is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 65, 1903, no 7977, 18-11-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o'nixjjj Vrijdag, 20 November 1903 N° 7977

WEEKBLAD VAN HET RECHT

IW ■ BI ■ ZESTIGSTE UAMAK JUS ET VEMTAS~

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang franco per post ƒ21, behalve het Register. — Prijs der advertentiën, 1 6 regelt

f 1.45, elke regei meer 20 cents. — Rechterlijke uitspraken ter plaatsing franco aan de Uitgevers, Boekhandel T/h Gebr. Belinfantb, te 's Gravenhage (Ie Wagenstraat 100); andere bijdragen en boeken ter bespreking franco aan de Redactie te Utrecht (Stationstraat 11).

^ auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAI) DER NEDERLANDEN.

Kamer vau Strafzaken.

Zitting van den 19 Octóber 1903.

Voorzitter, Mr. J. j. van Mkekbekk.

Raadsheeren, Mrs.: A A. dk Pinto, A. J. Clant van dsr Mijll, S. M. S. de Ranitz, E. W. Gul.ié, Jhr. W. H. de Savornin Loman en A. p. L. Nelissen.

Ambtshalve cassatie van het bestreden vonnis, omdat daarbij recht is gedaan op een getuigenis van hooren zeggen.

De Ambt. van het O. M. bij het Kantongerecht te Breda, is requirant van cassatie tegen een vonnis van den Kantonrechter te Breda, van 15 Mei 1903, waarbij A. "V., oud 44 jaren, van beroep caféhouder, geboren te Zwaluwe, wonende te Teteringen, is ontslagen van alle rechtsvervolging;

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Nelissen, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heeren!

De gerequireerde is ontslagen van rechtsvervolging omdat volgens het oordeel van den Kantonrechter te Breda de betrokken plaatselijke verordening, voor zoover zij hier toepasselijk zou *ijn, bij de invoering der Woningwet is vervallen. Het tegen deze beslissing aangevoerde cassatiemiddel zal geen voorwerp van onderzoek bij den Hoogen Raad kunnen uitmaken omdat in het vonnis waarvan beroep :

1°. recht is gedaan op onwettig bewijs, nl. op testimonium de auditu door het bezigen zonder beperking als bewijsmiddel van een proces-verbaal waarin o.a. staat gerelateerd dat ,,volgens het zeggen van gemelde M. (die niet is beklaagde) werd gebouwd voor rekening van A. V. (den beklaagde);

2°. wel is beslist over het bewezene van het feit, niet van beklaagdes schuld daaraan.

Ik concludeer wegens die verzuimen tot vernietiging ambtshalve van het vonnis waarvan beroep en verwijzing van de zaak naar de Arrondissements-Rechtbank te Breda ter berechting en afdoening op de' bestaande dagvaarding.

De Hooge Baad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending door verkeerde toepassing van art. 216 Strafvord. ; schending door niet-toepassing van de artt. 11 en 18 der Alg. Plaatse]. Pol. Verord. der gemeente Teteringen van 18 Febr. 1879, wat dit laatste artikel betreft, zooals het is gewijzigd door art. 27 der wet van 18 April 1886 (Stbl. n°. 64); schending door verkeerde toepassing' van art. 151 der Gemeentewet in verband niet art. 51 der Woningwet;

Overwegende ambtshalve:

dat aan den beklaagde, thans gerequireerde, bij dagvaarding was ten laste gelegd, dat hij' op 30 Maart 1903 werd bevonden aan de Molengracht te Teteringen twee woningen onder één dak 'e hebben doen bouwen, terwijl hij van zijn voornemen tot het bouwen van die woningen te voren geen kennis had gegeven aan en W. aldaar;

dat dit feit bij het bestreden vonnis wettig en overtuigend 's bewezen verklaard;

dal blijkens de vierde overweging van het bestreden vonnis tot het bewijs van dit feit heeft medegewerkt de verklaring van den verbalisant in zijn ter terechtzitting voorgelezen proces-veroaal in de eerste overweging van het vonnis weergegeven : ,,dat de verbalisant gezien heeft op 30 Maart dat aan de Molengracht °nder de gemeente Teteringen door zekeren P. M. en anderen twee geheel nieuwe woningen onder één dak werden gebouwd, die volgens het zeggen van g ©melden M. werden gebouwd voor rekening vain A. V., caféhouder te Teteringen;

dat deze verklaring van den verbalisant, dat gemelde woningen werden gebouwd voor rekening van dezen A. V., niet betrof een feit hem uit eigen wTaarneming gebleken, maar waai van hij de wetenschap had bekomen door de mededeeling hem "oor een ander gedaan, en de Kantonrechter door hierop bij de bewijsvoering a-eht te slaan, heeft geschonden de artt. 391, 398 m verband met art. 401 en met de artt. 211, 221 en 253 Strafvord. ;

O., dat, vermits uit dien hoofde het bestreden vonnis moet borden vernietigd, het onderzoek naar het voorgestelde middel Van cassatie vervalt;

Vernietigt het vonnis door den Kantonrechter te Breda op 0 Mei 1903 in deze zaak gewezen;

Rechtdoende krachtens art. 106 der Wet op de R. O. ; verwijst de zaak naar de Arr. Rechtbank te Breda om op e bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van dm 25 Augustus 1903.

Voorzitter, Mr. E. H. Karsten.

Raadsheeren, Mrs.: D. J. Mom Visch, P. C. 't Hooft, J. van Wulfften Palthe en A. J. L. Nijpels.

Terecht heeft de President der Rechtbank in kort geding geweigerd de schorsing te bevelen van een krachtens art. 1223 B. W. voorgenomen verkoop, waar die schorsing niet gevraagd werd op grond, dat de executoriale titel van art. 1223 B. W. in het onderhavige geval niet wettig zou kunnen worden geëxecuteerd, doch alleen gebaseerd werd op de omstandigheid, dat de hypothecaire debiteur een rechtsvordering had aanhangig gemaakt, strekkende tot vernietiging of ontbinding van de overeenkomst, waarbij hij het onderpand had gekocht van den crediteur, die daarbij voor het onbetaald gebleven gedeelte van den koopprijs eerste hypotheek bedongen had.

Zoodanig verzoek om schorsing zou feitelijk neerkomen op een vermomd verzoek om uitstel van betaling en het verleenen daarvan ligt buiten het kader van de rechtsmacht van dien magistraat.

J. H. 't Hooft, molenaar, wonende te Vianen, appellant, procureur Mr. W. F. van Meitrs, advocaat Mr. P. Rink te Tiel, tegen

N. H. Paul, koopman, wonende te Vianen, geïntimeerde, procureur Mr. H. P. db Wilde, advocaat Mr. C. Nei.jtzell de Wilde te Utrecht.

Het Hof enz.;

Wat heb recht betreft.:

Overwegende dat, zooals tusschen partijen vaststaat, de appellant in het voorjaar van 1903 van den geïntimeerde voor f 12100.— heeft gekocht diens wind- en stoomkorenmolen, staande te Vianen, welke hem door den verkooper behoorlijk is geleverd en waarvoor hij bij het passeeren der koopacte van den koopprijs heeft betaald een bedrag van f 6600.—, terwijl voor de resteerende f 5500.— aan den verkooper bij de koopacte is verleend eerste hypotheek met het recht van art. 1223 B. W., en bij diezelfde acte is bepaald, dat dit restant op 24 Juli 1903 moest worden betaald;

O., dat, toen de 24e Juli 1903 verstreken was zonder dat appellant aan zijne verplichting tot betaling van den restant-koopprijs had voldaan, de geïntimeerde bij exploit van 1 Augustus 1903 dat bedrag heeft opgevorderd, en, toen appellant niet betaalde, hem bij datzelfde exploit heeft doen aanzeggen, dat hij zou gebruik maken van de hem verleende onherroepelijke volmacht en hij het verbonden pand in het openbaar zou laten verkoopen op 26 Augustus dezes jaars bij inzet en op 2 September d.a.v. bij toeslag, welke verkooping geïntimeerde daarna in de nieuwsbladen en bij aanplakking openlijk heeft doen aankondigen ;

O. dat omstreeks dienzelfden tijd en wel bij exploit van 6 Augustus 1903 appellant zijnerzijds eene actie heeft ingesteld tegen geïntimeerde, strekkende: 1°. tot vernietiging van dien koop op grond van bedrog althans dwaling, en subsidiair tot ontbinding derzelfde overeenkomst, wegens wanpraestatie aan zijde van geïntimeerde in het instaan voor een door hem beweerd debiet van gezegden molen, welke actie appellant aanleiding heeft gegeven om bij den President van de Rechtbank te Tiel in kort geding te vragen de schorsing van bovengemeldem openbaren verkoop, totdat op die vordering zal zijn beslist, op grond dat die schorsing door het belang van beide partijen werd gevorderd ;

O. dat de President der Rechtbank die vordering aan appellant heeft ontzegd op de gronden in zijne beslissing vervat en het thans de vraag is of de appellant met die beslissing is bezwaard;

O. hieromtrent, dat het voorrecht aan den eersten hypotheekhouder in art. 1223 B. W. verleend de strekking heeft om hem eenen executorialen titel te bezorgen, waarmede hij zonder processueel oponthoud op de snelste em eenvoudigste wijze tegen zijn nalatigen schuldenaar zijn verhaal kan zoeken op het hem verleende onroerend onderpand ;

da t nu zeer zeker aan dien titel gebreken kunnen kleven, waardoor het twijfelachtig zou kunnen zijn, of die. wettig zou kunnen worden geëxecuteerd, hetzij dat de titel zelve gebreken heeft, hetzij dat de schuld waarvoor die titel is verleend niet meer bestaat, hetzij dat. de vormen der wet bij het gebruik van dien titel niet naar behooren zijn in acht genomen ;

dat nu in al deze gevallen er aanleiding zou kunnen zijn voor den President eener Arr. Rechtbank om in kort geding' den ver koop van het onderpand te schorsen, waarmede dan ook het belang van alle partijen zou zijn gebaat;

O. dat echter in casu van dit alles geen sprake is en de appellant noch op den titel, noch op de schuldplichtigheid, noch op de wijze van handelen van geïntimeerde eenige aanmerking heeft gemaakt en de grond waarom hij den verkoop wenscht geschorst te zien geenszins is gelegen in den executorialen titel zelf, maar in de verwachting zijnerzijds dat de schuld van f 5500.— waarvan hij de verschuldigdheid op dit oogenblik niet betwisten kan, door de uitslag van het door hem ingestelde proces zal worden teniet gedaan ;

O. dat op dezen grond de gevraagde schorsing niet kan worden verleend, daar deze geen direct verband houdt met den executorialen titel, waarvan de schorsing wordt gevraagd • dat immers appellant het in zijn macht heeft om zelf den verkoop van het onderpand door betaling van het verschuldigde te voorko men en alzoo de gevraagde schorsing' feitelijk hierop neerkomt dat aan appellant daardoor een uitstel zou worden verleend van de betaling eener wettige schuld, en het verzoek daartoe zou kunnen beschouwd worden als een vermomd verzoek om uitstel van betaling, waarvoor het kort geding bij den President der Rechtbank niet is bestemd, daar het verleenen van uitstel van betaling' ugt buiten het kader van de rechtsmacht aan dien magistraat m art. 289 B. R. verleend;

O dat alzoo de gevraagde schorsing door den President terecht is afgewezen en die beslissing op de bovenaangevoerde gronden moet worden bevestigd;

Op voorschreven gronden;

Recht doende enz. ;

Bevestigt het vonnis a quo dd. 15 Aug. 1903.

Veroordeelt appellant in de kosten van het hooger beroep.

In het van dit arrest ingesteld cassatieberoep heeft adv.-gen Ort geconcludeerd tot vernietiging en is de uitspraak bepaald op 27 November a.s.

GERECHTSHOF TE 'a GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 25 Juni 1903.

Voorzitter, Mr. J. C. J. Ridder van Rappard. Raadsheeren, Mrs.: J. B. J. N. Ridder de van der Schüeren W. J. Karsten, H. van Manen en P. A. J. Boitvin.

Art. 682 B. W.

R. Seheele, koopman te Tarneuzen, appellant, procureur Mr H. de Ranttz,

tegen

E. Haak, zonder beroep, wonende, te Terneuzen, geïntimeerde procureur Jhr. Mr. E. N. de Brauw.

Het Hof;

Gehoord party en;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken en zoowel i.n eersten aanleg als tot daartoe, in hooger beroep gevoerde procedures ;

Overwegende dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt hetgeen dienaangaande is opgenomen in het, op 27 Januari 1903 door dit Hof in deze zaak gewezen interlocutoir arrest waarbii alvorens op het. hooger beroep definitief werd recht gedaan een onderzoek door drie deskundigen is bevolen omtrent de in dat arrest vermelde punten;

O. dat de daarbij aangewezen deskundigen, na. ter terechtzitting van dit Hof van 26 Februari 1903 te zijn beëedigd, hun den 1 Mei 1903 opgemaakt en onderteekend verslag, waarvan een expeditie bij de processtukken is overgelegd, tijdig ter Griffie van dit Hof hebben overgebracht, waarna alleen de Procureur van den appellant nog heeft gediend van een nadere conclusie en van wege beide partijen recht op de stukken is gevraagd ■ In rechten: 6 '

O. dat, ten vervolge op en in aansluiting aan 's Hofs voormeld interlocutoir, thans valt te onderzoeken en te beslissen of het drieledig, tegen de oorspronkelijke vordering door den nu gein timeerde gevoerd verweer — in de derde overweging van het interlocutoir reeds aangegegeven — al dan niet opgaat;

O. alsnu met betrekking tot het eerste, dat, naar aanleiding daarvan, den eischer, nu appellant, door de Rechtbank werd be volen door getuigen te bewijzen, dat het litigieuse muurgedeelte langs de onderverdieping tevens was de zijgevelmuur van ziin huis; v

O. dat de Rechthank van oordeel was, dat hij in dit bewijs tekortschoot, maar dat het Hof het tegenovergesteld gevoelen is toegedaan ;

O. toch, dat uit de in haar onderling verband beschouwde bepaalde daadzaken, inhoudende verklaringen van de, in de in prima gehouden enquête, gehoorde getuigen, waaromtrent, kortheidshalve, hier verwezen wordt naar het onder de processtukken voorhanden, daarvan opgemaakt proces-verbaal moet worden afgeleid, dat eischer zijn probandum behoorlijk'heeft bewe zen, al moge ook worden toegegeven, dat hun opgaven, in som mige opzichten door de in de contra-enquête gehoorde getuigen nog gestaafd wordende, op andere punten met die der laatstge noemden in strijd zijn ; °

dat die afwijkingen, bovendien ook meer bestaande in afwijkende meeningen en beschouwingen door de getuigen m de contra-eequete ten beste gegeven dan in een stellige betwisting van de juistheid der waarnemingen van de getuigen der enquête, echter niet van dien aard zijn, dat de verklaringen van de laatstgenoemden geacht kunnen worden te zijn ontzenuwd door die van de eerstgenoemden ;

O. dat de tusschen partijen op dit punt gevoerde strijd hoofdzakelijk liep over de vraag of het in de onderverdieping van appellants huis aanwezige metselwerk, in 't geding steeds aangeduid met de benaming „verzwaring", moest worden beschouwd als de zelfstandige zijgevel van appel lants huis, dan wel bloot als een indertijd aangebrachte versterking van den hoofdmuur in geschil;