is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1929, 15-12-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mandje. „Maar de zaken gaan niet best,-hè?" Kom, pak aan!" Hij probeerde het geld in haar hand te laten glijden!" maar weer ontweek zij hem. ,,Dat kind heeft karakter!" dacht hij bewonderend. „Luister nu eens," zeide hij luid op. „Over een maand is het Kerstmis. Nu, denk maar, dat dit een vervroegde Kerstgave is. U zult toch niet weigeren?"

„Ik kan het heusch niet aannemen, heusch, ik kan niet," zeide zij smeekend. „U bent toch al vriendelijk genoeg geweest voor mij. Nu ben ik weer heel in orde." Zij deed een stap op zijde, om haar mandje van het hek te nemen, en als spottend met haar geest van onafhankelijkheid, kwam er een dolle windvlaag op hen losgestormd. Zij huiverde onder de kracht van den wind, terwijl ze probeerde, haar mandje los te haken, en dadelijk daarop viel het uit haar verstijfde vingers De jonge agent schoot toe en greep haar arm.

„Zoo aanstonds ga je weer," riep hij. „Zie je wel ,wat heb ik je - gezegd?" voegde hij er bij, toen het meisje zich opnieuw onmachtig aan zijn arm vastklampte. „Ze heeft gebrek aan eten, dat is de kwestie," zeide hij tot Nigel.

„Ja, en geld om voedsel te koopen wil ze niet van mij hebben. Een trotsch kopje, agent!"

„Er zijn er meer onder die bloemenmeisjes, meneer, zoo echt zelfstandig en fier."

Nigel dacht na. „Weet je wat," zei hij op eens; „ik kan haar zoo niet aan haar lot overlaten. Ik hou wel van dat soort en ik woon hier vlak over met mijn tante, die mijn huishouden doet. Breng het meisje in mijn huis, dan zullen we eens zien, of er wat te eten is en of we een behoorlijk warm kopj^ thee kunnen krijgen. Tante is nogal een sportieve dame: 't kan haar niets schelen. Watblief? Kun je het meisje alleen dragen, agent?"

De jonge agent glimlachte. „Net zoo licht en gemakkelijk als een kind," zeide hij: Toen bukte hij en nam het meisje voorzichtig in zijn armen.

„Flink zoo! Vooruit nu maar. O," Nigel keerde om: „haar mandje nog." Hij maakte het van het hek los en hing het aan zijn arm. „Nij zijn we klaar. Deze kant op."

Een half uurtje later sloot juffrouw Margaret Wickens, Nigels tante, de keukendeur en ging naar de zitkamer, waar haar neef zich bevond. Hij zat bij het vuur en keek op, toen zijn tante binnenkwam.

„Wel, tante Peggy (Engelsche afkorting van Margaret), hoe voelt ze zich nu? Het spijt me, dat ik u zoo onverwachts lastig moest vallen, maar als u het arme kind daar gezien had, buiten in dien kouden wind "

„O, 't is best, hoor, Nigel," verzekerde zijn tante. „Ik ben blij, dat je 't arme meisje hebt binnen gebracht. Ik heb thee voor haar gezet, een paar eieren voor haar gekookt en daarna heb ik ze alleen gelaten. Ik moest er niet omheen blijven draaien, alsof ik de wacht hield, begrijp je."

Nigel knikte glimlachend. „Net iets voor u, tante Peggy, om zoo iets te denken," zei hij op warmen toon. „Ga even zitten? Zijt u al iets van haar te weten gekomen?"

Tante Peggy liet zich in een stoel tegenover hem neervallen. „Haast niets," antwoordde zij. „Maar ze heeft gebrek, dat is duideijk."

„Hm Een trotsch kindje, anders! Vijf shilling wou zij niet van mij hebben. Ja, het is zoo! Weet u haar naam?"

„Zij heet Netty."

„Netty ,en hoe verder?"

„Enkel Netty, zei ze, toen ik naar haar familienaam vroeg."

„Zoo, zoo! Nu, tante Peggy, voor zij weggaat, brengt u haar nog even binnen, hè? Ze zal toch wat van mij moeten aannemen. Die agent, die haar hier binnendroeg, lijkt me ook een heel geschikte kerel!"

• „Ja," antwoordde tante Peggy met een lachend knikje, „er zijn nog wel goede menschen óók op de wereld. Nu, ik ga eens kijken, hoe het met ons kindje is." Met deze woorden stond zij op, om naar de keuken te gaan.

„Heel best, tante Peggy. Breng haar maar binnen, als zij klaar is."

Zijn tante knikte en verÜet de kamer. Een oogenblikje later keerde zij met Netty terug, en Nigel was getroffen door de opmerkelijke verandering, die wat voedsel en warmte in het meisje hadden teweeggebracht. Tenger, verbazend tenger leek zij nog, maar een zwak kleurtje lag op haar wangen, en die kleur werd nog hooger, toen zij verlegen opzag naar Nigel, die opgestaan was, om haar te begroeten.

„Dat lijkt er beter op," verwelkomde hij haar. ,Hoe gaat het er nu mee?"

„Heelemaal in orde, meneer, en ik moet u en

de dame wel heel hartelijk bedanken," zeide zij op schuchteren toon.

„Ja, ja, dat is al goed, hoor!" viel hij haar in de rede En luister nu eens: je bent bloemenverkoopster, nietwaar?" • •

„Ja, meneer O, mijn mand!" riep zij opeens.

„Die staat in de gang. En hier heb je wat, om de mand te vullen. Een pond." Hij drukte haar een bankbiljet in de hand. „Dat is nu eens géén aalmoes: ik leen het je, begrijp je?"

„Bedoelt u, dat ik het terug geven mag?"

Nigel glimlachte. „Ik zal erg boos zijn, als je het niet terug betaalt. Je weet nu, waar we wonen en ik hoop, dat je eens zult komen aanloopen, om te vertellen, hoe het gaat."

„O, ik zal het teruggeven, heel zeker!" klonk het vurig.

„We weten het wel, nietwaar, tante Peggy?"

Tante Peggy knikte. „Dat komt in orde, hoor, Netty." 't Meisje keek van den een naar de ander; vergeefs poogde zij haar tranen terug te dringen. „Ik ben anders niet gewoon, te schreien," zeide zij door haar snikken heen; „maar u en mevrouw..."

„O, dat 's nog niemendal! Wacht maar eens, als je dat geld niet terugbetaalt: dan gebeurt er wat, hoor! Dus je mag 's avonds na zessen wel eens aankomen en goed nieuws vertellen. Veel succes, Netty!"

Zij deed een stap vooruit, om de aangeboden hand te drukken; toen zij zich omkeerde, viel haar oog op een portret, dat op den schoorsteen stond: een meisjesportret. „O," zei Netty, op het portret toegaande: „Wat is dat een lief meisje!" — Zij zag niet, hoe Nigel opeens bloosde en aan het raam ging staan. Ze was verloren in de beschouwing van het portret.

„Netty!" zei tantè Peggy, ineens wat scherp.

„Ja, juffrouw?"

„Je moest nu maar liever gaan!"

„Ja, juffrouw."

Zonder verderen omslag leidde tante Peggy het meisje de kamer uit. Bij de deur keek Netty nog even om naar Nigel: hij stond héél stil uit het raam te staren. Hij leek zóó veranderd: er moest iets gebeurd zijn, dat hem boos gemaakt had. Netty's gelaat betrok: zij gleed de kamer uit met een vaag gevoel van spijt.

Toen tante Peggy in de zitkamer teruggekeerd was, liep zij rusteloos het vertrek rond, verlegde hier dit, veegde daar een denkbeeldige vlek weg, terwijl haar oogen telkens naar het portret op den schoorsteen dwaalden, en dan weer naar de stille gedaante aan het venster. Zij moest dat stilzwijgen toch afbreken: -'t werd haar te machtig. Eindelijk kwam zij bij Nigel staan: „Nigel," sprak zij, „ik kan het niet helpen, maar ik moet er over spreken. Allang heb ik gezwegen: nu, dat kind, Netty, kijkt even naar de photo van Enid en gij Nigel, hoe lang zal dat nog duren, die nare verwijdering tusschen jelui? Je hebt verdriet om haar: ik kan het niet langer aanzien."

„Och, beste tante Peggy, daar moet u niet om treuren."

Zij schudde het hoofd. „Dat kan zoo niet bij ven. Waarom sluit je geen vrede? Wil een van tweeën den eersten stap niet doen?" Zij keek hem vast in ht gelaat. „O, die trots, die dwaze trots!' sprak zij, terwijl zij zijn arm nam.

„Dat hebben wij allen, zelfs die kleine Netty. Die is "

„ik praat niet over Netty, maar over Enid. Nigel als. je karakter genoeg had, en ja, en liefde genoeg, om den eersten stap te doen naar 'n verzoening, dan..." Zij drukte zijn arm zachtjes in den hare. „Kerstmis nadert, Nigel: laat die heilige tijd niet in bitterheid en hartepijn verstrijken. Maak vrede, Nigel!"

„Je bent een lief tantetje," zei hij:

„maar het helpt niet. Ik kan hij brak opeens af en staarde weer uit het venster.

„Hallo, Netty. Ik dacht al, dat het jou belletje was."

„Hebt u geen belet?"

„Heelemaal niet, hoor! Trippel maar naar de zitkamer: je weet den weg."

„O, ja, reken.maar, hoor!"

Nigel bracht Netty binnen. Het was nu twee weken geleden, dat de agent haar had binnengedragen, en het leek onmogelijk dat dit frissche, dartele bloemenkind hetzelfde meisje was als het uitgeputte schepseltje, dat veertien dagen geleden zich aan het tuinhek vastklampte. Netty's bedrijf was schitterend gegaan. Zij had een mooi hoekje gevonden, en haar bloemenmand was eiken dag overvol frissche bloemen, en raakte ook eiken dag weer ledig.

„Zoo ,en hoe gaat het met de zaken, Netty? vroeg Nigel.

„Fijn, meneer!"

„Mooi! en die aardige agent, Underwood, heet hij zoo niet? — zorgt hij goed voor je?"

Het meisje glimlachte, blozend. „,Ja, hoor, altijd sinds "

Nigel had schik. „Altijd, sinds meneer de agent van politie Underwood dien avond voor het huis heen en weer draaide; hebben jelui de kennismaking voortgezet, niet waar? Goed zoo, Netty: blijf altijd maar goede vrienden met de politie, hoor!"

„Goed, en aardig, dat hij voor me geweest is!" hernam Netty vurig. „Hij heeft ook dat mooie hoekje voor mij opgezocht aan den weg naar Kensington: de bloemen vliegen er uit mijn mand."

Nigel knikte. „Ja, dat weet ik. Heerlijk, hè?"

„En nu kom ik u een beetje meer dan anders afbetalen, meneer Nigel," zei het meisje, terwijl zij hem een papiertje gaf met drie shillings er in.