Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

N\ 29.

^^ENE M STEM

VOOIl

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

a™ <nj n

Ps. CXYI: 10.

Vrijdag, 22 Julij.

Het geloof is nit het gehoor.

Rom. X: 1.

De uitgave van dit Blad, Eedacteur Dr. C. SCHWARTZ, London5 Stratkmore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & Cc.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ1,50, franco per post ƒ 1,65. —-De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels f 1,— elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naai de plaatsruimte berekend.

De geboorte van Mozes.

Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeke schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. Hebr. XI: 23.

*De regtvaardige zal uit het geloof leven," luidt het getuigenis des Heiligen Geestes bij t'eQ profeet Habakuk; en dezelfde Geest getuigt door den mond van den apostel Pau-

Usi dat dezelfde waarheid schering en inslag

is om zoo te spreken van het woord des Nieuwen Verbonds. De woorden luiden letterlijk: » De regtvaardige door zijn geloof zal ^ven," en men kan evenzeer lezen: »de regtvaardige door het geloof zal leven," of ^el ook: »de regtvaardige door het geloof Zal leven;" want in beide gevallen is het geloof de eenige oorzaak voor regtvaardigheid zoowel als voor leven. Onze regtvaardigheid voor God is de vrucht van ons geloof, en ons leven voor God de uitkomst en openbaring van ons geloof. Met één ^oord: geloof is begin en einde van onze gemeenschap met God.

De apostel Paulus licht deze groote waarheid toe met voorbeelden uit de Schrift aan te halen, die allen de kracht en uitnemendheid van het geloof doen uitkomen. Het is eene heerlijke wolk van getuigen, die de Geest voor ons plaatst, beginnende met Abel den eersten martelaar des geloofs in het beloofde 2aad. Voorts herinnert hij ons de geschiedenis van Henoch, die in heerlijk geloof tot God werd genomen zonder de bitterheid des doods gesmaakt te hebben. Daarna leidt hij °ns in de merkwaardige geschiedenis der aartsvaderen, die, hoe verschillend ook van karakter en gaven, allen vreemdelingen waren op aarde, pelgrims, zoekende naar de stad, wier bouwmeester de Heer is. Ook Sara, ofschoon in vele opzigten zwak , wordt niet met stilzwijgen voorbijgegaan, want ook zy ontving door het geloof kracht om een zoon te baren. Daarna volgt Jozef, wiens geschiedenis zoo treffend en aandoenlijk is, die zoo jong uit 's vaders huis werd verwijderd, en ofschoon hij door zijne eigene broeders werd miskend, gehoond en vertocht en door de Egyptenaars grootelijks Werd geëerd, nooit vergat dat hij een zoon van Israël was, en noch in het leven, noch 1Ji het sterven zich scheidde van de geschiedenis van zijn huis en van de hope van zijn volk, maar integendeel, stervende gemeld heeft van den uitgang der kinderen

Israëls en bevel heeft gegeven van zijn gebeente. En dat gebeente, dat de Israëlieten medenamen op hunnen togt door de woestijn, was een wonderbaar getuigenis van de kracht des geloofs door den stervenden Jozef bewezen.

Met Jozef sluit het aartsvaderlijk tijdperk, en zijn wij de dagen van Mozes, den grooten middelaar des Ouden Yerbonds, den uitnemendsten vertegenwoordiger des geloofs nevens Abraham genaderd. En wanneer wij nu naauwkeurig den persoon van Mozes gadeslaan, en de omstandigheden waarin hij gewerkt heeft, den arbeid waartoe hij werd geroepen, de moeijelijkheden die hij heeft ondervonden, de gevaren die hij heeft doorgestaan, de wonderbare verlossing die hij heeft tot stand gebragt, en dan het oog vestigen op het typisch karakter van al wat hij heeft gezegd en vastgesteld, dan moet men bekennen, dat vooral ook met het oog op de groote beletselen, die hij in het midden van zijn eigen volk heeft ondervonden, zijn leven een uitnemend voorbeeld is van de heerlijkheid des geloofs. Yan daar dat de apostel een stap achteruitgaat, en niet alleen spreekt over het geloof van Mozes, maar ook over dat van zijne ouders vóór zijne geboorte, naardien van hun geloof als het ware zijn leven en al wat hij deed afhankelijk was.

Met deze weinige woorden wensch ik het leven van mozes bij u in te leiden, daar het mijn voornemen is, om, zoo God wil, gedurende eenige maanden den grooten wetgever, den zachtmoedigen getuige, den man onder uwe aandacht te brengen, tot wien God heeft gesproken »als een vriend tot zijnen vriend." Laat ons deze overdenkingen beginnen met te letten op de gevaren waaraan het kind Mozes was blootgesteld, de middelen die tot zijne behoudenis werden gebezigd, en de gelukkige uitkomst die door het geloof verkregen werd.

Wanneer God personen voor een bepaald werk heeft bestemd, geeft Hij telkens in de gebeurtenissen en omstandigheden, die hunne geboorte voorafgaan of haar vergezellen, blijken van Zijne bedoelingen. Alzoo was het met de geboorte van Simson, Samuël, Johannes den Dooper, en alzoo geschiedde het ook bij de geboorte en behoudenis van Mozes. Het is dan ook een groot (Voorregt vrome ouders te hebben, want

1 al is het volkomen waar, dat het geloof

niet als eene nalatenschap of erfenis aan

kinderen overgemaakt kan worden, nogtans is hun voorbeeld, hun onderwijs en zijn vooral hunne gebeden vóór en bij de geboorte van hunne kinderen een groote zegen. Op den grooten dag des Heeren, wanneer veel dat thans verborgen is, openbaar zal worden, zal het dan ook blijken hoe vele kinderen hunne bekeering in verband mogen brengen met de smeekingen hunner ouders ten hunnen behoeve, zoodat menige Augustinus zijne Monica heeft, en welligt zoude men menige Monica het woord mogen herinneren, dat een zoon van zoo vele gebeden niet ligtelijk zou verloren gaan.

Opdat wij een regt begrip verkrijgen van het geloof der ouders van Mozes, is het noodzakelijk de omstandigheden te herinneren, onder welke Mozes werd geboren. Heerlijke beloften waren aan Abraham, nadat God een verbond met hem had gemaakt, gegeven geworden (Genesis XVIII: 8), en deze beloften werden aan Izaak herhaald (XXV: 4), en evenzoo ook aan Jakob (XXVIII: 13, 14). Maar hoe werden zij vervuld? Groote ellende was het lot der geheele natie, der kinderen van Abraham, Izaak en Jakob, wier God zich Jehova noemde. Het is volkomen waar, dat Jozef eene verhevene plaats had bekleed in Egypte, en dat hij groote diensten aan het land zijner vreemdelingschap had bewezen, maar de diensten van Jozef werden spoedig vergeten, de nakomelingen van Farao waren jaloersch op den toenemenden invloed der Israëlieten en beweerden, dat dit gevaarlijk was voor de veiligheid der Egyptenaars. Dit was niets buitengewoons en heeft zich gedurig herhaald in de geschiedenis der gemeente van God in hare betrekking tot de wereld, en te allen tijde en in alle landen is het herhaald geworden, dat Christenen gevaarlijk zijn voor de veiligheid van een land, alsof het niet eene uitgemaakte zaak ware, dat zij die getrouw zijn aan hunnen God, ook getrouw zijn aan hunne aardsche overheid, al werden de Evangelische Christenen in de dagen der hervorming, in Madagascar en Spanje van rebellie verdacht.

Nergens werd in Israël de stem der vertroosting gehoord en nergens was een teeken van naderende verlossing te bespeuren. Heeft dan Jehova Zijne beloften vergeten? Heeft de Heere opgehouden de Regtvaardige en Getrouwe te zijn? Neen, en nog eens neen, maar Hij kiest Zijne middelen en bepaalt Zijnen tijd. Abraham moest vijf en twintig

jaren wachten vóórdat de hem gedane belofte van een zaad werd vervuld, en Jozef gedurende vele jaren uit zijns vaders huis gebannen en een gevangene zijn, vóórdat hij eene eereplaats mogt bekleeden en vader en broeders wederzien, en Mozes zelf moest veertig jaren in de woestijn vertoeven, en weinige schapen weiden, vóórdat hij de taak, hem door den God der vaderen opgedragen, kon aanvaarden. God wilde al deze mannen en door hen ons leeren Hem en Hem alleen de keuze der wegen en middelen over te laten, in de vaste overtuiging dat Zijne wegen wegen van wijsheid en barmhartigheid en majesteit zijn. Het is zeer gemakkelijk, dit in het afgetrokkene toe te stemmen, maar moeijelijk in toepassing te brengen, en daarom is de Heilige Geest gedurig, om zoo te spreken, bezig, om ons deze les te doen verstaan, en hoe spoediger wij haar leeren, hoe beter en veiliger voor onze behoudenis.

De hand van de Egyptenaars rustte zwaar op Israël, en het verblijf in dit land werd pijnlijk, want Egypte was een huis der verdrukking en verteerde hunne kracht als in een vurigen oven. Zij maakten het leven der Israëlieten bitter met hunne menigvuldige kwellingen. En wie kon in deze arme metselaars ontdekken de nakomelingen van Abraham, Gods vriend, den vader van alle geloovigen, den stamvader van groote volken en magtige vorsten? Wie kon in hen ontdekken de erfgenamen der beloftenissen van God? Hoe weinig kennen wij de wegen en bedoelingen van God! Hoe onveilig is het naar den uitwendigen schijn te oordeelen! Ja, de heerlijkheid van God is besloten in aardsche vaten, en God kiest het zwakke en geringe, om het sterke en wijze der wereld te beschamen en te niet te doen.

Wat volgt hieruit? Het is onze pligt ook den schijn des kwaads te vermijden, want zooveel in ons is moeten wij het geven van ergernis trachten te voorkomen; doch aan de andere zijde geen kwaad vermoeden en niet wantrouwen, omdat het uitwendige niet aanzienlijk is en niet strookt met de verborgen heerlijkheid. Want sedert de Zoon Gods Zijne heerlijkheid in menschelijke gedaante heeft verborgen, en de majesteit van Jehova in een doornenbosch werd overschaduwd, kunnen wij gemakkelijk begrijpen, dat het tot Gods rijksgedachte behoort op die wijze Zijne heerlijkheid te openbaren en te verbergen.

Men kan veilig onderstellen, dat hoe langer en hoe meer zij onderdrukt werden, hoe meer hun geloof toenam, en hoe zwakker hun geloof was, hoe meer de ellende der onderdrukking door hen werd gevoeld. Weldra gaf Farao bevel aan de twee Israëlietische vroedvrouwen om, wanneer zij de Israëlietische moeders haren bij stand verleenden, de mannelijke kinderen te dooden. En toen deze Gode meer gehoorzaamden dan den koning werd hetzelfde bevel aan de geheele natie gegeven, en voortaan woedde de vervolging in het geheele land en was noch het vaderlijke huis noch de moederlijke schoot eene plaats van veiligheid, en werd het teederste kind eene prooi der algemeene woede en vervolging.

De middelen zijn door Farao zeer goed gekozen. De vervolging strekt zich uit over het geheele land, en noch medelijden noch tijd brengt eenige verandering te weeg. De koning heeft slechts één doel in het oog: het verzwakken zoo niet vernietigen van Israël, en hij schijnt wel te slagen in het bereiken van zijne doeleinden; nogtans wordt hij beschaamd, en waarom? Omdat hij in het opmaken van zijn balans één buiten aanmerking heeft gelaten, die meer waard is dan tienduizenden, en wel Hem die grooter is dan alle dingen; daarom moet Farao schipbreuk lijden en beschaamd worden in de uitkomsten door hem begeerd en bedoeld. Toen Herodes de kinderen in de nabijheid van Bethlehem vermoordde, werd hij in zijne wreede aanslagen beschaamd gemaakt; toen de Farizeën Jezus aan het kruis nagelden en hun ambtszegel op den steen drukten, die Zijn graf bedekte, werden zij teleurgesteld, omdat zij Hem, die ook in het midden der vijanden regeert, niet in aanmerking namen. Zij steenigden Stephanus en meenden daarmede het Evangelie te hebben vernietigd, en God gaf in zijne plaats het heerlijkste Zijner werktuigen, den apostel Paulus. Zij verbrandden Huss en zy kregen Luther; zij sloten hem op in een klooster, riepen hem naar Rome, en in het klooster vond hij den Bijbel, en op de trappen vandeSt. Pieterskerk te Rome leerde hij verstaan: » De regtvaardige zal uit het geloof, en uit het geloof alleen, leven."

Hoe blind zijn arme, zondige, bekrompene menschen tegen God en Zijn Woord. Wanneer zij gelooven dat hunne magt alles wederstaan kan en alles voor hen moet zwichten, en dat het volk Gods aan hunne willekeur is overgegeven, juist dan bevin-

VOOR KINDEREN.

Gelukkige gczigtjcs.

Wij ontvingen van Miss Annie Macplierson uit Londen het volgende schrijven:

Lieve vrienden!

Mijn hart is vol van blijdschap en dankbaarheid aan den Heer voor het vele goede, dat ik gisteren genieten mogt, en het is in mij gedurig: «Loof den Heer, mijne ziel, en al "wat binnen in mij is Zijnen heiligen naamwant Hij heeft mij de vreugde geschonken meer dan 110 > arme kleiden, wier lot mij zoo ter harte gaat, een regt blijden dag te bereiden. Woorden ontbreken mij, om mijnen dank te uiten aan Hem, die het ons vergunde, en aan de lieve, Christelijke vrienden, die door hunne gaven hebben medegewerkt; het fteest van allen troffen mij de grootere of kleinere giften van mijne jonge vriendjes; hun begeleidend schrijven, zoo vol eigenaardige uitdrukkingen, somtijds zelfs in potlood geschreven en met inkt overgetrokken, deed mij goed aan 't hart.

De kleine lucifermakers met hunne bleeke, ernstige gezigtjes werden uitgenoodigd eens in de heerlijke latuur een dagje door te brengen, en alles werd hiertoe in gereedheid gebragt.

's Morgens om 8 uur zouden wij vertrekken, en Voorziende dat de kleeding van velen niet voldoende Zoude wezen, hadden wij een ruimen voorraad hoeden en jurken klaar gelegd; deze kwamen goed te Pas , en wij waren , zeer blijde , dat niet een enkel kind ons verzoek had vergeten om handen 611 gezigt eene goede beurt te geven; zij zagen er

waarlijk knapjes uit, en wij schikten ze in eene lange, lange rei en deelden onze vaandels uit, 6 nette vlaggen, door den armen kreupelen George gemaakt. Deze ongelukkige jongen is 23 jaar oud en heeft zijn geheele leven niets kunnen verdienen, totdat wij hem aan het maken van vlaggen en banieren hielpen en hiervan voorzien zijn vlugge vingers nu eene menigte Christelijke gezinnen en inrigtingen. Wij régelden zoo goed mogelijk den optogt, toen op eens een kolendrager, die daar met vele anderen aan het werk was, zeer voorzigtig iets uit zijn pet te voorschijn haalde, naar mij toeliep, en mij eene mooije roos aanbood. Het zwarte gelaat voorbijziende, las ik in den blik, waarmee hij mij aanzag, een dankbaar vaderhart voor de zorg, die wij aan zijne kinderen besteden, en het geschenk was mij ontzaggelijk veel waard. Aan het station werden wij in de noodige wagons gepakt en stoomden voort. De verwondering van de meeste kinderen was groot bij elk nieuw tooneel dat wij te zien kregen, hunne aanmerkingen waren dikwijls allergrappigst. Yelen hunner hadden nooit een vrijen dag gehad, of iets anders gezien van de buitenwereld dan straten en huizen, en dus was alles hun hier nieuw. Toen wij een hooiland passeerden riep er een: //kijk daar wordt nu brood van gemaakt!" Toen wij later kersenboomen in het gezigt kregen: //o Daar groeijen aardbeziën." Een ander vraagde mij zachtjes of het hier altijd Zondag was, omdat het zoo stil was. Een klein meisje maakte velen aan het lagchen door den uitroep: //ik ben nog nooit ergens geweest waar het zoo mooi was."

Éindelijk kwamen wij aan de buitenplaats van onzen vriend.

Iets verder verlieten wij de hei en wandelden terug tot aan den ingang. Vele kinderen hadden den geheelen nacht in de fabriek gewerkt en vraag¬

den ons vriendelijk: » of zij in dat lekkere zachte hooi wat mogten gaan liggen;" maar naauwelijks waren wij op zijn grondgebied aangekomen, of onze vriendelijke gastheer kwam ons reeds te gemoet en liet aan elk der kinderen eene flesch gemberbier uitdeelen.

Dat smaakte na dien langen warmen togt, en regt verkwikt stoven zij allen het hooiveld in. De vreugde en,het gelach waren groot; daar beproefde er een het hooi te keeren, hier werd eene der onderwijzeressen door hen begraven onder een hoogen stapel; ginds rolden en buitelden zij over elkander, en telkens kwam er een sterk gejuich naar ons toe. Het was een heerlijk gezigt, die kleine stumpers zoo te zien genieten!

Toen zagen wij de vrouw des huizes met hare kinderen het huis uitkomen (het heerenhuis was op eene hoogte gebouwd en daarom gemakkelijk overal te zien), en begonnen wij onze versjes te zingen; het klonk regt liefelijk door de weerkaatsing der hooge boomen.

De familie kwam nader, en nu werd aan' de kinderen eene koele, ruime plek aangewezen, waar een onafzienbare voorraad podding, kersen en gemberbier klaar stond om hen te onthalen. Zij vleiden zich in 't koele gras neder, en deden zich regt te goed; de kinderen van onzen vriend hielpen mede hunne gasten bedienen en vermaakten zich niet weinig over de gelukkige gezigten. Velen waren geheel verslagen; wat hun 't meest trof weet ik niet, de heerlijke omgeving, het lekkere maal, of de groote vriendelijkheid; maar ik geloof dat het 't laatste was. Nadat wij een Psalm gezongen hadden en onze gastheer gedankt had, gingen wij het bosch in, maar hier wachtte eenige kinderen eene droevige teleurstelling. In hunne eerste blijdschap op 't gezigt van bloemen, begonneu zij

met groote vaart te plukken, maar daar zij zoo geheel onbekend waren met de soorten van wilde bloemen, grepen zij in rozenstruiken, ja zelfs in brandnetels en bezeerden zich velen. Wij troostten de verwonde kleinen zoo goed mogelijk, en beloofden hun ieder een mooijen ruiker, als zij wilden wachten totdat wij naar huis gingen. Nu gingen wij in een groot weiland veldbloemen plukken, en toen er eene menigte bij elkander waren, begon groot en klein kransjes te vlechten; allen leerden het spoedig en weldra waren de meeste hoofden er meê versierd. Tusschen de boomen en over de heuvelen vlogen en draafden de gelukkige kinderen maar voort, het was een schilderachtig geheel; onbegrijpelijk snel waren zij allen op de hoogte van de prettige spelletjes; wegschuilen, krijgertje spelen, dansen en springen, alles ging regt van harte. Moe en warm kwamen zij weder op de rustplaats terug, geroepen door het vriendelijk geklank van de groote schel. Een goed onthaal was weder voor hen klaar gezet, en het smaakte te beter na de vermoeijenis van den tmorgen; met eigen hand deelde onze vriendelijke gastheer koek, brood en kersen uit, en wees hun eene ruime speelplaats met schommels, wipplanken en wat daar al meer bij hoort. Bij troepjes maakten zij hier gebruik van, gedurig werd de lucht vervuld van hun vrolijk gelach, de anderen vermaakten zich onderwijl met de onderwijzeressen, om de namen der bloemen te leeren. Het begon reeds te schemeren, en wij maakten ons gereed om heen te gaan, toen eene dame van eene naburige buitenplaats, door de vrolijke geluiden opmerkzaam geworden, eens kwam kijken, wat er toch gaande was. Het liefelijk tooneel nam haar zoodanig in, dat zij aan een der haren last gaf, haar rijtuig weder voor te doen komen; zij spoedde zich huiswaarts en kwam wel¬

dra terug met eene groote doos, waaruit voor elk kind een nieuw 5-stuiverstukje kwam als eene tegemoetkoming voor den verloren dag. Wij zongen gezamenlijk eene hartelijke dankbetuiging aan deze liefderijke weldoeners en een vaarwel aan velden en bosschen. En rijk voldaan, innig dankbaar aan onzen rijken God, die aldus de harten geneigd had om Zijne arme kleinen aldus te verkwikken.

Eijk van bloemen voorzien , en met schitterende overgelukkige gezigten gingen de kinderen den trein weder in, om in de eentoonige dagen van hun droevig leven, de herinnering aan dezen heerlijken dag als een liefelijken zonnestraal nog lang te genieten. Zouden velen zich niet opgewekt gevoelen, zulk een voorbeeld te volgen, als zij eens bedachten: hoe zulk eene handeling den dierbaren Heiland' zal behagen, die toch gezegd heeft: //Voor zoo veel gij dit aan een Mijner minste broederen gedaan hebt, hebt gij het Mij gedaan."

Een nieuw schepsel.

2 Kor. 5: 17.

Een arm haveloos meisje op eene zondagschool in Ierland, gaf de volgende schoone verklaring van de wedergeboorte. De direkteur vroeg haar wat dit beteekende: een nieuw schepsel in Christus te zijn? Zij stond op en zeide: //Mijnheer — het is juist alsof — ter zelfder tijd deed zij een ouden vuilen en verscheurden omslagdoek af — het is net alsof ik naar Jezus zoude gaan en Hem aandoen als dezen omslagdoek. Zoo sprekende, sloeg zij dien weder om tot hoog om haren hals. — «En als ik Hem zoo om heb, en Hij al mijn vuil bedekt, ben ik een nieuw schepsel, omdat Hij mij met Zijne heerlijkheid overdekt heeft."

Sluiten