is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 29, 1867, no 2951, 28-11-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 28 November 1867.

N°. 2954 J

WEEKBLAD VAN HET REGT.

KEGTSKUNDKï NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEGEN- E N- T WIN TIG S TM J AAR GANG.

JUS ET VERITAS.

Bit blad verschijnt geregeld twee malen -per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentie*», *onder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten, franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Vacantie.

Zitting van den 27 Augustus 186". Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Dieestal.

Bedreiging.

Is onder diefstal te verstaan iedere soustractie tegen den wil van den eigenaar en alzoo het door bedreiging magiig worden van eens anders geld? — Ja.

1 • P. Smit, oud een-en-twintig jaren , boerenknecht, geboren te Meeden, laatst gewoond hebbende te Westerlee, gemeente Scheemda, p req. van cassatie tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in ^roningen van den 29 Mei 1867, waarbij hij is schuldig verklaard: aan diefstal op den openbaren weg, met bedreiging; en 2°. aan uierstal, door een loonbediende gepleegd jegens iemand, die zich ten nnize van zijnen meester bevond; en te dier zake, met toepassing der artt. 383 en 386, 3". Strafregt, alsmede van art. 14, 6°., en art. 9 der wet van den 29 Junij 1854 {Stbl. n°. 102;, met aanneming Van verzachtende omstandigheden, is veroordeeld tot gevangenis-straf voor den tijd van twee achtereenvolgende jaren, alsmede in de kosten der procedure, ten behoeve van den Staat, des noods executabel bij y sdwang, met bevel tot teruggave der stukken van overtuiging de eigenaren of andere regthebbenden.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Donker Curtiüs het veislag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Römer de volgende conclusie genomen :

U?°9„Afltb- Jleeren, President en Raden.' Bij het beklaagde horen 1/°^° es'lst> dat de req. eenige personen op den openrnmi . 66 ?a°£erar)d en hen bedreigd, dat hij hen in het diep e ,^'P?11.' ludien z'j hem geen geld gaven , ten gevolge van welke bedreiging hij van een hunner eenig geld is magtig geworden. Bij de memorie van cassatie wordt beweerd, dat in deze feitelijke beslissing niet ligt opgesloten , dat er eene soustraction frauduleuse zoude zijn gepleegd, omdat het geld niet afgenomen, maar door den aangeranden persoon afgegeven is.

Ik kan die meening niet deelen. Het arrest zegt, dat de req. de gelden is magtig geworden, en wel ten gevolge zijner gewelddadige aanranding en bedreiging, en die feitelijke beslissing is m. i. geheel voldoende; wanneer toch de diefstal gepleegd wordt met geweld of bedreiging, en de Code Pénal heeft ook deze species van diefstal opgenomen', dan doet zich de arglistige wegneming geheel anders Voor dan in die gevallen , waarin het voorwerp heimelijk en buiten "weten van den eigenaar wordt weggenomen. .Maar aan eene vrijwillige overgave kan voorzeker niet worden gedacht. De steller der memorie heeft zich dan ook ten onregte op de latere arresten van den Hoogen Baad beroepen. In die gevallen toch waren de ontvreemde voorwerpen ter hand gesteld of toevertrouwd, hetgeen bij diefstal, met geweld en bedreiging gepleegd, geenszins het geval is. Bij diefstal, door middel van bedreiging gepleegd, zal wel in den regel het ontvreemde voorwerp niet worden weggenomen, maar afgegeven. Ook hier blijkt dus, dat in het stelsel van het Wetboek van Strafregt aan de soustraction frauduleuse niet de enge beteeker.is van wegneming uit het bezit van den eigenaar of houder wordt gehecht , zoo als dan ook, althans bij de vroegere arresten van den Hoogen Kaad, steeds is aangenomen. Bij dief ti', gepleegd door middel van geweld of bedreiging, ligt de wegneming in het zich meester maken van het voorwerp tegen den wil des eigenaars, ook al wordt dat voorwerp, uit vrees voor de bedreiging of door het aangewende geweld, afgegeven.

Ik kan mij dns met het aangevoerde middel van cassatie niet vereenigen en geloof, dat het arrest feitelijk voldoende is gemotiveerd, fn de qualificatie is niet opgenomen, dat de diefstal ook met geweld is gepleegd, zoo als bij de acte van beschuldiging was ten laste gelegd. Op de toepassing der strafwet heeft dit echter geen invloed.

Ik heb de eer, namens den heer proe.-gen., te concluderen tot verwerping der voorziening en vevoordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Kaad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, van wege den req. voorgesteld

ij memorie, voor zoover betreft zijne schuldig-verklaring aan diefstal

'HSüt'WS WSS a ars?,

als bewezen is aangenomen wegneming uit eens anders bezit ten onregte zou zijn gequalificeerd diefstal- anders bezit,

Overwegende, dat bij het beklaagde 'arrest in facto is beslist dat de req eenige personen op den openbaren wegTe^"angerand en hen bedreigd, dat hij hen tn het diep zou werpen, indien zij hem geen geld gaven, ten gevolge van welke bedreiging hij van een hunner eenig geld is magtig geworden, en dat hij te dier zake is schuldig verklaard aan diefstal, gepleegd op den openbaren wee met bedreiging; 1

O., dat het ée'nig tegen dat arrest aangevoerde middel van cassatie steunt op het beweren, dat in die feitelijke beslissing niet zou liggen opgesloten, dat er zou zijn gepleegd soustraction frauduleuse, vermits het geld niet zou zijn afgenomen, maar door den aangeranden persoon zou zijn afgegeven, en hier dus geene wegneming uit het bezit des eigenaars zou hebben plaats gehad, zoo als naar art. 379 Strafregt zou zijn een stellig vereischte;

dat intusschen onder het vereischte van-arglistige wegneming

{soustraction frauduleuse) ,in laatstgenoemd artikel is te verstaan alle

ijoiungugiiig van eens anuers goed, buiten weten or tegen uen wn ut» eigenaars, met de wetenschap, dat het goed aan een ander toebehoort, volgens welk begrip vrijwillige overgave van wege den eigenaar alleen

uieisiai unsiuit;

O., dat hij, die op den openbaren weg door bedreiging wordt bewogen hetgeen hij bij zich heeft geheel of ten deele aan den bedrei¬

ger af te geven, zeer zeker niet kan worden gezegd zich vrijwillig

van nee zijne te neoben ontdaan, en dus dan overgang van bezit van den bedreigde op den bedreiger alleen kan worden aangemerkt als gewelddadige overgang, tegen den zin en wil des eigenaars, en bijgevolg als wegneming of daarmede in dat geval gelijkstaande magtigwording door arglist;

O., dat mitsdien bij het beklaagde arrest de als geschonden of

Luegcptisi atuigeuaaiue we ts-artikelen met juismeiu zijn toegepast en het voorgestelde middel van cassatie alzoo is onaannemelijk ;

Verwerpt enz.

Zitting van den 27 Augustus 1867.

Dietstal.— Motieven.— Feit. — Qualificatie.— Arglist.

Is het, vermits bij art. 211, in verband met art. 206, Strafvord. is voorgeschreven, dat het arrest moet inhouden 'sllofs beslissing o. a. over het bewezene of niet-bewezene der daadzaken, maar niet in welke bewoordingen dat moet geschieden , verboden daarbij eene uitdrukking te bezigen, die zoowel een feit als eene qualijicatie beteekent ? — Neen.

Is dat het geval ten aanzien van het woord diefstal ? — Ja.

Kan arglist, als zuiver psychologisch feit, wel immer op dezelfde wijs als zinnelijk waarneembare feiten bewezen worden; of moet zij niet veeleer uit den aard der gepleegde feiten zelve ivorden opgemaakt ? — In laatstgemelden zin beslist.

Brengt de verpligting om de vonnissen te motiveren eene opzettelijke redenering mede over eene onmiddellijk uit de feiten volgende omstandigheid ? — Neen.

G. Wooldrik, oud zeven-en-twintig jaren, koetsier van beroep, en H. Wooldrik, oud twee-en-twintig jaren, wever van beroep, beiden wonende te Lonneker, in de Esehmarke, hebben zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Overijssel van den 28 Mei 1867 , waarbij wettig en overtuigend is bewezen verklaard , dat, in den nacht van den 25 op den 26 Nov. 1866 in de tapperij, een gedeelte uitmakende van het bewoonde huis van J. Ueerdink, in de Esehmarke, gemeente Lonneker, is gepleegd arglistige ontvreemding van eenige jenever-glazen en de beide requiranten daaraan zijn schuldig verklaard, derhalve aan het stelen van jeneverglazen, bij nacht m een bewoond huis; en te dier zake onder aanneming van verzachtende omstandigheden, met toepassing van de artt 386, het begin en n". I, Strafregt, 9 der wet van den 2a Junij ]854 {Stbl. n". 102), en de art. 1,2 en 3 der wet van den 28 Junij 1851 (Stbl. n". 68), zijn veroordeeld, de eerste req. tot eene gevangenisstraf van drie maanden en de tweede req. tot eene gevangenisstraf van vijf-en-veertig dagen, beide in eenzame opsluiting te ondergaan, en beide de requiranten in de kosten , terwijl deze voorziening in cassatie alleen is geschied voor zooverre de requiranten zijn schuldig verklaard en veroordeeld.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Elias en de advokaat van de requiranten, Mr. H. Gaade , hunne voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Römer, namens den proc.-gen., geconcludeerd tot verwerping van het ingesteld beroep, met solidaire veroordeeling van de requiranten in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, door de requiranten voorgesteld bij pleidooi, te weten;

1". schending, immers verkeerde toepassing der artt. 206 en 21! Strafvord., omdat in het beklaagde arrest niet blijkt van 's Hofs beslissing omtrent het bewezene der daadzaken;

2 '. schending der artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met art. 379 Strafregt, omdat niet met redenen omkleed is de beslissing van het Hof omtrent het bestaan der arglist;

3". schending of verkeerde toepassing derzelfde artikelen van het Wetboek van Strafvordering, omdat het Hof heeft aangenomen, dat de ontvreemding heeft plaats gehad in een bewoond huis, zonder de beslissing omtrent die qualificatie door eenig motief te staven;

Ten aanzien van het eerste middel van cassatie:

Overwegende, dat het voornamelijk daarop is gegrond, dat bij het beklaagde arrest wettig en overtuigend is bewezen verklaard, dat, in den nacht van den 25 op den 26 Nov. 1866, in het bewoonde huis van J. Geerdink diefstal is gepleegd van eenige jenever-glazen; dat | dit echter is de qualificatie van eer. feit, maar niet het feit zelf, en dat het al of niet bewezene daarvan door het Hof onbeslist is gelaten;

O., dat dit beweren is ongegrond;

dat het Hof toch, na bij de vijf eerste overwegingen omstandig opgegeven te hebben . op welke wijs het den requiranten ten laste gelegde feit gebleken was, en bij de zesde overweging in de evenvermelde bewoordingen bewezen te hebben verklaard, dat er diefstal van jenever-glazen was gepleegd, eerst bij de zevende overweging onderzocht, welke misdaad het bewezen feit daarstelt, waaruit volgt, dat het woord diefstal in de zesde overweging niet als qualificatie, maar als het feit zelf voorkomt;

O. nu, dat bij art. 211, in verband met art. 206, Strafvord. wel is voorgeschreven, dat het arrest moet inhouden \s Hofs beslissing onder anderen over het bewezene of niet-bewezene der daadzaken, maar niet in welke bewoordingen dat moet geschieden, en het met

name niet verboden is daarbij eene uitdrukking te bezigen, die zoowel een feit als eene qualificatie beteekent, gelijk in casu is' geschied, vermits het woord diefstal niet bloot is een kunstterm der wet, maar ook in de genieene taal met arglistige wegneming of ontvreemding van gelijke beteekenis is;

Ten aanzien van het tweede middel;

O., dat bij de zevende overweging van het beklaagde arrest wordt gezegd, dat de bewezen daad uit haren aard alle kenmerken draagt van arglistig gepleegd te zijn ;

O. nu, dat arglist, als zuiver psychologisch feit, nimmer op dezelfde wijs als zinnelijk waarneembare feiten kan bewezen worden en m de meeste gevallen alleen uit den aard der gepleegde daden zelve kan worden opgemaakt;

dat het Hof derhalve, na bij de vijf eerste overwegingen uitvoerig te hebben opgegeven, door welke bewijsmiddelen (wier wett^heid niet wordt ontkend) en op welke wijs de daad blijkt gepleegd te zijn, overwegende, dat die daad, zoo als zij gepleegd is, uit haren aard de kenmerken van arglist draagt, zijne beslissing voldoende heeft gemotiveerd, en dat door het voorschrift der wet, volgens hetwelk de vonnissen met redenen moeten zijn bekleed, een volledig verslag van de verstandsoperatie, waardoor de regter van het feit tot zijne qualificatie gekomen is, niet wordt gevorderd;

Ten aanzien van het derde middel:

O., dat het Hof bij de eerste overweging van zijn arrest heeft geconstateerd, dat de getuige Geerdink had verklaard te wonen in de Esehmarke en in zijn woonhuis eene tapperij te houden, en bij de volgende overwegingen , dat de diefstal had plaats gehad in de tapperij van dien getuige; dat daaruit bij eenvoudige gevolgtrekking voortvloeit, dat de diefstal is gepleegd in het door den getuige bewoonde huis ; dat de reden van 's Hofs beslissing derhalve volkomen duidelijk is en de verpligting de vonnissen te motiveren eene opzettelijke redenering over zoodanige onmiddellijk uit de feiten volgende omstandigheid, hoedanige bij het middel schijnt verlangd te worden niet medebrengt;

O., dat de middelen van cassatie derhalve zjjn ongegrond;

Verwerpt enz.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GELDERLAND.

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 11 Junij 1867.

Voorzitter, Mr. G. J. C. Schnbither.

Waren de gemeentebesturen , onder vigueur van art. 5 der wet van 9 Julij 1842 (Stbl. n". 21), bevoegd, om bij het uitvaardigen van verordeningen tot wering der veepest, tegen de overtreding derzelve straf te bedreigen, zonder beperking voor het geval dat daarin door eenen hoogeren wetgever mogt zijn voorzien ' — Neen.

Kunnen dein zoodanige verordeningen bedreigde straffen, na de afschaffing van voormeld artikel, kracht verkrijgen? — Neen.

Leve,en dus de gemelde overtredingen, wanneer daartegen niet is voorzien bij de wet van 19 April 1867 (Stbl. J. 30), nog strafbare Jeiten op 'i — Neen. '

Is het hooge) bei oep ontvankelijk tegen een vonnis waarbij uitspraak is gedaan over een feit, waartegen geene straf is bedreigd 1 — Ja.

D. v. d. B. en W. H., voor de Arrond.-Regtbank te Arnhem gedagvaard, ter zake van het, in strijd met eene verordening der gemeente Harderwijk, dd. 21 Sept. 1865, in die gemeente invoeren van eene koe op 14 Febr. 1867, zonder dat die door eenig document was gedekt, werden door gemelde Regtbank, op grond van art. 1 der genoemde verordening en art. 5 der wet van 9 Julij 1842 {Stbl. n°. 21), veroordeeld ieder tot gevangenisstraf van eene maand.

De uitspraak van dit vonnis had plaats op 23 April 11., op welken dag de wet van 19 April te voren is afgekondigd en in werking getreden, met welke omstandigheid de Regtbank toen facto echter onmogelijk bekend konde zijn.

Op het ingesteld hooger beroep wees het Hof het volgende arrest:

Het Hof enz.,

Overwegende teu aanzien der ontvankelijkheid van de appellanten in hun hooger beroep :

dat art. 65 li. O. het hooger beroep van vonnissen der Arrond.Kegtbanken in correctionele zaken in het algemeen toelaat en hét appel alleen uitsluit, ingeval op het begane misdrijf geene hoogere straf is bedreigd dan eene geldboete van ƒ 200 , zonder Gevangenis of verbeurdverklaring van eenig voorwerp;

O., dat deze uitzondering dus uitgaat van de stelling, dat er een misdrijf begaan is en dat er eene straf beloopen is, waaruit reeds volgt, dat de woorden der wet meebrengen, dat, waar geene straf bedreigd, en bij gevolg geen misdrijf begaan is, het uitgezonderd* beho d16t aanwez^ *s ' en (*e algemeene regel zijne toepassing blijft

0., dat deze opvatting van art. 56 11. O-, in overeenstemming is met de bedoeling van hooger beroep, nn::lelijk, dat de hoogere regter zal doen wat de lagere had beho . i te doen, en dat, wanneer

uit, ïagere regter oordeelt dat op h aan zijne kennisneming onderworpen feit geene straf bedreigt! ^ , en het daarom noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding daarstelt, hij gehouden is den bekl. van regts ver volging te ontslaan , en niet het Openb. Min, in zijne conclusiën niet-ontvankelijk te verklaren ;

dat, bij gevolg de hoogere regter, bij gelijke bevinding, onder