is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 55, 1893, no 6365, 01-08-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegd, waaruit van bezit of uitoefening van het bewuste tiend recht gedurende de 18de eeuw blijkt, doch dat dit gemis zijn natuurlijke verklaring vindt in het door de appellanten aangevoerd en door den geint. niet betwiste feit, dat bij de historisch vasl staande vernieling door brand van het slot te Batenburg in 1795 het zich aldaar bevindend archief is te niet gegaan, zoodat appel lanten geen andere bewijsstukken en met name geene verder magescheijden hebben kunnen overleggen, dan die welke zij ui openbare archieven of uit oorkonden-boeken konden putten ;

0. dat daarentegen bewezen is, dat in de tegenwoordige eeuv door de voorgangers van den len app., welke laatste zijn op 21 Sept. 1890 gestorven vader ook in diens rechten op de vroegen Heerlijkheid Batenburg, als erfgenaam is opgevolgd, gedurende ta van jaren een tiendrecht in de gemeente Batenburg is bezeten ei uitgeoefend, waarvan de wijze van uitoefening niet in strijd, maa; veeleer in overeenstemming is geweest met den aard en den om vang van het algemeene tiendrecht, dat, zooals boven is overwogen aan de vroegere Heeren van Batenburg toekwam ;

0. toch, dat, zooals tusschen partijen vaststaat, door de voor gangers van den len app. gedurende tal van jaren en laatstelijk nog in 1892 door dien app. zeiven, niet alleen de tienden var veldgewassen (met name korentienden) onder Batenburg herhaaldelijk zijn verpacht, maar dat, waar het in deze bijzonder op aankomt, ook de varkenstiend onder Batenburg door des len appellante auteurs aan verschillende personen over vele jaren is verpacht er wel voor zooverre in dit proces is gebleken, bepaaldelijk in 1819. 1820 en 1821 bij notarieele akten, en gedurende de jaren 1835 tot en met 1860 onderhands voor verschillende pachtsommen, die o. a. over de jaren 1841 tot en met 1843 jaarlijks f 62 en over de jaren 1844 tot en met 1846 jaarlijks f 77 bedroegen, welke pachtsommen met het oog op de betrekkelijke geringe bevolking der gemeente Batenburg, en terwijl daarenboven de tiend van het tot die gemeente behoorende gehucht Lienden niet daaronder begrepen schijnt te zijn geweest, dus ook niet altijd zóó gering waren, als geïnt. bij pleidooi heeft beweerd ;

0. dat, zooals uit den onbetwisten inhoud van de hierna bedoelde pachtovereenkomsten en uit het onderling verband der daarin opgenomen bepalingen blijkt, later en bepaaldelijk van af het jaar 1873 de vader van den len app. gewoon is geweest, om, zooals dit onder het oude tiendrecht meermalen plaats had, den varkenstiend niet in natura, maar in eene vooraf vastgestelde geldsom jaarlijks van de tiendplichtigen te ontvangen en te dien einde met zeer vele pachters van de hem onder Batenburg toebehoorende landerijen, voor zoover ook die pachters onder dezelfde gemeente woonden, is overeengekomen, dat zij, behalve de verschuldigde landpacht, voor de door hen op hun eigen erven geteelde jonge varkens een voor ieder hunner afzonderlijk bepaalde geldsom voor verschuldigde varkenstiend jaarlijks aan hem zouden afdragen, welke verpachtingen telkens voor een duur van verscheidene jaren geschiedden en waarvan de laatste liep over de jaren 1882 tot en met 1890;

0. dat tegen de algemeenheid van het op die wijze uitgeoefende tiendrecht ook niet obsteert, dat niet van alle die pachters uitbetaling voor bedoelden tiend bedongen werd, vermits het toch vaststaat, dat binnen den kring of cirkel van elk universeel tiendrecht in den regel perceelen worden aangetroffen, die om welke reden dan ook tiendvrijheid genieten;

0. voorts, wat betreft de vraag of de in de oorspronkelijke dagvaarding genoemde perceelen van den geint. binnen de grenzen van de voormalige Vrijheerlijkheid Batenburg zijn gelegen, dat, daar door geïnt. is erkend, dat die perceelen gelegen zijn binnen den zoogenaamden stadswal van Batenburg, door welke erkenning tevens het door appellanten in dit opzicht aangeboden bewijs overbodig is geworden, de bevestigende beantwoording dier vraag wel aan geen redelijken twijfel onderhevig kan geacht worden

zoowel omdat als regel — tenzij het tegendeel mocht blijken

moet worden aangenomen dat de grenzen der tegenwoordige burgerlijke gemeenten, voor zoover die de namen der vroegere Heerlijkheden hebben behouden, overeenstemmen met de grenzen dier Heerlijkheden, alsook en vooral omdat het volgens de stukken vaststaat, dat althans de stad tot het gebied der Heerlijkheid Batenburg behoorde, zoodat dus ook elk binnen den stadswal gelegen perceel binnen bedoelde grenzen is gelegen;

O. dat blijkens het tot dusver aangevoerde, het recht van den len app. tot heffing van krijtenden (in deze: varkens) tiend uit de huizen gelegen binnen de grenzen der voormalige Heerlijkheid Batenburg en dus ook uit de bedoelde perceelen van den geïnt. als voldoende gestaafd moet worden beschouwd, zoolang niet door dien geïnt. tiendvrijheid zal zijn bewezen, weshalve het door appellanten aangeboden nader bewijs niet met het oog op de vraag: of het ter zake dienende en afdoende is, behoeft te worden onderzocht, maar als in allen gevalle onnoodig kan worden voorbijgegaan ;

0. dat geïnt. zich ten slotte inderdaad op tiendvrijheid heeft beroepen en subsidiair te bewijzen heeft aangeboden, dat de bedoelde perceelen nooit aan krijtend tiend onderworpen zijn geweest en daaruit nooit varkenstiend is gekweten, zoodat dus de vraag ontstaat: of hij tot dat bewijs kan worden toegelaten ?

O. te dien aanzien, dat tusschen partijen is onbetwist dat de vroegere bewoner van het in de oorspronkelijke dagvaarding genoemde perceel no. 228 (zijnde het huis-perceel, waarin de bewuste varkens zijn geboren) was H. J. Drenth, polder-ontvanger te Batenburg, die schoonvader was van geïnt. en uit wiens nalatenschap na zijn dood in 1881, dat perceel aan geïnt., die het sedert bewoond heeft, is toebedeeld ; dat nu genoemde Drenth over de jaren 1844 tot en met 1846 alléén en over de jaren 1854 tot en met 1856, en 1857 tot en met 1859, in vereeniging met R. Melssen, den varkenstiend onder Batenburg heeft gepacht, terwijl hij later en wel in 1874, een perceel weiland van den vader van len app. voor den tijd van 8 jaren heeft gepacht, mede onder de hierboven vermelde clausule om jaarlijks eene toen voor hem op f 5 getaxeerde geldsom te betalen, als verschuldigd voor een tiende gedeelte van de door hem geteeld wordende jonge varkens, uit welk een en ander in onderling verband beschouwd volgt, dat geïntimeerde's bewering, als zoude uit bedoel perceel nimmer varkenstiend zijn gekweten, onaannemelijk en in elk geval voor bewijs onvatbaar is; terwijl daarenboven — aangekomen al dat er gedurende de jaren 1874 tot en met 1881, zoo al niet elk jaar dan toch doorgaans op het bewuste perceel varkens zijn geteeld (wat voor een beroep op tiendvrijheid door verjaring, als in casu, noodig zou zijn) dan toch juist over die jaren de tiend of, wat hetzelfde is, de daarvoor in de plaats tredende geldsom, welke geint. niet betwist, dat jaarlijks door zijn voorganger en rechtsauteur Drenth aan den tiendheffer is voldaan, door den eigenaar en bewoner niet alleen zou zijn erkend, maar tevens ook als jaailijks aan den tiendheffer gekweten zou moeten worden beschouwd; welk feit dus steeds een beroep op verjaring zou in den weg staan ook al ware geïntimeerde's bewering juist, dat hij zelf sedert 1881 elk jaar varkens heeft gefokt, doch nooit tiend hem is gevraagd, noch door hem is gegeven, en al werd bewezen dat, zooals geïnt. tevens stelt, Drenth ook dan geen tiend gaf, als hij niet gepacht had, hoewel hij ook in diejaren varkens lokte;

O. dat derhalve geïntimeerde's voormeld bewijsaanbod, als zijnde e niet ter zake dienende en afdoende, hem niet kan volgen ; e O. dat, nu de tiendplichtigheid is aangenomen aan de appel' lanten mede moet worden toegewezen hun eisch tot veroordeeling , van den geïnt., om tot vergoeding der waarde van den blijkens

- exploit van sommatie in Sept. 1891 geweigerde varkenstiend aan e den 2en app., als pachter van het recht tot heffing van den krijt tenden of varkenstiend onder Batenburg, over dat jaar te betalen

de som van f 10, welk bedrag door geïnt. niet is betwist en aan r het Hof niet bovenmatig is voorgekomen ;

i ^ O. ten slotte, dat door appellanten mede is gevorderd, dat de i in deze uit te spreken veroordeelingen op het tiendplichtige goed [ zullen kunnen worden geëxecuteerd en dat hetzelve daarvoor zal l blijven speciaal verbonden, doch dat deze vordering aan de appel-

- lanten niet kan worden toegewezen •

O. toch, dat hoewel in het oud-Geldersche tiendrecht — zij het , ook niet zonder tegenspraak — <je meening schijnt te hebben ingang gevonden (Cf. Schrassert, de Jure Decimandi IV, § 6), dat tienden zijn een „onus reale et rem ipsam afficiunt, ac fundo jure tacitae hypothecae inhaerent", gelijk ook later in art. 1830 i no. 4 van het Wetboek Napoleon ingericht voor het Koningrijk Holland, een dergelijk „recht van legaal verband" aan heffers van tienden werd toegestaan, deze regel, ook waar het gelijk in casu geldt oude tienden, thans niet meer kan worden ingeroepen, daar dergelijke stilzwijgende hypotheken, voor zoover zij niet kunnen , geacht worden, behoudens verplichte inschrijving in de openbare registers, gehandhaafd te zijn, wat met de beweerde onderwerpelijke zeker niet het geval is, van zelf als vervallen en afgeschaft moeten beschouwd worden tengevolge van de in 1838 bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek, aangenomen nieuwe regeling van het hypotheekrecht en het daarbij gehuldigde beginsel van openbaarheid, waarmede een stilzwijgend verband, als de appellanten bedoelen geheel onvereenigbaar is;

. dat overigens blijkens het overwogene der appellanten vorering zal behooren te worden toegewezen, weshalve zij zich terecht met het vonnis a quo, waarbij die vordering is ontzegd, ezwaard hebben geacht en dat vonnis dus zal moeten worden vernietigd ;

Op voorschreven gronden :

Rechtdoende in hooger beroep;

Verleent de gevraagde akte;

Gaat voorbij het van weerszijden gedane aanbod van getuigenbewijs, als zijnde deels overbodig, deels niet ter zake dienende en afdoende;

Vernietigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Tiel op 28 Oct. 1892 tusschen partijen gewezen, waarvan ten deze is geappelleerd ;

Verstaat dat de le app. is eigenaar van het recht tot heffing van den krijtenden (in deze : varkens) tiend uit de huizen gelegen binnen de voormalige Vrijheerlijkheid Batenburg;

Veroordeelt den geïnt. tot betaling aan den 2én app. van f 10 voor vergoeding der waarde van den vervoerden tiend;

Ontzegt den appellanten hunne bovenomschreven vordering tot speciale executie en verband op het tiendplichtig goed;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten van dit rechtsgeding, die, voor zoover zij van zijde der appellanten zijn gemaakt, worden begroot: in eersten aanleg op een bedrag van f 202.49", en in hooger beroep tot aan deze uitspraak op f 185.35.

(Gepleit voor de appellanten Mr. A. van der Gof.s, advocaat te Nijmegen, en voor den geïntimeerde Mr. P. Rink, advocaat te Tiel.) '

PERIODIEKE LITERATUUR.

VI.

Tijdschrift voor Strafrecht, VII, Afl. 3, 4.

Deze dubbele aflevering van het Tijdschrift, die veel belangrijks geeft op verschillend gebied van het strafrecht, wordt geopend met eene verhandeling van Mr. M. G. Tieboel van den Ham over Strafbedreiging en Straf-toemeting. Onder strafbedreiging verstaat de schrijver „ondanks de opmerking van Prof. de Vries" (ömidt, Gesch. I, 2e dr., bl. 214) ook „om het gemak der terminologie de strafpositie bij het door de wet als strafbaar gekenmerkte feit, onder straftoemeting het bepalen van de mate van straf in elk bijzonder geval. Het eerste is de taak des wetgevers, het tweede die des rechters, die daarin zoo vrij mogelijk moet zijn. De afschaffing van alle speciale minima in ons Wetboek is daarom een groot voordeel, en de speciale maxima die alleen „eene negatieve beteekenis" hebben „als verbodsbepalingen om een zwaardere straf op te leggen", belemmeren den rechter niet in de vrije uitoefening van z ij n e taak, althans niet meer dan noodig is, zal niet elke (wettelijke) maatstaf ontbreken „bij de beoordeeling van de verschillende gedaanten, waarin een bepaald feit zich vertoont". Niet het minst belangwekkende deel van des schrijvers studie is dat, waarin hij zijne gronden uiteen- ' zet voor de ontkennende beantwoording der vraag, of de 1 verhooging der strafmaxima bij de speciale misdrijven, op'grond ' van verzwarende omstandigheden en gevolgen, geen toemeting 1 van straf bevat, en verder zijne meening verdedigt, dat, terwijl de 1 wetgever tusschen strafbedreiging en straftoemeting streng onder- 1 scheidt, bij het ontstaan en later ook bij de uitlegging der wet 1 dat onderscheid niet altijd voldoende is in acht genomen. Zijné < beschouwingen dienaangaande vinden eene nadere, niet geheel f overbodige toelichting in een artikel, opgenomen in het P. v. ./. ' 14 Ju'i jl-, gericht aan het adres van Mr. D. Simons] wien < blijkens het P. v. J. van 3G Juni jl. „de pointe" was ontsnapt > van het ook ons in zijne strekking niet volkomen duidelijke be- I t0°g: „dat de verhooging der strafbedreiging door den wet- 1 gever geen verplichting — maar alleen eene bevoegdheid bevat < ^en rechter tot hoogere straftoemeting, en dat, wanneer de ' verhoogde strafbedreiging is gegrond op een zoogenaamd verzwarend gevolg (dood of zwaar lichamelijk letsel) van het gep eegde feit, bij de toemeting van straf dat (niet gewild) gevolg , aueen dan in aanmerking mag komen, wanneer de dader het bij u ^ e'ing heeft kunnen voorzien'. Wanneer nu uit de nadere oe ie ting van het betoog blijkt, wat daaruit mag worden afgeleid, dat de rechter, die bij de toepassing der straf gaat boven het gewone maximum, zonder juist aan te nemen, dat de dader et noodlottig gevolg zijner daad heeft kunnen voorzien, niet in ] Strijd handelt met de -wet, dan zijn wij het ook met Mr. Simons ( eens, dat dit betoog „geen redmiddel (biedt) aan hen, die" — 1 O. ï. ten onrechte — „bepalingen als in art. 300 Sr. zijn aange°c™en„ ™et eene goede opvatting van het schuldbegrip in strijd 1

Mr. Ph. Kleintjes komt in zijne verhandeling over het Gratie- !

recht des Komngs ten aanzien van bij rechterlijk vonnis in NederlandschIndie veroordeelden tot deze drieledige conclusie : 1° |!,> K -

bevoegd gratie te schenken aan den in Ned.-Indië veroordeelde die zich buiten die kolonie bevindt; 2». de Koning is niet bevoegd den in Ned.-Indië veroordeelde, die zich aldaar ophoudt gratie te verleenen ; 3°. art. 2 Iv. B. 13 Dec. 1887, Stbl. no 215 18..., .wat m Ned.-Indie veroordeelden betreft — alleen toenas' selijk in de gevallen, waarin de bevoegdheid des Koninss om gratie te schenken door art. 52 R. R. niel is uitgesloten pit I en III zijn van weinig twijfelachtigen aard; punt IIdaarentegen betreft eene belangrijke vraag van publiek recht, waarover Joo'

over dl VaU geVOelen keerscht. Daar wij echter onze meening over deze vraag, waaromtrent wij het geheel eens ziin met Mr Kleintjes, reeds hebben uiteengezet in W. no. 6363 bij de bespreking van de verhandeling van Mr. Margadakt over Gratie is het onnoodig daarbij thans verder stil te staan. '

Op een geheel ander gebied leidt ons de hoogleeraar Mr J Domela ieuwenhuis in zijn Terugblik op den strijd voor de in', oering der afzonderlijke opsluiting in Nederland, waaruit jongeren die dezen strijd niet hebben medegemaakt, veel kunnen leeren'

dLlWinaa^an ouderen> die daaraan in meerdere of mindere maté oeei lebben genomen, gaarne zullen getuigen : memimsse juvabit V "ekende hooggeachte voorstander van het gevangenisstelsel dat na een strijd, die geacht kan worden reeds te zijn aangevangen'

merhand' d°?!* de JetteI1 vaQ ^l, 1854 en 1871 langza¬

merhand voorbereide en daarom de» te zekerder overwinning be-

fi stt ?R«6NlnV°7lng Van hC' "ieuwe Wetboek van Strafrecht 1839 ón dft 'Jh ] -'an f' W" hier te Iande' »>ij name sedert i, ; Ketblf11 ln en buiten het parlement is voorgevallen

een betrekkelijk beknopt maar toch volledig, in aantrekkelijken vorm geschreven overzicht. De namen en geschriften van alle groote

IfwTrt ^ teSensJa?ders van de invoering van het stelsel van afzonderlijke opsluiting in Nederland vinden in dit overzicht hunne plaats. Wij verheugden ons daarin ook te vinden opgenomen het ware woord van een onzer beste juristen, wijlen Mr N. Olivier: „Al waren de deugden van het afzonderingsstelsel slechts negatief, al werkte het alleen uit, dat er in de gevangenissen geen scholen van onzedelijkheid meer bestonden dan reeds zou daardoor aan de maatschappij een gewichtige dienst bewezen zijn (1). Op niet minder prijs stellen wij het, dat de heer .Nieuwenhuis volkomen recht liet wedervaren aan het krachtige aandeel, gedurende een tijdvak van nagenoeg 40 jaren (1840— 1878), door den eersten hoofdredacteur van het Weekblad wiilen Mr. A. de Pinto, in de kolommen van dat blad genomen aan

vonr 1,1! t ^egen onze oude gemeenschappelijke gevangenissen en voor het stelsel van afzondering.

Na den Groningschen hoogleeraar is zijn TJtrechtsche ambtgenoot Prof. Mr. M. S. Pols op bl. 291—335 aan het woord met eene uitgebreide en hoogst belangrijke studie over de Hervorminn

f Strafrecht in Frankrijk. „Na lange voorbereiding" zoo

luidt de aanhef dezer bijdrage — „heeft de in 1887 in Frankrijk ingestelde commissie tot hervorming van den Code Pénal het ontwerp van een eerste boek, met het opschrift: Des injractions en general et des peines, en bevattende eene volledige regeling van het algemeene deel, voltooid". Het commissoriaal rapport dd. 13 Juli 1892, bevattende de toelichting van het ontwerp, is Prof. Pols, ondanks alle daartoe aangewende moeite, niet kunnen machtig worden, alleen vernam hij daarvan een en ander uit de tweede hand, nl. uit eene breedvoerige mededeeliug van den heer A. le Poitevin in de Revue penitentiaire (Febr. 1893), waarin ook het ontwerp zelf was opgenomen. De inhoud daarvan wordt ons nu na eene korte inleiding in negen hoofdstukken medegedeeld. De geachte referent heeft zich bij deze mededeeling niet streng gehouden aan de orde van het ontwerp, het algemeene deel van een nieuwen Code Pénal, dat duidelijk herinnert aan „het gewone model der nieuwe wetboeken" (ook van het onze, waaraan niet weinig is ontleend), maar met menige afwijking in de indeeling die eer oorspronkelijk dan gelukkig kan worden genoemd. De referent gaat dus min of meer zijn eigen weg bij de mededeeling van den inhoud van het ontwerp, hij herstelt daarbij de logische volgorde welke de commissie wel eens schijnt te hebben verlaten althans hij brengt bijeen wat om een goed inzicht in de zaak té krijgen bijeen hoort, al is het soms onder verschillende rubrieken van het ontwerp verspreid. Om de juiste strekking van de voor stellen der commissie te vatten is het dikwijls noodig — en dit geldt bij name het strafstelsel — het thans in Frankrijk »el dende strafrecht te kennen. Het zoude eene groote dwaling zii» te meenen, dat men daartoe den Code van 1810, voor ons een ouden bekende, maar heeft op te slaan, want het ging met dien bode, vooral met zijn strafstelsel, in Frankrijk evenals bij ons ilet geldende strafstelsel is in het vaderland ran den Code nu niet veel minder verschillend van het daarin vervatte dan het strafstelsel, dat in Nederland in 1886 plaats heeft gemaakt voor aat van het nieuwe wetboek. De lezers van het Tijdschrift mogen er dus den heer Pols dankbaar voor zijn, dat hij hen, tot beter begrip van wat thans wordt voorgesteld, in groote trekken op de hoogte stelt van de fata van het Fransche strafstelsel, zoowel op het papier als in werkelijkheid, wat niet geheel hetzelfde is (2) ■ot op heden. Ook aan eene opbouwende kritiek van den arbeid Ier commissie laat Prof. Pols het niet ontbreken. Wijt hij aan laar werk, hoe loffelijk ook in vele opzichten, eene zekere halfle'd' afwijkingen van een consequent toegepast stelsel, hii is mlijk genoeg om te erkennen, dat de commissie eigenlijk niet lansprakelijk is voor die afwijkingen, omdat het nietNvel mogeijk is in één slag, eenvoudig door wetten op papier, een einde e maken aan den treurigen toestand van verwarring en onstellelmatigheid, waarin thans de middelen van repressie in Frankrijk 'erkeeren. „In allen gevalle" —zoo besluit de referent zijne mede-

leeling en kritiek van het strafstelsel van het ontwerp zal

net de afschaffing van de travaux forcés, de transportatie e'n' de' ;ewone deportatie, eene betere toekomst voor de penitentiaire her'orming zich openen, omdat eene nieuwe en betere organisatie :n mnchting der strafgestichten in het moederland dan niet langer ene dringende, maar eene absoluut dwingende behoefte zal zijn".

De reeks der belangrijke opstellen in deze dubbele aflevering 'an het Tijdschrift wordt gesloten met eene analyse der interesante casuspositie, die aanleiding gaf tot, en eene kritische be-

ïli'')f)?Tvt,^endi aaD. de in W' no' 2745 opgenomen rede, door dr. Olivier als minister van justitie uitgesproken bii de verde

liging van Hoofdst. IV der Staatsbegroting van he dienst aa

8 :vrP:-;ergaderi:ig,der Tweede Kamer

?an 5 Juni 187V5°T £™/«endeels onuitgevoerd gebleven wet an 5 Juni 1875, die voorschreef, dat op alle veroordpplin(ron t„( :orrectionneele gevangenisssraf van een jaar of minder die onder ;aan moest worden in de departementale gevangenissen de cellulaire ipsluiting zou worden toegepast (bl. S15, 316). '

O. dat derhalve geïntimeerde's voormeld bewijsaanbod, als zijnde niet ter zake dienende en afdoende, hem niet kan volgen ;

O. dat, nu de tiendplichtigheid is aangenomen aan de appellanten mede moet worden toegewezen hun eisch tot veroordeeling van den geïnt., om tot vergoeding der waarde van den bliikens