is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 36, 1874, no 3780, 19-11-1874

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 19 November 1874.

IV-. .0780,

WEEKBLAD VAN HET REGÏ.

REGTSKÜNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

ZES-EN-DERTIGSTE JAARGANG.

JU kt mum.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dmgsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. —Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschl nd: Haasenstei en Vogler, te Hamburg.

HOOGE RAAD DEJl NEDERLANDEN.

f4**s£i<£r vtftsk *

Zitting van den 19 October 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Plaatselijke verordening. — Broodverkooper. — Broodslijter. — Onderzoek. — In de gemeente. — Buiten de gemeente.

Is het als bakker en broodslijter weigeren om het bij hem aanwezige brood voor te brengen, ten einde het gewigt daarvan te doen onderzoeken, bij artt. 171, 172 en 209 der alge me ene politie-verordening van de gemeente de Lier van 27 Aug. 1862 strafbaar gesteld? — Ja.

Kan aan de verpligting om zijn brood voor te brengen, d. i. om het aan de bevoegde ambtenaren ter beschikking te stellen , ten einde het te onderzoeken, evenzeer door den bakker of slijter, terwijl hij met zijn wagen het brood ten verkoop aanbiedt, worden voldaan, als door den bakker of slijter , die het brood in zijne woning verkoopt ct — Ja.

Behooren de bepalingen ten aanzien van soort, samenstelling , gewigt en prijs van het brood en bepaaldelijk het voorschrift , dat de bakkers en broodslijters hun brood op de vordering der bevoegde ambtenaren voor het vereischte onderzoek beschikbaar moeten stellen , tot de verordeningen van plaatselijke politie , waarnaar de neringdoenden zich volgens art. 2 , at. 2 , der wet op het regt van patent van den 21 Mei 1819 (Stbl. Bo. 34) moeten gedragen ï — Ja.

Kan het voorschrift van art. 172 der gemelde verordening, waarbij aan de Leveranciers van buiten de gemeente gelijkelijk met de in de gemeente wonende leveranciers dezeJde verpligtxng wordt opgelegd om hun brood aan het onderzoek van gemeentewege te

onaerwerpen, beschouwd woraen als een verbod van de uitoejening van het beroep door buiten de gemeente wonende bakkers en brovdslijters ? — Neen.

A. C. van Wijlen, oud drie-en-dertig jaren, broodbakker, geboren te Ravenswaay, wonende te Burgersdijk, gemeente Maasland, is req. van cassatie tegen een vonnis van de Arrond.-Regtbank te 'sGiavenhage van den 30 April 1874 , voor zoover hy daarbij , met vernietiging van het vonnis, op den 23 Jan. Iö74, op de vordering var» het Openb. Min., tegen hem door den kantonregter te Naaldwijk gewezen, in hooger beroep, is schuldig verklaard aan de overtreding van als bakker en broodslijter te hebben geweigerd om het bij hem in de gemeente de Lier aanwezige broed voor te brengen, ten einde het gewigt daarvan te doen onderzoeken ; en, niet toepas' ging van de art. 171, 172en2u9 der algemeeue politie-veror dun^ der gemeente de Lier van den 27 Aug. 1862 en art. 1, aanhef en al. 8, der wet van den *2 April 1864 {Stbl. no. 29;,— veroordeeld tot eene boete van f 15 en in de bosten van de beide insiantiëa , met bepaling, dat de boete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na aanmaning, zal worden vervangen door eene gevangenisstraf van drie dagen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Coninck Lieïstino, en de advokaat van den req., Mr. D. van Eck, de voorzienin" nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Römer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! In fado is bij het beklaagde vonnis beslist, dat de req., als bakker, wonende te Maas land, heeft geweigerd, brooden, die hij te Lier ten verkoop aanbood, te doen wegen, en het onderzoek van den veldwachter heeft verhinderd, duor met het bovenlijf op den broodwagen te gaan liggen. De geachte pleiter meent, dat hij ten onregte ter zake van dat feit is veroordeeld : vooreerst, omdat het bij de artikelen der verordening niet stralbaar is gesteld; en, ten andere, omdat, indien zulks het geval ware, de verordening iu strijd zou zijn met art. 142, al. 3, der Grondwet, art. '237 der gemeentewee, en art. 2 der wet op het regt van patent. Ik kan geene van die beweringen deelen. Het brood, dat buiten de gemeente is gebakken , doch aldaar ten verkoopt wordt aangeboden, is o. a. onderworpen aan het voorschrift omtrent het gewigt. Er moet dus een middel zij,, om dat gewigt te constateren ; en riu is art. 172 der verordening zoo duidelijk mogelijk. Bij iedere inspectie moet het aanwezige brood worden voorgebragt. Het artikel bepaalt niet, hoe of waar het onderzoek moet plaats hébben; maar Wanneer de bevoegde ambtenaar het onderzoek wil instellen is de bakker of broodsJijter verpligc dit toe te laten en het brood te doen zien.

De geachte pleiter meende, dat de ambtenaar dan met eene schaal 'angs de straat zou moeten loopen , en dat de verordening zulks niet kan hebben bedoeld. Ik geloof niet, dat in die bewering, al ware '■ij juist, een groud kan liggen, om het voorschrift van art. 172 'ot winkels en brood-depóts te beperken. De bewering betreft toch de *'J£e, waarop het voorschrift moet worden ten uitvoer gelegd ; maar het ^oorschrift is duidelijk, dat elk ten verkoop aangeboden brood het bepaalde gewigt moet nebben. Maar de inspectie betreft niet slechts het Bewigt, maar ook de soort en prijs. En nu is het alleen de vraag, of e bakker of slijter, die het onderzoek weigert of zich daartegen 'eizet, of het bij hem voorhanden brood op de aanvrage niet voor,re"gt, zoo als het artiiel zegt, strafbaar is. Die vraag kan m. i. "'echts toestemmend worden beantwoord, zoodra moet worden aansenomen , dat noch de woorden van art. 172, noch de zamenhang »n dat artikel met de overigen grond geven om aan te nemen",

dat de inspectiën moeten worden beperkt tot de bakkerijen en zoogenaamde^ brood-depots, welke o, a. van schalen en gewigten moe* ten voorzien zijn. De bakker of slijter van bro >d overtreedt dus het artikel, indien hij de inspectie niet toelaat. En wat nu de wettigheid van zoodanige bepaling betreft, want hara doelmatigheid kan zeker door den regter niet worden onderzocht, zoo wil ik mij plaatsen op het standpunt van den Hoogen Kaad en de bevoegdheid van den regter aannemen om die vraag te onderzoeken.

En dan geloof ik , dat eene bepaling, strekkende om de ingezetenen eener gemeente voor bedrog en schadelijk brood vrij te waren, kan zijn eene verordening betreffende de openbare orde en de gezondheid; dat zij mede gedeeltelijk betrekking kan hebben op de huishouding der gemeente. Zij belemmert den in- en doorvoer niet in den zin van art. 142 der Grondwet, hetwelk over de belastingen handelt; terwijl eindelijk <.e betaling van het regt van patent slechts de bevoegdheid geeft tot uitoefening van het beroep met in-acht-nerning van de tilgemeene en plaatselijke politie.

Ik geloof, dat geen der middelen kan leiden tot cassatie; en ik heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet ,.p de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi:

lo. schending en verkeerde toepassing van de artt. 171, 172 en 209 van de algemeene politie verordening van de gemeente de Lier, van den 27 Aug. 1862, omdat het door den req. bedreven feit bij die artikelen niet stralbaar is gesteld ;

2". schending en verkeerde toepassing van de artt. 171, 172 en 09 van de gemelde algemaene politie verordening, in verband met art. 142 , al. 3 , der Grondwet, art. 237 der gemeentewet en art. 2 van de wet op het patent van den 21 Mei 1819 (Stbl. n°. 34), omdat, ware het feit, waarvoor is veroordeeld , st.raft.aar ges'eld bij de politie-verordening , die bepaling ir, strijd zou zijn met de wet ;

Overwegende, dat bij het eerste cassatie-middel is aangevoerd, dat de bepaling van art. 172 der algemeeue poliue-verordening , — dat bakkers en broodslijters vernbet ziin le ken*, hii von

! Burgemeester en Wethouders of van eeu ander daarloe bevoegd

beambte, al het bij hen aanwezige brood voor te brengen, alleen

betrekking zou hebben op de bakkers en broodslijters, voor zoover zij eene bakkerij of slijter binnen de gemeente hebben , en niet op de buiten de gemeente wonende bakkers en brooJslijters, die iu de gemeente op geene andere wijze bioodslijteu dan met een wagen, waarmede zij door die gemeente rijden;

0., dat deze op de bakkers en broodslijfers gelegde verpligting is eene bepaling van plaatselijke politie tot handhaving van de poiiiiezorg der gemeentelijke overheid ten aanzien vau de soort, de zamen-

Balling, iici tu uen prijs van nel orooü ;

0., dat bet buiten de gemeente gebakken , binnen de gemeente ten verkoop aangeboden brood ten aanzien van soort, zamenstelling, gewigt en prijs, volgens het uitdrukkelijk voorschrift van art. 171 onderworpen is aan de bepalingen, in hoofdstuk VIII der algemeene politieverordening vermeld, tot welk hooflstuk art. 172 behoort;

0., dat de voormelde bepaling van art. 172 der verordening derhalve bij art. 171 , hetwelk uit den aard der zaak betrekking heeft op al de bepalingen, die over het toezigt op de soort, de zamenstelling , het gewigt en den prijs van het brood in het voormelde hoofdstuk gemaakt zijn, en derhalve ook op de bepaling Van art. 172, waarbij het regt tot visitatie geregeld is, ten einde te onderzoeken, in hoever aan de bepalingen van het hoofdstuk voldaan wordt — van toepassing verklaard is op de buiten de gemeente wonende bakkers en broodsliiters dip. him ,„ot

de gemeente de Lier ten verkoop aanbieden , gelijk met betrekking tot den req. feitelijk is besiit;

O., dat wel bij pleidooi is beweerd , dat het meerendeel der bepalingen van het gemelde hoofdstuk der politie-verordening uit den aai dier bepalingen niet op de buiten de gemeente wonende bakkers en slijters kan worden toegepast; dat dit echter, al moge die bewering omtrent andere bepalingen in hetzelfde artikel of in andere artikelen gegrond zijn , niet ten gevolge kan hebben, dan ook buiten toepassing moet blijven de bovengemelde bepaling van art. 172 der verordening, die wel door de buiten de gemeente wonende bakkers en slijters bij de aanbieding vau brood ten verkoop binnen de gemeente kan worden nageleefd ;

0., dat toch aan de verpligting om zijn brood voor te brengen, dat is, om dat aan de bevoegde ambtenaren ter beschikking te stellen' ten einde het te onderzoeken , evenzeer door den bakker of slijter terwijl hij met zijn wagen het brood ten verkoop aanbiedt, kan worden voldaan , als door den bakker of slijter , die het brood in zijne woning verkoopt;

0., dat het eerste middel derhalve is ongegrond;

0. met betrekking tot het tweede middel, dat de gemelde bepalingen der politie-verordening ten aanzien van de soort, de zamenstelling , het gewigt en den prijs van het brood, en bepaaldelijk het voorschrift van art. 172, dat de bakkers en broodslijtérs hun brood op de vordering der bevoegde ambtenaren voor het vereischte onderzoek beschikbaar moeten stellen, door den gemeentelijken wetgever gemaakt krachtens de bevoegdheid, hem bij art. 135 der gemeentewet toegekend, behooren tot de verordeningen van plaatselijke politie, waarnaar de neringdoenden zich volgens art. 2 al. 2 der wet op het regt van patent van den 21 Mei 1819 (Stbl. n°.' 341 moeten gedragen;

0., dat het voormelde voorschrift van art. 172, waarbij de leveranciers van buiten de gemeente gelijkelijk met de in de gemeente wonende leveranciers aan dezelfde verpligting om hun brood aan het onderzoek van gemeentewege te onderwerpen, geenszins kan beschouwd worden ais een verbod van de uitoefening van het beroep door buiten de gemeente wonende bakkers en broodslijters, die, voor zoover zy brood binnen de gemeente de Lier ten verkoop aanbieden , de

opgelegde verpligting evenzeer kunnen en moeten naleven als de inwoners der gemeente; zoodat hier geene sprake kan zija van strijd met de 1ste al. vau art. 2 der patentwet, waarbij het verbieden van de uitoefening van eenig beroep uitsluitend aan 'slands wetgeving of aan het Koninklijk gezag is voorbehouden ;

0., dat door de toepassing der gemelde bepaling van art 172 der politie-verordening ook niet gesehonden kunnen zijn art. 142 al. 3 der Grondwet en art. 237 der gemeentewet, vermits deze artikelen der Grondwet en gemeentewet alleen betrekking hebben op de verordemngen van plaatselijke belastingen ;

0., dat al zoo ook het tweede middel van cassatie is ongeerond •

Verwerpt enz. * * '

PROVINCIALE GËRËGTSHOVEN.

PROVINCIAAL GERBGTSHOF IN GELDERLAND. i<tir-;erlijue kunier.

Zitting van den 18 Maart 1874.

Voorzitter, Mr. C. P. Henny.

L. Ubo de Haes, J. S. Hijmans en D. J.

Raadsheeren, Mrs. Mom Visch,

Executoriaal beslag. — Hypotheek met onherroepelijke volmaot. — Gereotelijke rangschikking. — Kosten

van uitwinning.

Kan een in de hypothnek-registers overgeschreven proces verbaal van executoriaal beslag van onroerend goed een hypolhecairen last vestigen f — Neen.

s Wordt met de doorhaling van inschrijvingen , iDaarvan in de artt.

551 en 562 li. li. gesproken wordt, alleen de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen en niet die van de overschrijvingen van een beslag bedoeld i — Ja.

| Wordt ergens aan den kooper van in executoriaal beslag genomen va-st goed de verpligting opgelegd om ter verkrijging van de doorhaling der overschrijving van het gelegd beslag rangregeling te vragen / — Neen.

\ Is het executoriaal beslag eener onroerende zaak het begin van de uitwinning dier zaak, met du gevolg, dat de kosten van het beslag en van de verdere door de wet aan den beslaglegger voorgeschreven formaliteiten behooren tot de kosten van uitwinning t — Ja.

: E. Pauw, wonende te Utrecht, appellante en incidentele geïntimeerde, ! procureur Mr. N. S. T. A. van Meues,

tegen

C. van Brink, weduwe van G. J. Wulfsen, thans wonende te Lien-

ïci.iuuraiuj vu muiuenieie appellante, procureur H. G. P.

Kolfschoten.

Conclusie van de appellante.

De appellante doet eerbiedig voordragen :

(caeteris ommissis)

wesbaive appellante eerbiedig doet concluderen, dat het den Hove behage:

lo. aannemende dit hooger beroep, te niet te doen het vonuis, door de Arrond.-Regtbank te Tiei tusschen deze partijen gewezen en den 29 Maart 1872 openlijk uitgesproken, doch alleen voor zooverre daarvan bij deze is geappelleerd;

2°. "P meuw regt doende , alsnog de geïnt. niet-ontvankelijk te verklaien in haren in eersten aanleg tegen de appellante, toen ged ingestelden eiseh, of wel haar dien alsnog in zijn geheel te on'zeggen en de gemt. te veroordeelen in al de kosten der beide instantiëu ; subsidiair: voor het onvermoedelijke geval, dat het Hof het voor de toewijzing harer conclusiën mogt noodig achten, alsian, alvorens ten principale te beslissen en met reserve van kosten tot aan de uitdragt der zaak, haar toe te laten om het boven aangeboden bewijs oor a e middelen regtens , bepaaldelijk door getuigen, te bewijzen.

Conclusie van de geïnt., incidenteel appellante.

De geïnt., incidenteel appellante doet eerbiedig antwoorden :

en op die gronden doet de geïnt. incidenteel appellante eerbiedig concluderen, dat het den Uove moge behagen :

1°. ten opzigte vau het principaal appel:

het appel te niet te doen en te bevestigen het vonnis, voor zooveel daarvan ten deze is geappelleerd, met veroordeeling van de appellante ook in de kosten dezer instantie;

2o. ten opzigte van het incidenteel appel:

a. aan de geïnt., incidenteel appellante, acte te verleenen, dat zij incidenteel appelleert van dat gedeelte van het vonnis, door de Kegtbank te Tiei tusschen deze partijen gewezen, waarbij de vordering tot schadevergoeding is ontzegd en de incidentele appellante van een derde der daarbij genoemde kosten van het geding is veroordeeld •

b. het hooger beroep aan te nemen en, met vernietiging van dit gedeelte der uitspraak, aan de incidenteel appellante ook dit deel harer vordering toa te wijzen, met veroordeeling van incidenteel geïnt. in alle kosten van het geding j

c. de incidenteel treint, te veroord^lAn in ~ ,.. . .

« ausicu van ait inci¬

denteel appel.

Conclusie van de appellante, incidenteel geïnt De appellante, incidenteel geïnt., doet eerbiedig antwoorden en op die gronden concluderen :