is toegevoegd aan uw favorieten.

Groot-Rotterdam; geïllustreerd weekblad voor Zuid-Holland en Zeeland, jrg 8, 1930, no 37, 28-11-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rotterdamsche Kroniek

Maandag. Hoe toevallig de dingen toch kunnen samenloopen! Net een paar dagen geleden vond ik m’n neefje Jaap huilend thuis zitten met een verkoudheid. En op mijn vraag, waarom hij zoo’n verdriet had, bleek het, dat hij zoo graag naar school wou I Ik trachtte hem op mijn manier te troosten met de opmerking, dat een vrije dag toch óók zoo kwaad niet was. In onzen tijd hadden wij er zelfs allerlei drankjes en bittere pillen en de hemel weet wat nog meer voor over, om een dag weg te mogen blijven uit het min of meer ongezellige lokaal met den strengen meester, voor wien we een niet geringen schrik hadden. Maar Japie scheen me niet te begrijpen. Zijn school wós niet zoo naar en vervelend, zei hij en meneer onderwijzers heeten tegenwoordig „meneer” was de kwaaiste nog niet. Zei ik u al niet, hoe toevallig de dingen kunnen loopen ? Net vandaag kreeg ik een uit- . noodiging van mijn vriend Ijzersteen, den makelaar, om met hem mee te gaan naar de opening van een nieuw schoolcomplex aan den overkant, namelijk in de Zwarte Waalstraat, waar zijn drieling, twee jongens en een meisje, die toevallig even oud zijn, de vreugde en het geluk van één der onderwijskrachten zullen uitmaken. En aangezien Arie niets beters te doen had, is hij meegehobbeld. En ik moet zeggen, dat ik bij nader inzien Japie gelijk geef. Mooie, ruime schoollokalen, meesters die meer begrip van kinderen hebben dan in den „goeien, ouwen tijd” van plak en ezelsooren en vele moderne leermiddelen. En wat kan wethouder de Groot mooi spreken I En welk een mooi wit sikje heeft hij I Het werd een heel geslaagde middag, en de ouders boden, uit louter belangstelling, de school een projectielantaren aan. Dat is nog eens wat anders dan in den tijd, dat de schoolmeester tegelijkertijd de functies uitoefende van doodgraver, klokkenluider, gemeentebode, brugwachter, barbier, kiezentrekker, en wat dies meer zij.

Dinsdag. „Meneer,” zei Pieter, toen ik met een opgewekt gezicht onze befaamde gelegenheid aan den Coolsingel binnenstapte, „meneer, wat was dat nou jammer, dat u vanavond niet bij de Batavier was, toen Zus Braun vertrok en Jeanne Grendel en Puck'^''^Oversloot en Coba Huybers. Heelemaal "iiaar Zuid Afrika gaan ze. Ver, hö 1 Een van die meisjes, ik ben nog met haar op school geweest, heb ik nog even gesproken ook. Ik zei zoo : ..Kind, is er nou in heel Holland geen water genoeg om in te poedelen ?” En weet u wat ze zei ? „Het is nie om die water nie,” zei ze, in vloeiend-Afrikaansch! „Waarom is het dan,” vroeg ik. „Het is, omdat ze in Afrika nie sél denk nie, dat die rooinek die eenige is, die van sport weet en om te laat sien, dat wij in sport nie achterstaan nie.”

Nou meneer, ik heb gezegd : „Zorg maar, dat je nie ongelukkie krijg nie en nie door die krokodille wor opgegeet nie!”

Woensdag. De Nationale luchtvaartschool bestaat drie jaar en in dien tijd hebben ze een dertig gebreveteerde aviateurs afgeleverd of gemiddeld tien per jaar. Veel is dat nog niet. Wel natuurlijk, als men nagaat, dat vijf en twintig

De ..Sint" luistert, op den Stationsweg, aandachtig naar het klinkende spel der straatmuzikanten. En de jeugd is natuurlijk van de partij!

laargaëeënaëmënsclën nog niet erg veel geloofden van de mogelijkheid om te vliegen, maar we leven nu eenmaal snel. De eerste zakenman, die in zijn eentje naar Insulinde hakkepofte door de lucht, is daar inmiddels veilig aangekomen en naar verdienste befuifd. En de eerste sportvlieger, die met zijn toestel naar zijn werk gaat en ’s avonds gezellig terugvliegt, hebben we ook reeds in den persoon van den heer Van der Leeuw van Van Nelle. Als men nagaat dat we een anderen heer van der Leeuw het z.g. electrische huis aan den Kralingsche Plas danken, dat alle moderne techniek in zich schijnt te vereenigen, dan lijdt het geen twijfel, of de heeren Van der Leeuw vormen wel een der meest vooruitstrevende families, die Rotterdam op dit moment rijk is.

Donderdag. „Sinterklaas” gevraagd, vrij van sterken drank en met kinderen kunnende omgaan. Z.g.g. onnoodig zich aan te melden. Br. no etc.” Dit had mijn echtgenoote in een van de dagbladen gevonden en ik moet zeggen; de ontsteltenis, waaraan mijn vrouw ten prooi was deelde zich onmiddellijk aan mij mee. Arie is ten slotte een eenvoudige man. Heelemaal geen hoogvlieger of zoo en toen zijn kinderen al lang de meening waren toegedaan, dat Sinterklaas een fictie was, bleef Arie zelf, diep in zijn hart, gelooven dat.... enfin.... maar ,vrij van sterken drank” 1

„Ja,” zei mijn vrouw, „dat komt, omdat ze een paar jaar geleden een paar „Sinterklazen” naar de Paauwensteeg hebben gebracht, die woorden hadden gekregen. De een schijnt toen den ander zijn mijter over zijn oogen en een gat in zijn hoofd te hebben geslagen en de ander,- die het er niet bij wilde laten zitten, had zijn concurrent „geschept” en drie tanden verwijderd uit diens mond. En op het politie-bureau moet wel gebleken zijn, dat de drank ook hier weer....”

Maar dat men speciaal een „Sinterklaas” oproept, die met kinderen kan omgaan, lijkt me toch een beetje overdreven. Ze schijnen bang te zijn, dat ze er tegen een aan konden loopen, die niet van kinderen houdt en de arme stumpers zal mishandelen !

Ja en dan die goede getuigschriften nog. Erg veel vertrouwen, dat „Sinterklaas” zijn handen thuis kan houden,schijnen ze ook al niet te hebben. Nu is het natuurlijk niet prettig voor een winkel te bemerken, dat de „goede Sint” in zijn vrijen tijd eenvoudigweg alles in zijn zak steekt, wat niet spijkervast zit....

Op dit oogenblik werd ik onderbroken door mijn echtgenoote. „Hier is je soep,” zei ze, „en probeer nu eens wat verstandigs te zeggen....” Vrijdag. Er loopen geruchten, dat de bouwpolitie voornemens is, de Doelzaal af te keuren. Er zou dus geen enkel concert meer mogen worden gegeven en we moeten maar zien, waar we zoo gauw een andere concertzaal vandaan halen! Neen, buitengewoon verwend op muziekgebied zijn we hier nog altijd niet. Ik wil niet zeggen, dat de behuizing in het hartje van onze stad, met de stallen en kippenhokken en hooizolders, nu bepaald een ideale omgeving was voor muziekuitvoeringen, maar we deden het er mee. Trouwens onze vaderen en grootvaderen ook en vermoedelijk nog wel een paar geslachten terug, want er zijn pessimisten, die beweren, dat de Doelen dateert uit den tijd van Jacoba van Beieren en dat er na dien tijd nooit meer iets aan het gebouw en voor het muziekleven te Rotterdam is gedaan.... En als er nu zelfs geen concerten meer kunnen worden gegeven, wordt het toch inderdaad meer dan tijd, dat op het mooie lapje grond, dat daar zoo subliem in het centrum van de stad ligt, een concert-gebouw wordt gebouwd, dat klinkt als een k10k.... Hoeveel werkloozen zouden er mee zijn gebaat!

Zaterdag. Wie zal nu nog betwijfelen of Rotterdam een wereldstad is ? Daar hebben we waarlijk een nachtvoorstelling gehad, alsof we echte Londenaars waren of zuivere Berlijners! En nog wel een voorstelling van de filmliga, de vooruitstrevende menschen op filmgebied, die de film om zoo te zeggen willen zuiveren van bijgeluiden. „Kunst” brengen dus en al lijkt die kunst wel eens wat erg op het dada-tijdperk in

Een haiielijk „tot weerziens" roept en wud* men de koene zwemsters bij hun vertre* naar Zuid-Afrika toe.

andere kunstuitingen, het strevcC dient gewaardeerd. U denkt miS' schien, waar haalt Arie Zwartkijkef ineens die wijsheid over kunst vah' daan, maar Marietje Zwartkijker ook niet mis, als ze begint, en als van de Liga had ze ook mee genomen. Zoo gaat het tegeh' woordig! Je mag al heel blij zijn, al® je eens met je dochter mee mag naaf de bioscoop 1 Enfin, het begon oH’ twaalf uur ’s nachts met een rede. AH®® schijnt te moeten beginnen met eef rede, zelfs als je komt om te kijken niet om te luisteren. Maar uit di® rede bleek, dat meneer Tuschinsky van plan is een z.g. avantgarde-théStf** te openen in Rotterdam, een bioscooP dus, waar ze alleen maar van di® „liga-films” draaien. Dus dat wet®’’ we ook al weer. En de films ? Daa® kom ik nog wel eens op terug.. • • AR>^

De tweede stad van Nederland, in menig opzicht bekend en beroemd over de geheele wereld, bezit geen concertgeiegenheid meer, daar de groote Doelezaal en de foyer op last der bouwpolitie zijn gesloten I Laten we ons niet te veel ergeren, maar vurig hopen op ’n concertgebouw, Rotterdam waardig. De spoedige bouw daarvan levert prachtige en nuttige wcrkverschaffingt