Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer droevig gestemd, omdat het zoo’n schande is en omdat zij denkt te sterven tijdens de haring. Zij zit bedroefd rond te kijken, huilt, wanneer men haar aanspreekt, weigert voedsel, heeft zelfmoordgedachten. Zij slaapt slecht, ziet ’s nachts witte gedaanten en geesten. Nu en dan is zij zeer suf en absent, dan weer is zij helder van geest. Zij wordt 26 Maart opgenomen en bevalt 8 Augustus. In dezen observatietijd wordt eerst voedsel geweigerd, later is de voedselopneming ruim voldoende en neemt het lichaamsgewicht toe. Onder gebruik van 100 mgr. pulvis opii pro die verbetert de depressie, en begint zij te praten en te lachen met de andere patiënten. 20 April laat de psychische toestand weinig abnormaals meer herkennen. 10 Mei mag zij opstaan. Zij is zeer ijverig en onder het werk verdwijnt het laatste spoor van depressie; soms is zij nog wat schuw. 8 Augustus bevalt zij na een haring van 7 uren spontaan vaneen 2880 gr. zwaar kind, dat aan de horst goed groeit. Na de haring is patiënte wat beverig en huilerig, maar is volkomen bij haar bewustzijn en bedaart spoedig. Na een ongestoord kraambed wordt zij den 23sten dag p.p. ontslagen in goeden toestand. Haar psychische toestand is normaal, zij schrikt niet meer zoo spoedig en is veel minder schuw en stil geworden. No. 6. Toe. 1910 n°. 91. 24 j. Y p. met een vernauwd bekken. 0. D. 11.3 Bylicki 9 cM. De vorige partus hebben onder leiding der verloskundige polikliniek plaats gehad. De eerste eindigde spontaan, bij de 2e en 4e zakte de navelstreng uit, waardoor het 2e kind dood ter wereld kwam. De 3e zwangerschap eindigde als abortus. Bij haar opneming 25 Pebr. waren in beide longen rhonchi te hooren, welke 4 April verdwenen waren; het hartwas normaal. Inde urine veel leukocyten, welke spoedig in aantal verminderden. Over haar vroegeren psychischen toestand is niets bekend; laatste menses 8 Juli, 3 weken vóór haar opneming, d.i. in begin der 8e zwangerschapsmaand, is zij ziek geworden. Zij wordt van 25 Febr. tot 6 April inde zwangerschap inde kliniek verpleegd. In dezen tijd heeft zij voortdurend allerlei onbepaalde pijnen, waarvoor geen anatomische oorzaak is te vinden. De pijnen zijn gezeteld inden rug, trekken over de schouders naar de borst en het hoofd en den linkerarm. Drukking op ribben en wervels wordt als zeer pijnlijk aangegeven. Zij is reeds sedert eenigen tijd zeer gedeprimeerd, huilt voortdurend, meent, dat zij aan de kwaal zal sterven, dat zij het erg aan de longen heeft. De psychische toestand is van hypochondrisohen aard. Drukking op het hoofd is zeer pijnlijk; wordt zij echter afgeleid, dan bemerkt zij niet veel ervan. Ook beweert zij niet te kunnen zitten in bed door de pijn; zij richt

15