Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

^^^^EN^EM^ANDSCHE STEM

voou

N\ 5.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

i n i •• lï^t o-i'lnnf is uit

"DIK *3 WDNn

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 4 Februarij.

liet geloof is uit liet «relioor.

Kom. X : 1.

1 7".^., TTTi. week. I Akmne^ntsprijs per kwartaal / 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentie is van 1—5 regels/1,-

De uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt gerege unnPTT fr 0° ' elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers i i ——— . —

Bij dit blad behoort een BIJVOEGSEL.

INHOUD: Aanteekeningen. — Over de opvoeding in het gezin.— Spanje. — Philanthropie. Jongelingsvereeniging. — 'Zending. — Liefdegaven.

Zonde en smart.

Toen zeide David tot den bode: Zoo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uwe oogen, want het zwaard verteert zoowel dezen als genen: versterk uwen strijd tegen de stad en verstoor ze; versterk hem alzoo, enz.

II Sam. XI: 25 en XII: 13—15.

Niet alleen Joab en zijn broeder Abisaï hadden oorlog gevoerd met de Ammonieten, maar David zelf waf? fpcrpn rla Rvriftrs mt>

«7

getogeii, versloeg ze, en noodzaakte de volken, die zich bij den koning der Syriërs hadden gevoegd, om vrede met Israël te maken en hen te dienen, terwyl de Syriërs na de opgedane ondervinding vreesden in het Terrolg den Ammonieten bijstand te Terleenen. De Ammonieten nu werden wel is waar vernederd, doch zij begaven zich in hunne vaste plaatsen en trachtten van achter deze vestingen de Israëlieten gedurig te bemoeijelijken. Daarom moest de oorlog tegen hen voortgezet en volgehouden worden totdat Rabba ten minste veroverd was. David zond dan ook Joab, zijn krijgsoverste, en 7,iiiie knechten en ffansch Israël, doch

O I

hij zelf bleef achter te Jeruzalem. Na de door hem opgedane ondervinding van de magt van zijnen persoonlijken invloed, had hij zich zeer zeker in het midden van zijn leger moeten begeven en zich aan hun hoofd plaatsen, dat zoude dan de plaats van eer' en pligt en veiligheid geweest zijn. Ongelukkigerwijze verkoos hij de rust en het gemak, dat zijn paleis te Jeruzalem hem aanbood, boven de vermoeienissen en pligtbetrachting van het kamp; en wat slechts een klein verzuim scheen te zijn, en wel een nalaten van een pligt, die niet van overwegend belang was, want Joab was volkomen in staat het opperbevel op zich te nemen, werd de aanleiding tot een diepen val, eene oorzaak van zware zonde en groote smart. De weg van pligt, de weg van getrouwheid en Efehoorzaamheid is de nlaats.

O X 7

waar de Heer zich vaak aan de Zijnen heeft geopenbaard, even als de engelen den herders op de velden van Bethlehem, alwaar hunne kudden weidden, zijn verschenen, en de verrezene Christus tot de Zijnen gekomen is als zij aan de zee van Tiberias vergaderd waren, om door visschen in hunne eigene behoefte en die der hunnen te voorwen; maar de weg der nalatigheid en zorgeloosheid is menigeen tot een valstrik geworden, gelijk aan David is gebeurd, toen hij tegen den avondtijd van zijne legerstede opstond en in de koelte van den avond op het dak wandelde. Aldaar zag hij eene schoone Vrouw, de huisvrouw van Uria, den Hethiet, die wel van Kanaanitische afkomst

^as, maar tot de uitnemendste officieren van het leger behoorde. De schoonheid der vrouw ■wekte in hem de begeerlijkheid des vleesches °P, en weldra werd het onmogelijk de vrucht der zonde te verbergen, en Bathseba stond bloot aan het grootste gevaar, daar zij volgens de wpt. ron Mhtm als fifVhthrfifikstftr

gesteenigd moest worden. Eene poging door David gedaan, om Uria te bewegen huiswaarts te keeren, tot Bathseba in te gaan, en aldus hare schande en Davids schuld te verbergen, mislukte; en nu ging David zooVer, om Joab te bevelen, Uria op eenen gevaarlijken post te stellen, en alzoo hem ^00r het zwaard der vijanden te doen vallen. Joab, die welligt wist wat geschied was, misschien ook niet, en eenvoudig het bevel des konings gehoorzaamde zonder verder naar de oorzaak van het vreemd en wreed bevel onderzoek te doen, gehoorzaamde, en wel¬

dra bezweek Uria, bij eenen aanval uit de stad. Het leger van David werd geslagen , maar ook Uria viel, en Joab zond een bode aan den koning met het treurig berigt; maar gaf den bode last, om zoo de grimmigheid des konings van wege het geleden verlies mogt opkomen, zijn verhaal met de woorden te besluiten: »Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood," wel wetende dat de koning zoozeer gesteld was op den dood van dien man, dat het sneuvelen der anderen hem op dat oogenblik niet zou deeren. Joab had gelijk, hij kende het mensclielijk hart en den wensch van den koning, en David zeide dan ook: »Zoo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uwe oogen, want het zwaard verteert zoowel dezen als genen, versterk uwen strijd tegen de stad en verstoor ze." De boodschap van David zoude onder andere omstandigheden zeer zeker gansch anders geluid hebben; maar nu de wensch zijns harten, om Uria uit den weg te ruimen, bevredigd was, nu k'on hij over het geleden verlies spreken alsof er niets buitengewoons gebeurd was, en men het zich dus

o

ook niet bijzonder behoorde en behoefde aan te

trekken. Er is volstrekt niets ongehoords m het gedrag van David; zijn tegenwoordig antwoord is het gevolg ran zijn vroeger zondig gedrag, even als dat de vrucht is van ziin zondig verzuim en van een heiligen

pligt, die op hem rustte. Hij was tot den moord

van Uria genoodzaakt, niet uit wraakzucht of wreedheid, maar eenvoudig omdat hij het leven van Bathseba niet wilde prijs geven. Door de echtbreuk met haar was hij in de ontzettende noodzakelijkheid gebragt, om öf Bathseba te doodenof Uria; en men kan gemakkelijk begrijpen dat hij het laatste boven het eerste verkoos. David was in zekeren zin in dezelfde positie gebragt als later Herodias tegenover Joliannes den Dooper.

Deze had tegen haar getuigd en den vorst gewaarschuwd, dat het hem niet geoorloofd was met haar te leven. Zij moest vreezen dat Johannes op Herodes, die hem hoogschatte en gaarne hoorde, invloed zou uitoefenen en zij dus hare plaats aan het

hof zou kunnen verliezen, en zoo niet in armoede gerakenalthans den naam van

vorstin moeten derven, loen haar nu door hare dochter Salome eene gelegenheid aangeboden werd, om van Herodes alles, tot zelfs de helft van het koningrijk te kunnen verkrijgen, koos zij niet zilver of goud, maar het hoofd van Johannes den Dooper, en wel, niet slechts omdat zij door hem beleedigd zijnde, zich op hem wilde wreken, maar omdat zij begreep dat hare verhouding tot Herodes

twijfelachtig, ja bedreigd was, zoolang de Dooper leefde, en hij zijne stem tegen haar huwelijk kon verheffen. Was daarentegen Johannes dood, en had Herodes niemand naast

zich, die hem het ongeoorloofde van zijn huwelijk onder het oog zou kunnen brengen,

dan was zij meesteres van Herodes, en daarmede niet slechts van het halve, maar van het geheele koningrijk. In elk geval, haar echtbreuk noodzaakte haar tot het vermoorden van Johannes den Dooper, even als David door zijne echtbreuk met-Bathseba gedwongen werd Uria te doen vermoorden. Er is eene wonderbare magt in eene conse¬

quente uitvoering van de beginselen van regt en waarheid, maar er is ook eene ontzettende kracht in de logica der dwaling en zonde, en wanneer men den eersten stap op den weg der zonde heeft gedaan . dan wordt men veelal met vreese-

lijke kracht voortgestuwd, en kan slechts tot stilstand gebragt en voor geheelen afval en

eeuwig verderf gered en bewaard worden door de kracht des Allerhoogsten.

Als nu de huisvronw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zoo droeg zij leed over haren heer, waarschijnlijk ge¬

durende eene maand. En als de rouw was zw overgegaan, zond David heen en nam haar gr in zijn huis, en zij werd hem ter vrouwe, ka en zij baarde hem eenen zoon. Welaan, alles sc. gaat voorspoedig. Uria is dood, Bathseba do is getroost; zij is de vrouw van David, de een zoon is geboren, maar — de woorden is zijn eenvoudig doch ontzaggelijk groot — vr deze zaak, die David gedaan had, was kwaad H in de oogen des Heeren. m

Hier is echtbreuk, hier is moord. Er di wordt niet veel gesproken, de geschiedschrij- hi ver vat zijn oordeel in weinige woorden te hc zamen, en vergenoegt zich met eene enkele te korte, afdoende verklaring. »De zaak was tr kwaad in de oogen des Heeren." Al had H David Bathseba tevreden gesteld, zij vernam J< welligt nooit hoe het kwam, dat haar echt- de genoot zoo spoedig in den oorlog bezweek, re en schreef misschien aan de tusschenkomst ni der Voorzienigheid toe wat het plan der nj boosheid was; al kon David Joab onbekend v< laten met de oorzaak van zijn bevel om di Uria aan gevaar en verderf bloot te stel- h len, en al kon David het volk ^oodzaken stil te zijn, en al was hg in alle deelen vei- t< lig voor menschen, God kon hij niet mis- a leiden, en voor de oogen des Heeren was z wat David deed, kwaad. n

Het heilig mishagen Gods werd David b door den profeet Nathan bekend gemaakt, d In eene gelijkenis, even eenvoudig als schoon, werd den koning zyn onregt voorgehouden, s en de toepassing was zoo ontzaggelijk, dat i David, die zich met billijke verontwaardiging v over het gedrag van den ryken jegens den i armen man had uitgelaten, de kracht en t juistheid daarvan erkende en beleed. »Gij e zijt die man!" sprak Nathan in des Heeren t naam, en: »Ik héb gezondigd tegen den 1 Heere!" belijdt David. Er behoorde veel 1 getrouwheid toe om den koning zonder eeni- ( gen omweg zijn onregt voor te houden, en < Nathan bewees door zijne rondborstigheid, 1 dat lig zijn meester niet ontzag, maar den 1 Heer opregtelijk vreesde. En David, die : zich geen oogenblik verontschuldigde, noch . zijn onregt eenigzins trachtte te verbergen, ; bewees daarmede dat hij van goddelijke droef- ;

heid was vervuld. Hij beschreide het met , vele tranen, en zijne zonde werd zoo ver [ vergeven, dat God niet voor altijd Zijn aan-

- gezigt voor hem verborgen hield, noch den troon van hem nam, maar voor zoover hij

[ door deze zaak de vijanden des Heeren groot telijks had doen lasteren, betaamde het God 1 de zonde te bezoeken, Zijne regtvaardigheid j te handhaven, en allen te doen zien, dat hoe3 zeer Hij ook zich over den zondaar ontfermt,

- Hij nogtans de zonde bezoekt, en geheiligd

- wordt vooral aan degenen die Hem het

- naaste zijn.

t De verschrikkelijke woorden: »Zoo zegt i de Heeue: Zie, Ik zal het kwaad over u l, verwekken nit uw huis," zijn de sleutel tot

- Davids latere geschiedenis en leven, die evenn zeer verstoord en ellendig was , als het begin x gelukkig en heerlijk is geweest. Alles in •- David en rondom hem is veranderd, men i- herkent hem naauwelijks meer. Hij is ver!- broken, gebroken in zijnen geest, steeds beï. wust van de groote zonde, die hij tegen den :- Heer heeft gepleegd; vernederd in de oo(n gen zijner onderdanen, en zijn invloed ie grootelijks verzwakt door hunne wetenschap a- van zijne ongeregtiglieden, is zelfs zijn gezag r- in zijn eigen huis en zijn. regt op den eere- bied zijner zonen grootelijks verminderd door e- het verlies van zijn verheven karakter. Met ot één woord, David is voortaan een in elk op3n zigt veranderd man. Hij is voortaan gelijk 311 aan iemand, die treurende naar het graf

gaat of kruipt. Zijn krachtdadig leven is le, ten einde, en voortaan is hij meer lijdelijk, eg Al wat ooit grootsch en edels in zijn ka■e- rakter was verdwijnt, en al wat weifelend,

zwak, laag was, komt meer op den voorgrond. De zwakheden en gebreken van zijn

karakter werden vroeger door het edele en

schitterende bedekt; maar nu het goud verdonkerd is geworden, nu ziet men duidelijk de vlekken. Het evenwigt van zijn karakter is verloren. Hij is vroom, doch ook deze vroomheid heeft eene wijziging ondergaan. Hij is niet meer opgewekt, frisch en blijmoedig, maar verbrijzeld, gedrukt, geduldig, lijdend. Hij vertrouwt den Heer, zoo als hij plagt te doen, ja dit vertrouwen alleen houdt hem staande en geeft aan zijn karakter groote waardigheid; maar ook dat vertrouwen heeft eene andere kleur aangenomen, Hij is nog een zoon, maar niet meer aan Jozef gelijk, die zich verheugt in 's vaders liefde, en roemt in den veelkleurigen rok, die "s vaders liefde hem heeft bereid,

maar veeleer aan Ruben gelijk, met wien men medelijden heeft en wien veel vergeven is; die echter niet ongestraft is gelaten door den vader, tegen wien hij grootelijks

heeft gezondigd.

Arme David! De vogel, die zich weleer tot hoogten verhief, zoo als zij door geen

ander waren bereikt, en die de lucht van zijne triomfzangen deed weergalmen, ligt nu met gekapte vleugelen op den grond en belydt schuld uit een verbrijzeld hart voor

den Heer zijnen God.

Deze groote verandering in de gansche ge¬

steldheid en gemoedsstemming van David moet men in het oog houden, zoo men de volgende geschiedenis van David, die zoozeer van zijn voorleden verschilt, regt wil begrijpen. Dit is een keerpunt in zijn leven, en het zoude wel wenschelijk zijn het jaar te weten, waarin deze ontzaggelijke ommekeer plaats had. Men onderstelt gewoonlijk, dat hij toen vijftig jaren oud was, en twintig jaar geregeerd had. Dewijl echter David zeventig jaren geleefd en

veertig geregeerd heeft, en zijn zoon Salomo twee of drie jaren later geboren werd, zoude hij twintig jaar oud geweest zijn toen hij zijnen vader opvolgde. Dit stemt naaulijks. overeen met de beschrijving van zijne groote vreugde bij het aanvaarden van den

troon, en zijn gebed om wijsheid dien ten

erevolge. Waarschijnlijk was David eenig-

u u ~

zins ouder, welligt drie-en-vijftig, en dan

zoude men gemakkelijk alles kunnen begrijpen aangaande den leeftijd van Salomo.

Hoe dit ook zij, wij zijn thans tot een gewigtig, pijnlijk gedeelte van het leven van David genaderd. Wij hebben hem met hartelijke deelneming begroet, toen hij voor de

eerste keer voor ons verscheen; wij hebben hem met bewondering gevolgd gedurende den tijd der vervolging en vernedering; wij hebben ons met hem verblijd in de eerste jaren zijner voorspoedige regering, er, blijft ons thans over om onder Gods bijstand ook dit smartelijk gedeelte zijns levens met biddende belangstelling gade te slaan.

C. S.

Duitsche Stemmen.

Tot dusver heb ik getracht in het algemeen de bezwaren aan te wijzen, die van verschillende zijden tegen de leer der onfeilbaarheid van den paus worden gemaakt; maar ditmaal wensch ik meer bijzonder de aandacht te vestigen op verschillende getuigenissen, die door Duitschers worden afgelegd.

Naar het schijnt verheffen vorsten en bisschoppen hunne stemmen tegen het nieuwe dogma, bomVi/iKKan r»r»n QP.iPn t.ifi hezwaren niet slechts,

maar vreeztm tevens, dat de paus tot een bod zal verklaard worden, en de gemoederen hunner kinderen grootelijks zal kwetsen, en velen die tot dusver tot do Eoomsche kerk behoorden, maar uit onverschilligheid rustig bleven, nnncnAvflii taX nm de Eoomsche kerk te ver-

laten, zoo niet aan te. randen. l)e vorsten wenschen volstrekt niet den paus te helpen in het opwekken van eene godsdienstige opschudding, die niemand weet boe ver zy gaan kan en zich ook tot de Protestanten kan uitstrekken. De groote schare is nu meer onverschillig, maar in elk

geval grootelijks afkeerig van het Evangelisch geloof. Immers het Rationalisme, dat thans in de wetenschap grootelijks overwonnen is, heeft zijnen heillcozen invloed uitgeoefend op het volk, en daar vindt men thans de vruchten van het zoolang uitgestrooide zaad. Duitschland nu te behandelen als Spanje, Italië en Frankrijk zelfs, zou eene groote dwaasheid zijn, omdat men ligt een lont op een kruid magazijn zou werpen, en niemand kan zeggén, wien het, zoo het ontploft, onder zijne puinhoopen zou begraven.

Intusschen hebben twee Duitsche professoren zich bij het protest van Professor Döllinger te Munchen aangesloten. Döllinger is een zeer ijverige Eoomsche, en heeft zijne kerk zeer krachtiglijk gehandhaafd tegen de Protestanten ; hij werd steeds als een pilaar beschouwd en muntte zonder twijfel uit door de hooge positie, welke hij bekleedde, en door groote geleerdheid. On¬

beschroomd en onvermoeid lieett nij nu tegen de leer der onfeilbaarheid van den paus zijne stem verheven en manmoedig op allerlei wijze daartegen getuigd. Niet alleen heeft de koning van het Boomsck Beijersch huis een blijk van zijne goedkeuring in een eigenhandig schrijven ■gegeven, maar de Eaad van Munchen, de meest Katholieke stad, heeft den professor liet eereburgerregt geschonken, ten blijke van instemming en ingenomenheid met zijne waardige

VinndinflT in 7.flu.lr Mftn n.fli rlit THfit

gering. In dergelijke schijnbaar kleine dingen openbaart zich de gemoedstoestand en de stemming dezer bevolking, en men doet wel daarop acht te slaan als een teeken des tijds. De onfeilbaarheid van den paus bestond sedert lang fritelijk, en juist omdat men er niet over sprak en haar niet betwijfelde, liet men het zich welgevallen en verhief niemand zijne stem er tegen. Maar juist door te veel te willen bepalen en de gansche zaak in kwestie te trekken, en discussie uit te lokken, heeft men de hoofden en

gemoederen aan het gisten gebragt, en menigeen vraagt zich nu af, waarom hij zich stilzwijgend zoo lang aan een dogma heeft onderworpen, dat niet alleen door de Schrift en rede, maar ook door de geschiedenis en overlevering der

Eoomsche kerk zelve wordt verworpen. JNie-

marisl L-o ^nrfrfon txtcï a vil oon rilt, lp.ldp.Tl 7,3,1. Het

iuwu'1 nuu 66 »«» uvuu av>v>v~

kan het Rationalisme ten uiterste bevorderen,

want zy uie het uiinstendom in geen anaer dan in een pauselijk kleed kennen, zouden, nu zij zien wat het pausdom is, al ligt met het pausdom het geheele Christendom kunnen ver... Moo,- Wnt. Van nnV tot het Evanaelisch

geloof leiden, want velen, die het pausdom moede

worden en toen oenoeiie aan eene godsdienst hebben, zouden in het Evangelie zoeken en vinden wat zij in hot pausdom welligt hebben gezocht maar nooit hebben gevonden. Wij kunnen slechts bidden, dat velen tot het geloof mogen komèn.

De lezers zullen zich welligt herinneren wat ik in het laatste nummer onder den titel »wat zegt ge hiervan?" geschreven heb; thans deel ik den volgenden brief van denEoomschen professor Michaëlis aan het priesterseminarie te Braunsberg in Oost-Pruissen mede, die op 21 Januarij aan de Allgemeine Zeitung, een zeer geacht en veel gelezen blad, schrijft:

»Laat mij in weinige woorden het adres, dat ten gunste der onfeilbaarheid gesteld werd, kenschetsen. Ik vermijd niet alleen het woord

«onfeilbaarheid,' maar zinspeel niet eens op ue voorafgaande vraag, of de bisschoppen een onmisbaar gedeelte van het kerkelijk ligchaam zijn, dat bestemd is om de natiën der aarde te onderwijzen. Indien zij het zijn,_ hoe is het dan mogelijk voor den paus, om onfeilbaarheid onafhankelijk van de bisschoppen te eischen? Maar zoo zij het niet zijn, van welke beteekenis i£ dan hunne verklaring? Indien do paus wezenlijk onfeilbaar is, dan kan hij immers niet falen door zich voor onfeilbaar te verklaren , en paus PiusIX moet niet schromen om in de 19e eeuw aan te kondigen wat Innocentius III in de 13e eeuw als ketterij beschouwde. Het is duidelijk,,,dat de opstellers van het adres, vreezende de zaak +o inleiden, aan het adres een

ïu^iovu u\j

staatkundigen vorm hebben gegeven. Het is geschreven in een hartstogtelijken stijl en is verschrikkelijk liefdeloos. Want terwijl het niet de moeite waard geacht wordt op de argumenten der oppositie acht te slaan en geheel voorbij gezien wordt, dat deze op het geloof, zoo als dit door de gansche Katholieke wereld aangenomen werd, rusten, neemt het adies slechts kennis van de oppositie, om daaruit ae noodzakelijkheid af te leiden, dat de onfeiibaaiheid verklaard moet worden.- ^ anneer men alles in aanmerking neemt, dan is het adres n.jn fipnp. nartiiintrisue der Jezuï-

li bo ituuvl'j £ u < >

ten, die tot deze uitvlugt zijn overgegaan, nadat zij niet in staat waren eene meer duidelijke verklaring der onfeilbaarheid te geven. Het aannemen vau het adres door het concilie zoude eene treurige overwinning der Jezuïten zijn over den waren geest der en

een ongeluk voor de kerk en het menschdom.

Dr. Schutte, eender voornaamste professoren van het canonisch regt aan de universiteit \aa Praag, laat zich in het theologisch Lilteni blatt, het beste Duitsche Eoomsche orgaan, ai-

dus uit:

Sluiten