is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1941, no 13, 25-10-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DUITSE GEEST VAN HET DUITSE BEEST

111 BEWUST STRIJDT, moet ” niet alleen weten waarom, maar ook: tegen wie. Laten wij ons daarrom niet langer diets maken, dat wij enkel strijden tegen Hitler en het nazidom; want dit is een illusie, die ons duur te staan zou kunnen komen. Nu reeds, tijdens de oorlog, omdat zij onze propaganda verkeerd richt, maar vooral na de uiteindelijke overwinning, omdat zij dan aanleiding zou kunnen geven tot een rammelende vrede, bijeengehouden door de slappe kleefstof ener misplaatste menslievendheid. Wij dienen ons er allereerst bewust van te zijn, dat een Hitler geen toevalsverschijning is, maar een volkomen logisch product van den Duitsen geest. Uit het hoofd van Zeus ontsprong volgens de legende Athene, de godin der wijsheid; en óp dezelfde wijze is een Hitler een onvermijdelijk uitvloeisel van het Duitse wezen.

Men kome nu niet met de tegenwerping aandragen, dat men persoonlijk zulke goede, lieve, gezellige, ontwikkelde Duitsers kent. Dezulken kennen wij allemaal—uit de vredesjaren. De afzonderlijke Duitser kan een moreel hoogstaand wezen zijn. Maar pak er tien op, prop hen in uniformen, sla hun de stalen kolbak op de hersens, zet ze op een rij en poot voor die rij een Feldwebel neer—dan marcheren ze automatisch in de ganzenpas weg en zingen zonder bevel

“ Deutschland ueber alles.” En dezelfde Dian, met wien ge zo juist een fijnzinnig gesprek over filosofie hebt gehad, heeft, zoodra hij nummer zoveel in de rij werd, nog slechts twee begrippen in zijn plotseling afgestompte hersens over, twee begrippen, die weergegeven worden door de typisch Duitse, en daarom onvertaalbare termen: “ Einsatzbereitschaft ” en “ Gefolgschaftsfreudigkeit.”

Dat is het grote, en' eeuwige gevaar: de Duitser is een volgzaam mens, zodra een prachtstuk van een kranige bruut hem voorgaat. Eenmaal marcherend, is hij tot alles in staat, en het rythme van den mars en het gevoel van het koude staal der wapenen, die hij met liefde hanteert, schijnen een soort razernij in hem te verwekken, waarvan de millioenen vemoorde en gemartelde Polen en Zuidslaven en Grieken en Russen en Noren en Nederlanders en Fransen en Tsjechen en Belgen het treurig gevolg zijn.

De oorzaak? Zij zit diep, en is niet in twee woorden te verklaren. Ondanks zijn krachtige basstem, zijn behaarde borst, waarmee hij boven

de Schillerkraag uit zo gaarne te koop loopt, en zijn overigens prijzenswaardige voorliefde voor krachtige en waaghalzige lichaamsoefeningen is de Duitse Germaan naar den geest een typisch vrouwelijk wezen: hij volgt graag en wil geleid worden. Bij gelegenheid spinnen wij dit motief wel in de lengte uit. Laat ik hier alleen, als zijdelingse toelichting, een der meest schokkende ervaringen uit mijn jeugd mogen vertellen.

Op een zomermorgen wandelde ik met een Duitse predikant, met wien ik bij dezelfde familie logeerde, over een Veluwse straatweg. Dichtbij een dorp, waarvan de kerktoren boven het geboomte uitstak, waren Nederlandse artilleristen met hun batterij aan het oefenen. De Duitse predikant keek vol diepe belangstelling toe, en begon mij weldra uitvoerig te verklaren, dat de kerels het helemaal verkeerd aanlegden. Neen, dan bij ONS, in Duitsland; daar wordt je beter afgericht! En met behulp van zijn wandelstok, een paar stenen en takjes en een haastig in het zand getekend

“ Vernichtungsplan,” zoals hij het noemde, begon hij mij haarfijn uit te leggen, hoe hij als batterijcommandant met een minimum aantal schoten en in recordtijd de kerktoren in elkaar zou kunnen schieten. Toen het woord “ Vernietigingsplan ” onbeschroomd uit zijn evangelische baard kwam daveren, schrok ik al danig; maar toen hij met afgrijselijke kalmte het denkbeeldig en verheven doelwit met het dopje van zijn wandelstok stond te bekogelen, vroeg ik met een benauwd stemmetje: “ Maar zoudt U . . . werkelijk die kerktoren kunnen beschieten?” Ik bedoelde “U, als predikant en Christen ”; maar dat dorst ik er niet bij te zeggen. De Man Gods keek mij met grote opgetogen ogen aan, en zei na enig nadenken: “Ja . . . als mijn kommandant het mij beval . . . dan natuurlijk! Befehl ist Befehl . . .” Ik moet er te zijner verontschuldiging bijzeggen, dat hij twee seconden aarzelde; en bovendien kwam hij uit een officiersfamilie. Maar op de weg naar huis werd er geen woord meer gesproken, en ’s avonds in bed heb ik er even om moeten huilen. Als twaalfjarig kind had ik mijn eerste grote morele schok gekregen: ik had, zonder het te beseffen, het ware Duitse wezen ontdekt.

En toen, op een kwade en onvermijdelijke dag, een dag, die alleen zo snel is aangebroken door onze eigen domheid en kortzichtigheid, maar die noodlottigerwijze komen moest, verscheen Hitler, het genie, genie van het kwade wel te verstaan, en hij

bracht, met diepe kennis van het eigen volk en met behulp van een weergaloos organisatietalent, de afschrikwekkendste kant van dit Duitse wezen tot zijn hoogste krachtsontwikkeling. Wij stonden belangstellend te kijken, terwijl hij de horden drilde, die hij volgens belofte gebruiken zou, om ons tegen het bolsjewisme te beschermen. Wat moet hij gebruld hebben, daar in Berchtesgaden, en bovenop zijn adelaarsnest daar bij Salzburg, terwijl zijn roofvogelblik langs onze weerloze struisvogelnekken heen over een stuk aardbol dwaalde, dat te grijp lag! Hoe goed kende hij zijn eigen kracht, en ons bangelijk egoïsme; onze besluiteloosheid, voortkomend uit beschaafde gemakzucht! En toen kwam de brute sprong: het graaien van den pantserklauw, die de een na den ander neersloeg; en als het Kanaal er niet geweest was, en die paar honderd roekeloze jonge kerels in hun Spitfires . . .

Maar nu zijn we wakker; nu zijn we aangegord ten strijde. Ons keurig straatje grensde jarénlang aan het Germaanse oerwoud, waaruit een heidens Walhallagebrul opsteeg, terwijl wij onbekommerd onze grintjes rechtharkten. Maar nu, in de bezette gebieden, worden zelfs hark en grint als Davidswapenen gebruikt tegen den overweldiger; en de Goliath staat er stomverbaasd van.

Ja, in de bezette landen weten ze nu drommels goed waarom, en tegen wien ze vechten. Maar ik spreek tot de Nederlanders buiten het bezette gebied, die juist omdat ze de Duitse druk in al haar afgrijselijke zwaarte niet aan den lijve hebben gevoeld, het ware Duitse wezen nog niet voldoende hebben kunnen doorgronden. Achter Hitler staat, in trouwe en blinde gehoorzaamheid, het Duitse leger; en hoe men het kere of wendt: het Duitse leger is het Duitse volk; het is de samenvatting van hét ware Duitse wezen, met al zijn doodsverachting en al zijn sadisme.

Op de dag der afrekening zal het feit, dat uit dit Duitse volk een nazipartij voortkwam, die de richtlijnen aangaf voor de mensonterendste liederlijkheden, slechts als verzwarende en welhaast bijkomstige omstandigheid op de acte van beschuldiging moeten verschijnen. Neen, de openbare aanklager zal de stem van het wereldgeweten moeten verheffen, om de verschrikkelijke woorden uit te roepen: “Ik klaag aan: De Duitse Geest van het Duitse Beest!”

A. DEN Doolaard.

Deze ruimte is aangeboden door de N. V. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië