Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste jaargang.

N'. 26.

NED^^LM^CHE STEM

VOOR

"OIK >3 'niaxn

Pi. CXYI: 10.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag, 1 Julij.

Het geloof is uit het gehoor.

Kom. X: 1.

uitgave van dit Blad, Redacteur Dr. C. SCHWARTZ, London 5 Strathmore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. —• De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Gij zijt van Christus.

Niemand dan roeme op menschen, want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, het zij dood. hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen i.we. Doch gij zijt van Christus, en Christus is üods. 1 Cor. 3: 21—23.

Wie onzer begeert niet wijsheid, ware wijsheid? De apostel Paulus zegt ons dat, zoo de wijsheid van God en van de wereld ^et elkander vergelijken, wij genoodzaakt borden tusschen beide te kiezen, en de wijsheid Gods in de oogen der wereld dwaasheid is, en omgekeerd, de wijsheid der wereld dwaasheid voor God. Wie onzer wenscht Uiet rijkdom en magt te bezitten? Velen geven zich groote moeite om ze te verkrij£en) doch het gelukt hun niet, terwijl zij die het lang begeerde bereiken, zich spoedig °vertuigen, dat zij een schim hebben nagejaagd en in aardsche goederen en magt de voldoening, die zij hebben gezocht, niet kunnen vinden. Wat zoude het ook een uiensch baten, zoo hij de gansche wereld en schade leed aan zijne ziel? Immers de Vereenigde magt van alle vorsten en volken kan geen vrede geven aan eene conscientie, die voor de majesteit van God siddert. Paulus zegt ons hoe wij in het bezit kunnen komen van den rijkdom van Hem, wiens het goud en zilver is, en de magt aangrijpen kunnen van den Heer , die grooter is dan alle dingen. Deze rijkdom wordt nooit uitgeput en die magt kan niemand ons °utrooven. Des apostels raadgeving luidt: * Geeft u over aan Christus en alle dingen zullen u onderworpen worden," of gelijk het ii den tekst luidt: » Weest van Christus, die Gods is, en alle dingen zullen uwe zijn."

Hoe worden wij van Christus? In de eerste plaats door eene souvereine daad van God. Op het oogenblik dat Jezus gereed stond als het Lam van God geofferd te worden, getuigde Hij in Zijn hoogePriesterlijk gebed: »Zij waren Uwe en Gij hebt Mij dezelve gegeven" (Joh. 17: 6), en de apostel Paulus zegt ons, dat de discipelen gekozen zijn vóór de grondlegging der wereld (Efez. 1: 4). De zaligheid des Christens kan niet geschokt worden door het schudden der aarde en het voorbijgaan der hemelen. Zij heeft haren oorsprong in den eeuwigen raad Gods en groeit in de diepte Zgner eeuwige liefde. Dit woord blijft de vaste grondslag: »Ik heb u lief gehad met

eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid." Het werk der genade, dat in het hart begint, is niet het eerste in den schakel der verlossing, maar is slechts de openbaring en uitvoering van 'tgeen een eeuwig besluit in den raad van God was, die buiten het bereik des duivels en buiten het doorgronden van engelen is gelegen, en rust diep in de liefde van God, van Hem, die niet verandert, in wien geene schaduw is van omkeering. Onze vastheid en veiligheid rusten niet op ons aangrijpen van Christus maar op ons aangegrepen zijn door Hem.

Wij zijn van Christus, daar wij gekocht zijn ten koste van Zijn eigen bloed. »Gij zijt duur gekocht," roept ons Paulus toe , (1 Cor. 6: 19 en 20) en Petrus verzekert, dat wij niet met goud en zilver zijn verlost (1 Petrus 1: 18 en 19). Het is de grootste prijs, die betaald kon worden, en zijne verhevenheid blijkt uit het woord des apostels aan de ouderlingen van Efeze: » de gemeente welke Hij verkregen heeft door Zij neigen bloed (Hand. 20 : 28). De goede Herder gaf Zyn leven voor Zijne schapen, en toen geen ander losgeld betaald kon worden, heeft de Zone Gods de plaats van zondaren voor Gods geregtigheid ingenomen, opdat de door Hem verlosten Zijne plaats in des Vaders liefde zouden bekleeden. Zij behooren voortaan niet zich zeiven maar Christus toe, dien zij geroepen worden te verheerlijken in ligcliaam en ziel, en de grondtoon van het Christelijk leven is: »Gij zijt van Christus."

Zij zijn van Christus als de door Hem gewonnen buit. Wij allen, zegt de profeet Jesaja hebben ons voor niet verkocht, en daarom heeft de booze magt en gezag over ons. Jezus als het Lam van God, heeft den Satan overwonnen, die Hem nu eens als een brullende leeuw en dan wederom als een engel des lichts verzocht. Hij heeft de Zijnen van de magt der zonde en hel verlost, zoodat zij van dienstknechten der zonde en slaven van den leugenaar en moordenaar veranderd werden in kinderen Gods, en medeërfgenamen van Jezus Christus. Ja, zoo iemand ooit van Christus wordt, dan is hij door Jezus van de magt der leugen veroverd geworden en door den Heiligen Geest vernieuwd. Vroeger was hij met vijandschap tegen Jezus en Zijn Evangelie vervuld, doch nu is de genade van Christus aan hem geopenbaard, en Zijne liefde in de harten uitgestort, en zij die vroeger doode ranken waren, dragen nu vruchten tot heerlijkheid van God.

Wij zijn van Christus door ons aan Hem in eene verbondsbetrekking over te geven. Hij gaf zich zeiven voor hen en aan hen, en zij geven zich aan Hem als eene levende offerande. Besprengd met het bloed van het Lam Gods, toen zij in zonde waren, zijn zij door den Heiligen Geest vernieuwd en geheiligd tot de dienst der geregtigheid. Met David bekent de Christen: »och Heer! zekerlijk ik ben uw knecht; Gij hebt mijne banden losgemaakt (Ps. 116 vs. 16). Er bestaat dus eene wonderbare overeenkomst tusschen 't geen van eeuwigheid in de hemelen en in den tijd op aarde geschiedt. Aan de eene zijde eene vrijwillige daad van God en aan de andere zijde eene vrijwillige daad van den mensch. De Vader geeft ons aan den Zoon, en wjj geven ons aan Hem, en deze geheimenis van God kunnen wij niet oplossen of begrijpen. Het bevel van God is duidelijk: »Bekeert u en leeft" en wederom: »Bekeert u en gelooft," en elk veronachtzamen van dit bevel is ongehoorzaamheid, de vrucht van ongeloof. Zonder vrijwillige overgave kan niemand Christus zien; wederom kan niemand zich overgeven aan Jezus, tenzij hij door den Vader wordt getrokken. Niemand behoeft te wanhopen, en niemand heeft reden om te roemen. In de hemelen is de Almagtige God en op aarde is een gewillig volk, en hiervan is de uitkomst dat den Heere een vrijwillig volk wordt geboren.

Gij zijt van Christus, en daarom gebruikt Hij u als Zijn eigendom om Zijn werk te doen. Een werk moet gedaan worden, en Hij gebruikt u als Zijne werklieden. Hij begeert uwe dienst en is het onverwaardig dat gij Hem van ganscher harte dient. Wie zijt gij Heer? was de eerste vraag, die de door de heerlijkheid van Jezus overwonnen Saulus tot den Heer rig'tte, en daarna kwam eene andere op zijne lippen: »Heer wat wilt Gij dat ik doen zal?'" Even als de Meester wenscht ook de discipel den tijd uit te koopen en te werken terwijl het dag is, wel wetende dat de nacht komt wanneer niemand werken kan. Christenen zijn levende brieven, door den Heiligen Geest geschreven, gedenkteekenen en getuigen van de kracht der genade. Zij, die niet uit eigene ondervinding het Koningrijk van God kennen, willen niet slechts weten wat Christenen hebben te zeggen, maar ook wat zij zijn, en een levend Christen is een meer welsprekend en afdoend argument dan alle welsprekende pleidooijen voor de waarheid des Evangelies. Indien gij

geene proeven kunt toonen, behoeft gij niet te verwachten, daterkoopers zullen komen. De krachtigste aanbeveling van het Evangelie is het leven der belijders van Jezus, en het grootste beletsel voor de verspreiding der waarheid is het goddeloos gedrag van hen, die naar den naam van Christus worden genoemd. Laat ons toezien, dat wij aïzoo leven, dat ook zij die geneigd zijn van ons als kwaaddoeners te spreken, onze goede werken ziende den Vader in de hemelen moeten verheerlijken. En zoo gij gevoelt en belijdt: »Wie is tot deze dingen bekwaam?" Laat ons den Heer om vermeerdering van geloof bidden, opdat onze bekwaamheid door Zijn Geest beide het willen en volbrengen in ons werke, naar Zijn heilig welbehagen.

De Heer Jezus zal de Zijnen gebruiken, om Hem te vergezellen wanneer Hij wederkomt op de wolken des hemels. Het is eene stoute maar ware bekentenis, dat wij niet alleen Christus toebehooren, maar Hij ook ons toebehoort. Wij zijn van Christus, en Hij is van ons. Aan de eene zijde verblijdt zich de zondaar in den Zaligmaker, en aan de andere zijde verheugt zich de Zaligmaker over den verlosten zondaar. Gij moet vragen: » Wat moet ik doen om zalig te worden?" en gij moogt vragen: »Welke blijdschap geeft mijne zaligheid aan Christus?" Ik geef toe dat het, met het oog op onze armoede, ellende en onreinheid, moeijelijk is dit te verstaan, nogtans is het waar, dat Jezus voor de blijdschap, die Hem voorgesteld was in het verlossen van zondaren, het kruis heeft verdragen (Hebr. 12 : 2), en dat beiden het gevoel van eigene onwaarde en van blijdschap in den Heer vereenigd waren in den zanger van Psalm 73: 22—24.

Verwacht daarom niet weinig van Christus. Zoo gij weinig van Hem ontvangt, zult gij weinig voor Hem doen. Hoe meer wij de ons geschonkene voorregten, waarderen, hoe meer wij scheppen uit de fontein der zaligheid, hoe meer wij beseffen welke heerlijkheid Hij voor ons verworven en aan pns verzekerd heeft; hoe meer wij in de verwachting Zijner zegeningen leven, hoe meer onze liefde tot Hem zal werken en onze gehoorzaamheid zal toenemen. Wel voegt het ons daarom ons ze,1 ven af te vragen: » Zijn wij van Christus?" Want dan zullen wij ook, nadat ons hart opgehouden heeft te slaan, voor altijd met Christus zijn. Immers hij, die in Christus gevonden wordt en zoodanige hope koestert, kan niet voor de wereld leven en hij, die voor de wereld leeft, kan er

zeker van zijn, dat hij niet van Christus is, en daarom deze hope niet kan voeden.

Indien gij van Christus zijt, dan is het ook waar, dat alle dingen de uwe zijn. De volheid der Godheid woonde in Christus ligchamelijk, en vloeit uit van Hem in het hart van Zijn volk. Naardien zij van Christus zijn en in Hem zich kunnen verheugen, moeten, mogen zij niet in menschen roemen, zoo als zij deden te Corinthe. De gemeente te Corinthe was in verschillende partgen verdeeld, en zij waren zoozeer, zoo uitsluitend aan één man gehecht, dat zij van hem alleen stichting en opwekking verwachtten, en meer gewigt hechtten aan den bode dan aan de boodschap. Ik ben van Paulus, zeide de een, en kom slechts een prediker hooren, die, even als hij, geleerd is en streng logisch redeneert en door zijnen dogmatischen betoogtrant mijn verstand overtuigt. Ik daarentegen, riep een ander uit, ben van Apollos. Hij is mijn man, want hij is van een edel voorkomen en zeer beschaafde manieren, hij is welsprekend, streelt mijne verbeelding en is geheel wegslepend. Ik moet een gansch ander man hebben, zegt een derde. Mijn man is Cephas, een eenvoudig man met een warm hart, die mijn hoofd niet vermoeit met theologische redeneringen en den tijd niet verbeuzelt met allerlei schilderachtige tafereelen, maar regtstreeks tot mijne conscientie spreekt.

Het is voorzeker niet verkeerd zich meer tot den eenen dan tot den anderen prediker der waarheid aangetrokken te gevoelen, want het is waar dat er veelal eene zekere sympathie tusschen twee personen bestaat, waarvan zij zich naauwelijks rekenschap kunnen geven, en dit daarom ook van toepassing is op de verhouding tusschen een bepaalden hoorder en prediker. Hun onregt bestond in het buitensluiten van alle andere dienstknechten, en in het verheffen van den dienstknecht naast, zoo niet boven den Meester, waardoor zij zich beroofden van die zegeningen en dien rijkdom, welke de Heer zelf hun had aangeboden. Want de Heer heeft onderscheidene werktuigen aan Zijne kerk geschonken. Sommigen zijn slechts kinderen en hebben behoefte aan melk; anderen hebben een man noodig, die ze leiden kan in de diepten Gods, en oprijzende bezwaren kan wegnemen. De een heeft behoefte aan een Boanerges, die de majesteit Gods met den donder van Sinaï predikt, en een ander aan een Barnabas, die in zachtmoedigheid den rijkdom der barm-

YOOR KINDEREN.

Geen nood, hij staat op eene rots.

' De heer Hammond schrijft ons uit Amerika:

Eenige weken geleden was er bij ons eene hevige strooming in het water. Langdurige regen en veel wind hadden het zeer doen stijgen, zoodat men bang begon te worden voor de gevolgen; Wanneer het water dus wordt aangezet, mijne lieve vriendjes, is het gevaarlijk genoeg voor alles wat er kort bij staat, omdat het dan zoo geweldig veel kracht heeft; watermolens krijgen dan natuurlijk het meest te lijden, en met velen is het op zulk een tijd voor goed gedaan.

Op dien bangen Maandagmorgen, terwijl de regen tegen mijne ramen kletterde, kreeg ik op eens een bezoeker; een vriend kwam op zijne terugreis van Cincinnati, een uurtje bij mij rusten.

//Wat," zeide ik, //gij denkt er toch niet over, om in dit noodweer nog verder te gaan, van daag? Blijf tot morgen bij mij, dan zal het wel bedaard Wezen."

«Ik kan onmogelijk, want van avond word ik 'n Providence gewacht," zeide hij.

Er was dus niets aan te doen, en nadat wij genoegelijk met elkander een poosje hadden gepraat, begreep ik hem niet langer te mogen ophouden, en liet zijn paard voorbrengen; het kon mij niet van 't hart, hem alleen in dezen storm te laten vertrekken, en ik besloot, hem tot aan de Naaste stad te vergezellen. Onze paarden liepen moedig voort, totdat wij aan eene rivier kwamen;

maar .... al de dammen en bruggen waren weggeslagen , en de gezwollen stroom voerde eene reeks van overblijfselen van huizen en molens met zich mede. Wij beproefden eene andere rivier over te gaan, maar daarmede was het eveneens gesteld. Terwijl wij hier droevig naar stonden te kijken, viel mijn oog op een watermolen, die door de bruisende golven als het ware bestormd werd; het rad draaide onbegrijpelijk snel, en het schuim stoof aan alle zijden omhoog. De eigenaar stond er met een bezorgd gelaat naar te zien, ik kende hem en vraagde: «Zou hij het uithouden?"

/,Wel zeker, hij staat op eene rots, geen nood!"

/,Maar gij schijnt er toch zoo gerust niet over te zijn," hernam ik.

//Ja, hij zal er geducht door lijden, maar omvallen kan hij niet, onmogelijk!"

Juist op dit oogenblik brak er een dam los in eene smallere rivier, die met de breede kruiste, en kwam er een nieuwe toevoer van donderende golven naar den molen toe. De grond dreunde onder onze voeten, alles beefde en schudde wat wij zagen, — de molen bleef onbewegelijk staan. De bouwmeesters van dien molen hadden hem goed gewapend tegen de aanvallen van de hoofdrivier, maar hadden niet gerekend op eenig gevaar aan den kant van het smalle strookje water, dat zoo kort in de nabijheid zich hierin stort; nu was dit ook in een vijand veranderd en viel de minder voorziene zijde met geweld aan; de buitenste planken bezweken ook weldra, maar de fondamenten hielden het onderste gedeelte bij elkander, //de waterstroomen waren gekomen, maar hij was niet gevallen, omdat hij op de steenrots stond gebouwd."

//Ja," dacht ik, „wie op den Heer vertrouwt, zal ook bestand zijn tegen de aanvallen van de ,/waterstroomen des levens," in Welke vormen die

zich ook voordoen, alle verzoekingen en hindernissen, de invloed van de wereld en al wat hiertoe behoort, kunnen hem niet beschadigen; maar als hij er onder lijdt, dan is het omdat hij den vijand te ligt geacht heeft en geen gevaar vreesde, hoewel hij er voor gewaarschuwd werd."

Lieve kinderen, hebt gij ook den Heer Jezus lief? Dan staat gij vast en kunt zonder gevaar den storm van het leven ingaan, dan heet het ook van u: „geen nood, hij is op eene steenrots gebouwd !"

Zoo velen als Hem hebben lief gehad en zich aan Hem hebben toevertrouwd in hunne jeugd, hebben ook ondervonden, dat de grond onder hunne voeten niet bezweek; aan allen, die Hem kennen, betoont de Heer zich een getrouwe vriend, en zij weerstaan door Zijne kracht de vernielende elementen , die zoo menigeen medeslepen, wier huis was //op het zand gebouwd!"

De kleine plaatsvervanger.

Voor vele jaren was ik onderwijzer aan de school te ... . Op zekeren dag had ik groote reden om ontevreden te zijn °p een van de jongens: hij wilde niet naar mij hooren, wat ik hem ook zeide, en wijl beloften noch dreigingen iets baatten, moest ik besluiten hem te straffen. Hij werd in eenen hoek geplaatst, en zou daar eene geruime poos ten aanzien van de geheele school en van de menigvuldige bezoekers hebben moeten staan. Dit was eene groote schande, en hij schreide bitter. Het was een teêr, zwak jongske, en het

ging_mij werkelijk aan 't hart, hem dit groot verdriet te moeten aandoen,

Op eens hoorde ik een anderen jongen zachtjes vragen: „Mag ik het voor hem doen?" Ik zag om en ontmoette den vragenden blik van een der grootste jongens. j>Zoudt gij dat meenen?" zeide ik, »al dien tijd voor straf staan, bedenk wel wat gij vraagt, wie weet welke bezoekers wij heden krijgen, zij zullen u voor den schuldige aanzien, en als gij er eenmaal staat, kunt ge niet weder verruilen."

ii Ja ik zou het toch liever doen, want ik houd zoo veel van hem!"

Hij ging, — de andere kwam weder op zijne plaats zitten, en allen zetten groote oogen op over deze handeling van hun kameraadje. Ik was er zeer door getroffen en bad den Heer in stilte dat Hij mij mogt leeren van deze gelegenheid gebruik te maken, om een woord tot Zijne eer te spreken.

Toen de straftijd om was en de jongen weer op zijne plaats zat, vraagde ik:

> Waarom hebt gij dat gedaan?"

»Omdat ik zooveel van hem houd."

»Had hij de straf verdiend, denkt ge?"

„Ja hij had die goed verdiend!"

//Welnu," zeide ik tot den ongehoorzamen jongen, //Jozef, ga gij nu in den hoek!"

//Al de kinderen lieten hunne afkeuring hierover hooren, eene menigte stemmen verhieven zich te gelijk: //Hè, dat is niet regt, dat is niet eerlijk!"

„Waarom niet," zeide ik, „hij heeft immers straf verdiend ?"

//Ja, maar Paul heeft er al voor hem in gestaan ?"

//Nu," zeide ik, „waar doet dit u aan denken, wie heeft vöor anderen de straf gedragen?"

//De Heer Jezus aan het kruis.''

„Toen Paul voor Jozef gestraft werd wat deed hij toen ?"

//Zijne plaats vervangen."

„Juist, wiens plaats heeft de Heer Jezus vervangen ?"

„Die van zondaars."

//Paul heeft het gedaan omdat hij zooveel van Jozef houdt, niet waar? Waarom heeft de Heer het gedaan?"

„Omdat Hij zondaars lief heeft."

„Hoe weet gij dat?"

wHet staat in den Bijbel."

//Noem eens een woord, waarin dat gezegd wordt."

//Gal. 2: 20: den Zoon van God, die mij heeft lief gehad en zich zeiven voor mij heeft overgegeven."

//Maar moeten wij nu in 't geheel niet meer gestraft worden, daar wij toch straf verdiend hebben?"

//Neen, dat zou niet eerlijk zijn, want de Heer Jezus is er reeds voor gestraft."

//Zoo ziet gij nu," zeide ik, ffdat ieder, die den Heer liefheeft, geheel vrij is van de straf der zonde, en in Gods oogen reeds heeft betaald. O als wij dat waarlijk gelooven, hoe behoorden wij Hem lief te hebben, die zooveel voor ons geleden heeft, opdat de toorn Gods niet op ons zoude blijven, maar wij het eeuwige leven zouden hebben."

Sluiten