‘ons werk’ noemen, misschien bijna niets zal kunnen gebruiken. Of het nu succes heeft of geen succes, goed is of erg middelmatig. Dat dit alles héél veel minder met het medearbeider-Gods-zijn te maken heeft dan wij wel graag zouden willen denken. Maar soms ook meen ik achteraf te ontwaren dat wij ergens in Zijn werk ingeschakeld zijn geweest op een wijze, die wij nooit hadden

kunnen vermoeden. Misschien door een woord of een daad waaraan wij zelf geen enkele betekenis hechtten; misschien alleen maar door op een bepaald moment te zwijgen en te beseffen dat wij niets hadden in te brengen.

‘Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?’ (Joh. 6 : 28). Dat is de vraag om een opdracht, een programma. Hoe moeten wij doen opdat ons werken een medearbeiden aan Gods werk mag zijn? Wij willen graag starten, graag ons uiterste best doen. ‘Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft.’

De medearbeider Gods is in zekere zin passief. De activiteit is van God, en Hij beweegt mee omdó,t en in zovérre hij gelovige is. Gelovend ‘in Hem die Hij gezonden heeft’, opgenomen in de gemeenschap van Christus, werkt hij de werken Gods zonder te weten hoe. Hij zelf is niet belangrijk. Of hij veel of weinig presteert is niet belangrijk. God doet het en wij zijn alleen maar medearbeiders. Maar tegelijk en misschien niet in de laatste plaats zijn wij het terrein van Gods werkzaamheid, het werk zelf dat Hij onder handen heeft en naar Zijn bestek voltooien wil.

‘Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods gebouw ?jjt gij’ (1 Cor. 3 : 9). Als gelovigen zijn wij zowel die ‘wij’ waarvan Paulus hier spreekt, als die ‘gij’. Medewerker, werkterrein, werkstuk; en dit in een samenhang die alleen door het geloof geweten wordt.

M. H. VAN DER ZEYDE