Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

E^ENE JL STEM

N°. 14

. rr

vooil

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

"G-jh ^ injöNn

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag1, 8 April.

Het geloof is nit het gehoor.

Kom. X *l.

De uitgave van dit Blad, Redacteur Dr. C. SCHWARTZ, London5 Strathmore Gardens, Kenzington, W. geschiedt des Vrijdags. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën' is van 1—5 regels/1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

degens plaatsgebrek kan ditmaal liet °Pstel over de Christelijke pers niet opgenomen worden.

Het naderend einde.

En Nathan zeide: Mijn heer koning! hebt gij gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? Want hij is > heden afgegaan, en heeft geslagt

ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genood al de zonen des konings, en de oversten des heirs, en Abjathar, den priester; en ziet, zij eten en drinken voor zijn aangezigt, en zeggen: De koning Adonia leve, enz.

(1 Kon. 1: 24-31.)

Verschillende personen werden oud op vervullenden leeftijd. David, die zoo veel had doorgestaan en wiens leven door aanvallen van buiten en aanvechtingen van binnen werd beproefd, was ouder op zijn zeventigste dan Mozes op zjjn honderd en twintigste, dan menigeen ook in onze dagen °p zyn tachtigste jaar. En ook in de laatste dagen van zijn leven werd hij verontrust door den opstand van een zijner zonen, niet zoozeer echter tegen zijnen persoon als tegen de beschikking over den troon, ten gunste van Salomo als zijnen opvolger.

Het was waarschijnlijk algemeen hekend, dat David den zoon van Bathseba, Salomo, dien God Jedidja, en daarmede als door Hem bemind, had gekenmerkt, tot zijnen opvolger had benoemd. Doch Adonia, een oudere zoon, grootelijks door David bemind en van een innemend voorkomen, was daarttiede geenszins tevreden en trachtte den troon voor zich zeiyen te verzekeren. Hij ^as wel nog eens zoo oud als Salomo, en et is niet onwaarschijnlijk, dat zoo David geleefd had totdat Salomo tot rijpheid van Jaren was gekomen, Adonia zich aan de beschikking zijns vaders zoude hebben onderworpen; doch nu zijn vader stervende en ' alomo nog zeer jong was, geloofde hij weligt niet alleen in zijn eigen belang, maar °°k in dat van het volk te handelen, wanneer hij zich van de heerschappij over Juda ea Israël meester maakte. Hij gevoelde zich sterk in zjjne grootere rijpheid, in het ïegt zijner eerstgeboorte, en het bewustzijn ^t hij volstrekt niet kwaads bedoelde tegen zl)aen vader en buitendien beter berekend ^as voor de regering, dan zijn zoo

jonge en onervaren broeder. Buitendien werd hij in dit zijn voornemen gesteund door sommige der oudste en meest beproefde dienaren van David, die hem in alle zijne verdrukkingen ter zijde hadden gestaan, en welligt rekende hij tevens op den bijval van het volk.

Onder de oude staatslieden, die zich bij Adonia voegden, behoorde ook Joab, die over het geheele leger het opperbevel voerde, en Abjathar, een der-twee hoogepriesters; ja deze twee mannen schijnen meer bijzonder de leiding der zamenzwering op zich ge¬

nomen te hebben (1 Koningen 1: 8). Adonia trachtte zich tot koning te doen uitroepen gedurende het leven van David, en alzoo Salomo te verrassen en van David toestemming te verkrijgen , wanneer hij eenmaal als koning door het volk was erkend. De zamenzweerders rekenden er waarschijnlijk op, dat David reeds zoo zwak en nabij den dood was, dat hij niet krachtig tusschen beide zoude kunnen komen, en dat, wanneer de zaak eenmaal beslist was, en wel ten gunste van een zoon, dien hij beminde, David daarin zoude berusten.

Dien ten gevolge maakte Adonia een groot feest in de tuinen buiten den berg Zion, alwaar de fontein Rogel was gelegen, en noodigde daartoe al de zonen van den koning, met uitzondering van Salomo en de mannen, die bekend stonden als gunstig gestemd voor zijnen mededinger Salomo. Tot de tegenstanders behoorden Zadok de priester, Nathan de profeet, Benaja de aanvoerder der lijfgarde en »de helden" of dappere krijgslieden , die David zoo menigwerf krachtig ter zijde hadden gestaan. Adonia gevoelde zeer wel, dat het eene zeer bedenkelijke zaak was van de hulp dezer mannen beroofd te zijn, omdat, afgezien van de helden, de invloed van Zadok bij het volk ten minste opwoog tegen dien van Abjathar; en ofschoon de naam van Joab meer dan opwoog tegen Benaja , was evenwel de hulp van den laatste op dit oogenblik van groote beteekenis, omdat de lijfgarde het eenig gedeelte van het leger was, dat steeds onder de wapenen stond en thans in de hoofdstad aanwezig was.

Adonia , die de eer van het koninklijk gezag op zich wilde nemen, ging naar het feest in feestelijken optogt met wagenen en ruiteren, loopende voor zijn aangezigt, even als Absalom, en hij wérd met vreugdekreten door de vergaderde gasten begroet.

Doch deze dingen geschiedden niet onopgemerkt. De vrienden van Salomo begrepen zeer wel, dat er geen tijd te verliezen was. Nathan vooral, die het werktuig Gods geweest was, om den wil van Jebovah aan David bekend te maken, gevoelde, dat zijn ambt en zijne waardigheid eischten tus* schen beide te komen. Hij begaf zich derhalve tot Bathseba, daar hij met regt vreesde dat eene al te groote en plotselinge opschudding voor het leven van den koning gevaarlijk zoude wezen, en bewoog haar tot David "te gaan, om hem eene zaak mede te deelen, waarvan niet alleen de toekomst maar welligt zelfs de veiligheid van haren zoon afhing. En zij ging tot den koning in de binnenkamer, en zij neigde het hoofd en boog zich neder. David begreep zeer wel, dat zij niet ongeroepen zoude gekomen zyn, indien het niet eene zeer belangrijke zaak gold, die geen uitstel kon dulden, en vroeg haar wat zij begeerde, want" volgens de aan het hof bestaande gewoonte zou zij niet gesproken hebben voordat de koning haar verlof had gegeven. Het gedrag des konings heeft veel overeenkomst met dat van Ahasveros, de heerscher over honderd en zeven en twintig provinciën jegens Esther.

Zoodra Bathseba van den koning vei'lof ontvangen had , sprak zij als vorstin en als eene trouwe liefhebbende moeder. Zij verhaalde den koning alles wat zij gehoord had, en herinnerde David tevens de belofte, die hij haar gegeven had, dat Salomo zijn opvolger zoude wezen. Zoodra zij haar verhaal geëindigd had, en vóórdat David kon antwoorden, werd de profeet Nathan aangemeld, zoo als hoogst waarschijnlijk deze twee overeengekomen waren. Bathseba trok zich terug, doch bleef in de nabijheid. Nathan bevestigde het verhaal van Bathseba, voegde er enkele bijzonderheden bij over 'tgeen buiten de stad geschiedde, en eindigde met aan David te vragen, of dit alles met zijne toestemming en goedkeuring was geschied. David begreep aanstonds, dat de zaak onmiddellijk beslist moest worden, en naar zijnen ouden aard verloor hij geen tijd, maar gaf onmiddellijk bevel om zijnen wil ten uitvoer te brengen. Hij was oud en zwak naar het ligchaam, doch zijn verstand helder, en zijn wil was ook nu nog krachtig en beslist, zoodat hij al aanstonds al de bijzonderheden begreep, en geen tijd verloor om de aanslagen der zamenzweerders te verijdelen.

Hij liet Bathseba, die zoo als wij weten

in de nabijheid van den vorst verkeerde, binnenkomen , en zonder dralen en veel praten, verbond hij zich plegtig met een eed zijne oorspronkelijke bedoelingen ten uitvoer te brengen. Zijne woorden waren plegtig en indrukwekkend. »Zoo waarachtig als de heeii leeft." zwoer hij, »die mijne ziel uit allen nood verlost heeft, voorzeker gelijk als iku gezworen heb bij den iieere, den God Israëls, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijnen troon in' mijne plaats zittenf voorzeker alzoo zal ik te dezen zelfden dage doen."

Hiermede was de zaak beslist en er werd nu geen .oogenblik verloren, om des konings bedoelingen te verwezenlijken. Zadok, Nathan en Benaja werden onmiddelijk ontboden , en hij beval hun zijnen zoon Salomo op de muilezelin, voor hemzëlven bestemd, te doen rijden, en hem te vergezellen met al de koninklijke knechten naar Gihon, 't welk aan de westzijde der stad was gelegen, terwijl de aanhangers van Adonia in de vallei naar het noordoosten waren vergaderd. Alsdan zoude Zadok Salomo tot koning zalven over Israël, en daarna uitroepen: »De koning Salomo leve!" Dit was voorzeker het beste wat onder deze moeijelijke omstandigheden geschieden kon, en dit bewijst genoegzaam hoe krachtig Davids geest was, al was hij naar het ligchaam zeer zwak.

Alles werd dan ook gedaan zoo als, de koning hem geboden had. De openbare optogt van eene zeer prachtige schare met de officieels goedkeuring van den ouden koning , zoo als bleek uit de tegenwoordigheid der koninklijke lijfwacht en dps konings muilezel, tegelijk met het de harten winnend voorkomen van den jeugdigen koning, b'ragt eene groote schare naar Gihon, en aldaar werd Salomo gezalfd zoo als David geboden had. De gansche zaak werd zoo goed en plotseling uitgevoerd, dat de stad naauwelijks wist wat geschiedde, vóórdat alles was gedaan en Salomo terugkeerde, tot koning gezalfd zijnde. Toen werd hij algemeen met vreugde verwelkomd. Al het volk kwam achter hem , lezen wij, en pijpte met pijpen en verblijdde zich met groote blijdschap, zoodat de aarde van hun geluid spleet.

De opschudding en het vreugdegeroep der terugkeerenden bereikten zelfs de gasten, die te En Rogel vergaderd waren. Weldra vernamen zij dan ook wat deze vreugdekreten beteekenden, want Jonathan, Abjathars zoon, kwam tot hen en verhaalde al wat in de stad en te

Hongersnood in Palestina.

Gihon gebeurd was. Zijne eerste woorden verschrikten hen voorzeker niet weinig, want hij nep hun toe:» Onze heer, de koning David, heeft balomo tot koning gemaakt!" En met groote uitvoerigheid verhaalde hij al wat daarop gevolgd was. »En ook zit Salomo," riep hij uit, »op den troon des koningrijks. Zoo zijn ook de knechten des konings gekomen om onzen heer den koning David te zegenen, zeggende: »Uw God make den naam van

Salomo beter dan uwen naam Ja bok

heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zjj de Heer, de God Israëls, die heden gegeven heeft eenen, zittende op mijnen troon, dat het mijne oogen gezien hebben/'

De zamenzweerders begrepen al aanstonds, dat daarmede hun plan verijdeld was, en in groote verwarring haastten zij zich om eene schuilplaats te zoeken. Adonia zelf vlugtte, (daar de oude David slechts naar den schijn koning was), uit vrees voor Salomo, den nieuwen en wezenlijken heerscher, naar den tempel en legde zijne handen op de hoornen van het altaar, verklarende dat hij die plaats niet zoude verlaten, tenzij Salomo hem de plegtige gelofte deed van zijn leven te zullen sparen. Salomo gedroeg zich met groote vastheid en waardigheid en verklaarde geen eed te zullen afleggen, daarentegen Adonia geen leed te zullen doen, zoo hij een vroom man wilde zijd. »Geen haar van zijn hoofd zal dan op de aarde vallen, maar indien kwaad in hem bevonden wordt, zoo zal hij sterven."

In vertrouwen op deze belofte kwam Adonia en boog zich neder voor den koning Salomo. En Salomo zeide tot hem: »Ga heen naar uw huis,' hetgeen gelijk stond met hem terug te zenden in het privaatleven. Dergelijke handelingen zijn geheel overeenkomstig de .Oostersche gewoonte, en in andere omstandigheden zoude de nieuwe koning het leven van Adonia, al was hij zijn broeder, niet ontzien hebben; doch naar het schijnt gedroeg Adonia zich verstandelijk en vermeed hij alle botsingen met den nieuwen koning. Wij vernemen althans niet, dat hem eenig leed is geschied, en mogen dus onderstellen, dat hg in vrede ten grave is gedaald. Men kan onmogelijk ontkennen, dat Adonia onze deelneming verdient; want hij was de oudste prins, was nagenoeg 40 jaar oud, terwijl Salomo nog een jeugdige knaap was, en hij schijnt dan ook geen kwaad man geweest te zijn en enkel zijne regten gehandhaafd te hebben, ondersteund wordende door vele getrouwe dienaren van

Voor de noodlijdenden te Jeruzalem is verder ontvangen

geworden:

Door den heer II. DE HOOGH het rolgende schrijven ■ Hiernevens heb ik het genoegen u te doen toekomen { 'Y30 ten behoeve der . noodlijdenden in Palestina. Het J®. de opbrengst eener inzameling onder de leerlingen i school, éen van die spelonken van onverdraagzaam' «O en onkunde, die volgens het advies van de mannen an het 'noorden onwaardig zijn te bestaan op Neêrlands V£WEN iéOtm. Zaturdags heb ik de gewoonte mijne loerogen iets mede te deelen over den arbeid der zendelinge!}, in de verschillende deelen der wereld. L.l. washet verwerp: De nood in Palestina en oorzaken en gevolgen daarvan; en toen ik daarop voorstelde om de gewone ekelyksche collecte op den volgendeu Maandag tot leni| ng van dien nood te bestemmen, gaven zij blijken van unne instemming door deze meerdere gave, die ik u y dezen doe toekomen, met de bede , dat zij bevordergesteW^6 2^n tot 'let' e(^e rï°el, dat gij u hebt voor-

Met de bede, dat gij nog langen tijd uwen arbeid te iaden van jong en oud moogt voortzetten, teeken ik

Uw Dienaar, M. W.

Hoofdonderwijzer aan eene der Chr. scholen te dezer stede.

herder is bij de uitgevers van de Heraut in dank ontvangen : Door Ds. C. J. L. Ruysch van Dugteren, te St. Annaland, gecollecteerd bij een bidstond voor don oogst / 8,54-, van N. N. ƒ 1; Y. X. / 100; Zondagschool te voorschoten, postwissel ƒ10; N. N. postwissel / 5; . b. / 10; h. R. ƒ 10; H. en A. twee coupons, te amen ƒ2,72; bijeenverzameld uit een huisgezin ƒ 1,75.

Door den heer J. H. STOOVE:

Door Mej. c. M. Steneker ƒ28,11; als gecollecteerd p eene vergadering van het Amsterdamsch Jongeliedengenootschap ƒ 6,84; van q s. ƒ0,20; vanN. ƒ 0,25; v»n u B- ƒ0,50; van H. v. L. ƒ0,50;

' VY< J-ƒ0,50; collecte op eene Zendingsverga¬

dering ƒ 1,24; gecollecteerd door de jongejufvr. J. W. ƒ 11; gecoll. op eene vergadering voor Israël ƒ 1,25; gecoll. op eene vergadering voor de zondagschool 1,05; bijeengebragt door de meisjes eener zondagschoolƒ 1,181/2; gecoll. door mejufvr. B. f 2,14; van den heer E. W. IJ. ƒ1; van mejufvr. M. S. ƒ0,50 ; de penning eener weduwe ƒ 0,50; door den heer B. J. Grevers gecoll. van eenige vrienden, waaronder eenige Israëlieten ƒ 20,981/2; van U. W. ƒ 5; van een werkman ƒ1; vanA. M., postmerk Utrecht, met bijschrift Markus 14 vs. 7, twee Amerikaansche coupons 1 a Doll. 3,1a Doll. ll/2, ƒ 10,96; in de collecte in de Schotsche Zendingskerk zondagmorgen, voorganger Ds. Theod. J. Meijer ƒ2,50 en van N. N. ƒ5; voor den nood te Jeruzalem gecoll. in de Willemstraat bij gelegenheid eener zendingsvergadering, door den heer P. N. de Vries ƒ 7.70; uit het busje van eene zondagschool ƒ 2,70; gecoll. door den heer W. H. voor Jeruzalem ƒ 6.05; van de kleine Mina voor de noodlijdenden te Jeruzalem ƒ 1.

Door den Ondergeteekende:

Van mej. D., door Verburg ƒ 10; van mej. A. B. C., Amsterdam, f 6; van J. C. O., Haarlem, coupon van ƒ 1,231/s ; door den heel P. Eltfers, Haarlem, gedeeltelijk door zijne kinderen verzameld, ƒ12,371/a; van—, met bijschrift Joh. 4: 13, 14, ƒ 10; van C. W. v. W C. niet bijschrift 1 Kon. 8: 35, 36, ƒ 25; van de kweekelingen en leerlingen op de Christelijke Armenschool op de Looijeïsgracht, door den heer 1'. C. Wijle/'23,821/2; van L. G. ƒ 2.50; van den heer F. C. W. ƒ 2.50; van v. d. W., Alkmaar, coupon ƒ 2,97; van de Christ. Gereform. Gemeente te Leiden (Heerengracht) door Ds. Holster ƒ 40; .gecollecteerd ten huize van H. G. T. ƒ 21; van mej. K. te Amsterdam, coupon ƒ 2,471/2 ; door den heer A. Mooij, Almelo, van de Jongelingsvereeniging aldaar, collecte bij den zendingsbidstond ƒ7.27; van eenige vrienden aldaar ƒ2,73; door den heer C. van Hoeven, Botterdam, collecte gehouden in Z. Eds. kinderkerk ƒ 43,88; door Ds. J. G. Smitt, collecte van de Christ. Gereform. Gemeente, Prinsengr., Amsterdam ƒ 100,44; van de Jongedochters-Vereeniging, door mei. O. R. ƒ 10; van mevr. de Wed. Zeelt ƒ 5 ; van de Wed. A., 's Gravenhage ƒ 10; van Mr. A. da Costa ƒ 10; in eenen huiselijken kring gecoll. door v. L. S., postmerk Lochem ƒ 20.

Een verkwikkende regen is intusschen wel op liet land gevallen, maar,de ligchamelijke nood is en blijft nog zeer groot. En wat zal ik van den geestelijken nood zeggen, die in het dusgenoemde Heilige Land heerscht 't Heeft de Heer op het gebed van Zyn volk den hemel geopend en regen doen nedervallen op het dorstende land, zoo zal Hij te Zijner tijd ook den regen des Heiligen Geestes zenden tot verheerlijkhig van Zijnen heiligen naam in de toebrenging van vele zielen uit Israël en de volken. Houden wij daarom aan, door onze gebeden en gaven de handen van bisschop Gobat te sterken, dien de Heer geroepen heeft, om aan Jeruzalem en zijne omstreken de blijde boodschap des heils te verkondigen. Ps. 122 ; 6 ; Ps. 137 : 5, 6.

De heer H. de Hoogh, Nieuwendijk L 76, de heer J. H. Stoové, Warmoesstraat M 473, en de ondergeteekende zullen zich gaarne belasten, verdere gaven aan te nemen en aan bisschop Gobat over te maken.

Schotsche Zendingskerk,

7 April 1870. Theod. J. Meijek.

Voor den hongersnood in Palestina, Mej. S. te Dordrecht ƒ 10,14; N. N. te Zwyndrecht ƒ10; Vlaardingen ƒ 5; van een onbekende geefster uit Hoorn ƒ 10 ;D. N. ƒ 3,96; A. C. H. S. ƒ 1.

Met hartelijde dankbetuiging en dringende aanbeveling, A. A. Bergendahl,

Amsterdam, N. Z. Voorburgwal

7 April 1870. L 506.

Liefdegaven,

NEDERL VEREEN. VOOR ISRAËL , AJd. Amst.

Onder hartelijke dankbetuiging ontvangen : van de Jongedochters-Vereen. te Tjuniniarum ƒ 3 en voor het Java-Comité uit de gemeente van Sexbierum ƒ7 ; beide door Ds. H. M. M. liappard; van de Christ. JongelingsVereen. te Menaldum ƒ 5 , door den beer H. J. Ph. Zuijdam, hoofdonderwijzer aldaar, door tusschenkomst van den heer T. M. Looinan; voor de Hulpvereeniging üierosolgma Capta, voor Suriname en de blaadjes de

Ladder Jako'ós van mej. Schrieke, te Alkmaar, door den heer H. Jaspers ƒ7; van mej. Boemer, te Rotterdam ƒ5,92; van mevr. A. J. Heijdanus, te Weesp ƒ 2; door tusschenkomst van den heer J. Bakker te Burg op Texel ƒ4,30 en van ZEd. / 1 voor de Hope Israëls, beide door broederlijke bezorging van den heer J. W. Bremer.

Amsterdam, Namens het Bestuur,

7 April 1870. j. h. Stoové ,

Penningmeester, Afd. Amst.

NEDEIïL. GEREI-1. ZENDINGSVEREENIGiNG.

Van den heer Knap-Berk te Kampen, door den heer M. Schaink ƒ5; van de Kinderzendingvereeniging te Hoorn, door den heer J. Tan Hoeve ƒ 10, door tusschenkomst van den heer G. J. C. Cavaljé, van de Christel. Jongelings-Vereen. tè Menaldum, door den heer J. Ph. Zuijdam, hoofdonderwijzer aldaar ƒ 5, door tusschenkomst van den heer X. M. Looinan, waarvoor bij deze regt hartelijk dank wordt gezegd.

Amsterdam, » Namens het Bestuur,

7 April 1870. J. H. Stoové,

Venningmeestcr, Afd. Amst.

.■ -1, Ih .

NEDERL. GEREF. ZENDINGSVEREENIGING. '

Af deeling Heidenpenning.

Onder hartelijke dankbetuiging ontvangen van den heer F. Veen te Zuid veen ƒ 10,84.

Amsterdam, M. O. STOOVÉ—LE BlanC,

31 Maart 1870. fenninqmeesteres Afd. Heidenp.

Onder hartelijke dankbetuiging ontvangen voor Israël: Van Mevr. de Wed. Zeelt ƒ 5; van de Wed. A. 's Gra-

venhage ƒ 10. Theod. J- MEIJER.

» f

Nog in dank voor de Chri'telijke School te Olst ontvangen: Utrecht, Diaconessenhuis ƒ10; Olst, van J. van W. ƒ 5. Namens het Bestuur,

J. Grgeneweg,

«T eruzalem.

Wijze: O daar te zijn! (Muziek van J. de Liefde,)

Eens waart gij schoon,

O, stad van Isrels Koning!

Jeruzalem, eens aller steden kroon!

Jehova's heiige woning!

Ja, gij waart schoon! verblindend schoon,

Uw glans verdween Als Koningin der steden!

Helaas! uw kroon zoo schitterend voorheen,

Ligt thans in 't stof vertreden.

Uw glans verdween! Ween Salem, ween!

Gods ongena,

Is 't loon op uw verstooten Van Hem, die ook voor U op Golgotha

Zijn bloed heeft uitgegoten.

Ga Isrel! ga! smeek om gena.

Maar niet altijd Zult gij Gods gramschap dragen,

Weêr zal voor u, naar 't woord u toegezeid,

De heilzon heerlijk dagen!

Neen niet altijd, is 't dat gij schreit.

Dan zullen weer De volkeren U prijzen,

Wanneer uw Koning, Davids Zoon en Heer,

Zijn gunst u zal bewijzen.

Dan bloeit gij weer, schoon als weleer.

Kom haastig Heer!

Herbouw Gij Salems murën,

Laat langer niet Uw erfnis van weleer

Uw strenge tucht verduren.

Kom haastig Heerl Bouw Salem weêrl

H. M. ft,

Sluiten