Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste- Jaargang-.

^NE^NM)Pi 11E STEM

N°. 19.

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag, 13 Mei. °""e'Sr/:,

De

uitgave van dit Blad, Redacteur Dr. C. SOHWAKTZ, London 5 Stratlimore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ1,elkè regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Het einde.

Daarom loofde David den Heere voor de oogen der gansche gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, Heere, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! Uwe, o Heere! is de grootheid, en de magt, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit, want alles, wat in den hemel en op de aarde is, is uwe; uwe, o Heere! is het koningrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezigt, en Gij heerscht over alles; en in Uwe hand is krachten magt; ook staat het in Uwe hand alles groot te maken en sterk te maken. Nu dan, onze God! wij danken U en loven den naam Uwer heerlijkheid.

1 Kron. 29: 10-13.

II.

^e kunt dit laatste hoofdstuk van het boek er Kronijken niet lezen zonder een diep ge^°el van bewondering voor den geest van 'jmoedigheid en toewijding aan den Heer, hart van den stervenden koning, zooals de oversten en het gansche volk van Israël vervult. David vergeet geen oogenhk de taak, die liij zich had gesteld en voor z°oveel aan hem was, gaarne ten uitvoer had gebragt, en wel om den Heere een huis houwen. Doch nu hem dit voorregt wordt °Qtzegd, maakt hij met een bereidvaardig hart alle voorbereidselen, om zijnen opvolger, zijnen beminden zoon en zijn veel geliefd volk in staat te stellen, om op eene

(*°de waardige en welbehagelijke wijze dit Werk te volbrengen. Met groote wijsheid en

'eeclerheid roept hij de gansche vergaderde gemeente toe: »God heeft mijnen zoon Sa^0ra° alleen verkozen, eenen jongeling en ^eeder," en aan dezen jongen, onervaren, ^ den aard der zaak nog niet sterken prins, dit werk opgedragen, om een paleis te (°uwen , niet voor eenen mensch maar voor ^°d, den Heere. David bekent ootmoedig zwakheid van den mensch tegenover de grootheid van de taak, en verwacht daarom Vaö den Heer alleen de kracht om een zoodanig werk ten uitvoer te brengen; nogtans ^°et hij al wat zijne hand vindt om te doen, °pdat het in geenen deele door zijne nalatigheid worde belet. Hij verheugt er zich 111 een heerlijk voorbeeld te geven, en mag •■taarom met een goed geweten en een blijmoedig hart uitroepen: »En wie is er willig heden zijne hand den Heere te vullen?"

Op deze toespraak volgde een blijmoedig antwoord van de zijde der vorsten en over¬

sten des volksj een ieder gaf wat hij voor de dienst van het huis des Heeren afzonderen kon, zoodat het volk verblijd was over hun vrijwillig geven, — want zij gaven vrijwillig den Heer en met een volkomen hart, — en ook de koning David verblijdde zich met groote blijdschap. Juist deze bereidvaardigheid om naar de mate der gaven hun toebetrouwd voor den Heer af te zonderen , is op eenvoudige; en aandoenlijke wijze beschreven. Het is volkomen waar, dat dit gebouw slechts een aardsche tem¬

pel, eene schaduw was, dat dit de tijd deiwet is, en wij weten en roemen er teregt in, dat wij thans leven in de laatste dagen, waarin wij de wezenlijkheid dezer schaduwen mogen aanschouwen, het ligchaam van al deze voorbeelden; dat wij leven in de dagen van het Evangelie van den Zone Gods, dat sterk is, vergeleken bij de Wet, die zwak werd door de kracht des vleesches; maar worden wij dan niet diep beschaamd door deze bereidvaardigheid van David en zijn volk, om niets te veronachtzamen wat tot het bouwen van den tempel werd vereischt? Toén Mozés aan het volk, dat naauwelijks uit de dienstbaarheid van Egypte was verlost, vroeg om de noodige bouwstoffen bijeen te brengen, om des Heeren tabernakel te bouwen, bragt het volk zooveel bijeen, dat hij in het geheele leger deed uitroepen, dat niets verder vereischt werd, omdat er genoeg,

ja in overvloed was; welaan wat zullen wij zeggen van de ontzettende en onvermoeide pogingen, die gedurig aangewend worden en in zekeren zin aangewend moeten worden, om den bouw van het koningrijk van God te bevorderen en de belijders van het Evangelie tot het leveren van hunne bijdragen aan te sporen? Zij gaven, lezen wij, ■vrijwillig, dus bewogen door een onweerstaanbaren drang huns harten, door geene andere drangredenen bewogen, dan de lust, de behoefte huns gemoeds om den Heer met hunne goederen te dienen; zij gaven met een volkomen, niet verdeeld noch weifelachtig hart, en zij gaven het niet om des volks, noch om des konings wil, maar den Heere. Zij waren er diep van doordrongen , dat al wat zij bezaten niet hun, maar Hem toebehoorde; dat zij slechts verantwoordelijke rentmeesters waren, en dat zij daarin, dat zij Hem alles gaven, slechts een heiligen pligt vervulden of, zoo ge wilt, een heerlijk voorregt smaakten. Vrijwillige, met een

volkomen hart den Heer gegevene gaven, moesten niet alleen het hart van den dienaar van Jehova , den vromen koning David, maar den Koning der koningen zelf welbehagelijk zijn, bijna zeide ik: met blijdschap vervullen. Want onze God is niet een onverschillig God, maar integendeel, Hij wiens troon de hemel en wiens voetbank de aarde is, woont in verbrokene harten, die Hij door den Heiligen Geest in tempelen Gods heeft veranderd, en Hij, wiens het goud en het zilver en de aarde en hare volheid is, laat

zich de gaven welgevallen, door arme menschen ten Zijnen behoeve afgezonderd. Dat mag ons wel bemoedigen, om ook het grootste Hem niet te onthouden, en ook het geringste Hem aan te bieden , omdat Hij het grootste even waardig is en ook het kleinste niet versmaadt. Hij heeft ons niet van noode, maar het heeft Hem behaagd ons de taak toe te vertrouwen, om alom Zijnen naam groot te maken, Zijn evangelie te verkondigen en de zielen tot gehoorzaamheid aan Zijn woord te nooden. Dat bevel te gehoorzamen en deze edele taak te helpen volbrengen is een groot voorregt; laat het dan geschieden met een vrijwillig , met een volkomen hart, den Heere.

Hoort nu het woord des lofs en der

dankzegging. De gansche ziel des konings is voor den Heer uitgestort, en David kan naauwelijks woorden vinden om de diepe beweging zijns gemoeds aan den God der vaderen te openbaren. Niets is heerlijker dan God te mogen danken, en in den dank zich dubbel te verblijden in de ontvangene zegeningen. Hij noemt God, den »God van onzen vader Israël ," hetzij omdat Israël aan het gansche volk den naam heeft gegeven, hetzij omdat Israël vooral herinnert aan den nieuwen naam, dien Jehovah den worstelaar en overwinnaar met God en menschen heeft geschonken. Het is den mannen Gods en

I vooral den Apostel Paulus eigen, in hunne

dankzeggingen en gebeden aan God zoodanige titels te geven, als bij uitnemendheid geschikt zijn om voor de bijzondere bede die zij slaken, een fondament van Gods wezen, werk en beloften te vinden. In hunne armoede maken zij melding van Gods rijkdom, in hunne zwakheid van Gods magt, in hunne neêrslagtigheid van Gods vertroostingen en in hunne ongestadigheid van Gods getrouwheid. Want men kan slechts opeene God welbehagelijke wijze bidden, wan¬

neer men in God zeiven de waarborgen der verhooring vindt en op Zijne beloften kan steunen. In Hem, den Onveranderlijken, of zoo als David zegt: »van eeuwigheid tot in eeuwigheid" kan het hart zich versterken. Immers menschen, ook zij die het meest tot helpen genegen zijn , kunnen ons ligt ontvallen, hetzij omdat zij van meening veranderen , hetzij omdat hun de kracht ontbreekt, om te doen wat zij opregtelijk hadden bedoeld, hetzij omdat zy zeiven ons door den dood worden ontnomen. Niet alzoo de Heer, die geen mensch is, dat Hij liegen zou, noch eens menschen kind, dat Hij ooit Zijne beloften zoude vergeten of verzaken. Hij is gisteren en heden en in alle eeuwigheid dezelfde, en kan daarom in Zijne kracht, wijsheid en liefde al Zijne toezeggingen gestand doen en ten uitvoer brengen.

Immers Zijne is de grootheid en de magt en de heerlijkheid en de overwinning en de

majesteit, en Hij die grooter is dan alle dingen kan alles aan Zijne plannen dienstbaar maken, en alles alzoo bestieren, dat ook hetgeen het meest tegen Hem is gekant, Zijnen raad moet helpen uitvoeren. En hoe dikwerf is deze troostrijke waar¬

heid bevestigd geworden,, nadat David haar stervende nog eens ten aanhoore van gansch Israël heeft beleden! Ja, de Heere God is niet slechts sterk in Zichzelven, maar heeft tevens de magt om al wat Hij steunt groot en sterk te maken. Gelijk Hij liet leven in zich zeiven heeft, en het tevens mededeelt, alzoo ook heeft Hij de sterkte, en Zijne kracht wordt in zwakheid volbragt. Hij alleen is groot en Hij openbaart deze Zijne grootheid daarin, dat Hij zich daarvan ontdoet en zich tot aan den smadelijken dood van het kruis vernedert; en wanneer Hij op het geringe nederziet om het uit het slijk op te rigten, wordt ook het kleinste en geringste groot gemaakt met de heerlijkheid, die Hij er aan geeft.

Van zijne geringheid is David zich ten diepste bewust, en even als 2 Samuel VII in het wonderbaar heerlijk gebed, door David opgezonden, nadat de profeet Nathan hem had aangezegd dat God hem niet veroorloofde voor Hem een huis te bouwen, daarentegen hem een eeuwig huis en een eeuwigen troon beloofde, — spreekt hij ook thans van de barmhartigheid Gods, die hem, den ge¬

ringe, had verkoren en zich over hem en zijn huis met grondelooze goedertierenheid had ontfermd. Al wat hij is, is Gods werk, al wat hi) bezit is Gods gave, en zoo hij iets geeft dat God aannemen kan, dan is het God die het hem eerst gaf, zoodat hij slechts teruggeeft aan den Gever van elke goede en volmaakte gave, wat deze zelf hem heeft toebetrouwd om er mede te woekeren. Gij alleen blijft dezelfde in alle eeuwigheid, doch wij zijn slechts vreemdelingen en bijwoners; wij hebben hier geene blijvende plaats, onze dagen zijn slechts als eene schaduw die voorbijgaat, zoodat hare plaats niet meer gekend wordt. Welgelukzalig zij, die weten dat zij burgers zijn van het Jeruzalem dat in de hemelen is, dat hun wandel, of juister gezegd, hun burgerregt is in de hemelen, zoodat zij wel is waar op aarde voorbijgaan, maar blijven met den Heer en voor den Heer in alle eeuwigheid.

Met groote vrijmoedigheid kon hij een beroep doen op dien God, die opregtheid in het binnenste bemint, de harten doorgrondt, de nieren beproeft en onze gedachten van verre kent. Die God weet, dat hij in opregtheid heeft gehandeld en niet zichzelven maar des Heeren eer heeft bedoeld, ja, niet alleen hij, maar zijn gansche volk is met dienzelfden zin vervuld; want met vreugde en in vrijwilligheid der liefde, hebben zij den Heer gegeven al wat zij voor Hem hebben afgezonderd. God, die in hun midden geen onbekend of onbetuigd God is, maar integendeel de God der vaderen, zal zich ook aan de zonen openbaren en verheerlijken en hun genade schenken, om Hem bij voortduring te dienen, daar Hij hunne harten tot zich trekt en vast aan zich verbindt.

En nogmaals beveelt David zijn zoon Salomo den Heer en het woord Zijner genade. En nogmaals wekt hij het volk op, om met hem den God van Abraham, Izak en Jakob te loven. En nogmaals spoort hij allen aan, om zich in dien Heer te verlustigen en in de blijdschap Gods de sterkte huns harten te vinden. En nadat hij dit alles heeft gedaan, blijft hem niets meer te doen over dan zijne ziel in de handen van den getrouwen God die hem versterkt heeft te bevelen, en met het oog op Hem, die als zijn Zoon en Heer ter regterhand der majesteit zit, in de rust van zijn God in te gaan, tot zijne vaderen opgenomen te worden en voor altijd bij den Heer te zijn.

YOOR KINDEREN.

Een kijkje in eene andere Zondagschool.

Lieve kinderen, wilt gij met mij eene andere School binnengaan en luisteren, hoe de kinderen daar worden onderwezen ?

Hier is eene lange, smalle zaal, waar 200 meisjes allen beneden de 9 jaar verzameld zijn; één der heeren, die gij daar ginds bij elkander ziet staan, Zal hen toespreken; daar komt hij reeds nader en begint aldus:

»Lieve meisjes, hoe hartelijk zoude ik voor u Menschen, dat gij allen den Heer Jezus liefhadt; ° geeft Hem toch uw geheele hart, vertrouwt op Hem! — Wil ik u eens duidelijk maken wat dat eigenlijk zeggen wil? welnu:

Er woonde in Schotland een kleine jongen, een peesje; niemand zorgde voor hem, niemand had hem lief; nu had hij gehoord van de koningin Victoria, hoe zij de armen ondersteunt en gaarne voorthelpt, en vriendelijk jegens hen is; daarom dacht Jj'j: als hij deze koningin maar eens spreken kon, "an zou zij zeker wel medelijden met hem hebben ';ri hem naar school zenden, daar kon hij dan leeren lezen en schrijven, en later voor zijn brood leeren perken; dan behoefde hij niet langer op zulk eene droevige wijze rond te zwerven, of in eene sombere fabriek met hard werken een karig stukje brood te verdienen. Onze kleine vriend, wiens naam was ar"ie, stapte vol moed op zekeren dag naar Ballnoral, waar de koningin zich ophield, met het vaste doornemen eens met de vorstin te spreken. Al wie Van zijn plan hoorde, lachte hem hartelijk uit,... alsof hare majesteit zulk een armen, haveloozen Jongen zou aanzien!... maar Jamie stoorde zich in tiet minst niet aan hunne praatjes en stapte er op af. Hij had zich voorgenomen de koningin te gaan ezoeken en zijne belangen eens bij haar te beplei. S hij wilde zijn hart eens uitstorten en had alle

verwachting dat dit een goed gevolg zou hebben.

Daar zag hij het kasteel vóór zich liggen, lustig stapte hij voort, en wilde juist de poort in wandelen, toen een groote soldaat naar buiten trad en hem niet heel vriendelijk toevoegde: »Waar moet dat heen, mannetje?"

Jamie antwoordde: //Ik moet de koningin even spreken, mijnheer!"

De soldaat begon luidkeels te lagchen en raadde hem te maken, dat hij wegkwam, want dat zulke arme morsige jongens er niet aan behoefden te denken, om in het prachtige paleis te worden toegelaten.

Onze kleine held begon bitter te sclireijen en trok zoo gaauw hij kon af; op korten afstand lagen eenige steenen, hij zette zich daarop neder en snikte luid.

Doch hij bleef niet onopgemerkt. Weldra naderde hem een jong voornaam persoon, die zich minzaam tot hem wendde.

Jamie bemerkte hem niet, maar hoorde op eens eene vriendelijke stem tot hem zeggen: //Wat scheelt er aan, kleine man ?"

Jamie keek op en zag door zijne tranen heen' zulk een liefderijken blik op zich gerigt, dat hij den minzamen vrager dadelijk zijn vertrouwen schonk en hem zijne ondervinding van zoo even vertelde.

»Wel zoo mijn jongen, wildet gij de koningin zoo gaarne eens spreken?"

>Ja mijnheer," zei Jamie.

/i Wel," zeide deze heer, ga dan maar met mij meê, dan zal ik u in het paleis brengen."

Maar Jamie zeide angstig... » O maar die groote soldaat daar ginds zal er u ook niet doorlaten."

//Ja, dat zal hij 'wel, dat zult ge eens zien, geef mij eene hand en laat mij maar niet los, dan zal hij er u zeker ook in laten, hij moet mij doorlaten."

Maar half overtuigd keek Jamie dien heer nog

eens goed aan, en droogde toen zijne tranen af, legde zijne kleine zwarte hand in die van zijn vriendelijken geleider, en liep naast hem op de poort toe.

De soldaat trad vooruit en nam zijn geweer in de hand, het kind begon te beven, want hij verwachtte niets minder dan dat hij zou worden doodgeschoten; — maar dat was mis.,, de schildwacht presenteerde eerbiedig het geweer, en keek niet eens naar den kleine haveloozen jongen.

Toen Jamie de poort door was, sprong hij van vreugde, maar weldra kreeg hij een nieuwen schrik... want daar stond voor eene volgende deur een andere groote soldaat. Hij keek zijn nieuwen vriend angstig aan, en op zijne lompen wijzende, zeide hij bedroefd: /,Zou die mij wel binnen willen laten?"

//Geen nood mijn jongen, houd mij maar vast en vertrouw mij slechts. Ik zal u bij de koningin brengen."

Hierop vraagde de knaap! //Maar mijnheer wie zijt gij dan toch, en waarom zijt gij zoo vriendelijk voor den armen Jamie?"

z,Wie ik ben, wel mijn jongen, de zoon van de koningin, dus ziet gij wel, dat gij niets meer te vreezen hebt?''

Nu kreeg Jamie nieuwen moed, en durfde den soldaat aan de tweede deur brutaal voorbij loopen zonder de minste vrees. Deze begreep niet wat den prins bewoog met zulk een armoedigen jongen het paleis binnen te gaan.

De prins liep door eenige gangen en portalen tot aan een prachtig vertrek, waar hij Jamie voor eene korte poos alleen liet, hare majesteit op de hoogte te brengen van haren kleinen bezoeker. Eindelijk werd Jamie bij de vorstin gebragt, die zeer vriendelijk tot hem sprak, en zoodanig met hem was begaan, dat zij zijn verlangen onmiddelijk inwilligde, hem naar eene goede school zond, waar men voor hem zorgde, en leerde wat hij noodig had te weten.

//Nu lieve kinderen, zeide de onderwijzer, vertelt mij nu eens, hoe kwam Jamie in het paleis van de koningin?"

Wel honderd stemmetjes antwoordden:

//De zoon van de koningin bragt er hem in..."

»En hield de schildwacht hem niet terug?"

»Ja eerst wel," zeiden de kinderen, »maar niet toen die heer bij hem was."

«Maar zeide de prins dan ook niet dat hij er wat al te haveloos uitzag, om in het sierlijke paleis te worden toegelaten?"

»Neen, hij had medelijden met hem en nam hem bij de hand.''

»Nu, lieve meisjes, wie van u zou graag naaiden prachtigen heerlijken hemel gaan, waar God woont ?"

»Ik... ik... ik. .." riepen velen, sommigen alsof zij het hartelijk meenden.

■» Maar gij hebt booze, zondige hartjes en hebt zeer veel kwaad reeds gedaan in de oogen van een heilig God; hoe kunt gij verwachten dat gij zult worden binnengelaten?"

Er was een poosje stilte en toen zei een van de kleinsten... »O mijnheer als wij den Heer Jezus liefhebben en vertrouwen, dan zal Hij er ons inbrengen, net als de prins Jamie deed..."

Was dat niet een liefelijk antwoord van zulk een jong kind?...

Denkt er maar om, lieve kinderen, wat dit meisje zeide geldt voor elk onzer, ook voor u...

Indien gij den Heere Jezus wilt vertrouwen en uwe hand in de Zijne legge, dan zal Hij ook u Zijn heerlijken hemel binnenbrengen.

"Wie Jezus tot zijn Herder heeft,

Begunstigd met Zijn hoede,

Is de allerzaligste die leeft,

Hoe leeuw en wolf ook woede;

Hij is beveiligd tegen 't kwaad Niets is er dat hem deert of schaadt,

En valt of struikelt hij ter neêr Zijn Herder helpt hem telkens weêr.

Nu zijn wij behouden.

Jaren geleden werd een schip op zijnen weg huiswaarts door een hevigen storm overvallen, zoodat het een lek bekwam. Alle handen begonnen krachtig te pompen; maarte vergeefs... het sehip begon langzaam te zinken. Een van de bootslieden, die in zijne jeugd een verkeerd leven had geleid, maar nu ernstig en verschrikt was geworden, liep onrustig over het dek heen en weder met zijn horologie in de hand, alsof hij met spanning een bepaald uur afwachtte.

De kapitein stapte op hem toe en fluisterde hem somber en plegtig in het oor: »Wij zijn verloren; het is met ons gedaan! het schip kan zulk eene hooge zee niet lang meer weerstand bieden." De bootsman lette naauwelijks op zijne woorden, en bleef op zijn horologie turen. Eindelijk deed hij een blijden uitroep hooren; aller oogen werden op hem gerigt. >0" zeide hij, opspringende van vreugde, niiu zijn wij behouden.., wij kunnen nu niet meer omkomen, onmogelijk."

De kapitein bewees hem uit den toestand van het schip en den wind, dat er geen kans meer bestond om te worden gered... //gij ziet, de wind neemt steeds toe en het lek wordt steeds grooter!"

Schier buiten zich zeiven van blijdschap hernam de bootsman: //Het is het uur van mijns vaders gebed!... nu smeekt hij God om mij te zegenen en te bewaren! wij kunnen nu niet verdrinken, ik geloof dat dit stellig niet gebeuren zal!"

Dit vervulde de zeelieden zoozeer met moed, dat zij met verdubbelde kracht aan 't pompen gingen; zij hielden het schip hierdoor gedeeltelijk boven water... de wind begon te liggen en... zij bereikten weldra de haven, waar zij veilig aanlandden.

Sluiten