Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang-.

Ni. 44.

EENE IEDERLANDSGHE STEM

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

-oin o

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 29 October.

De uitgave van dit Blad, onder Eedactie van Dr. C. SCHWARTZ> geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,6 Bijdragen, Brieven; enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & C°. . elke regel meer 15 Centen. — Groote letters

i*. i4i i ï i . in ii:/\n/umr I ! ; —— — ——-

Dy aragen, oneven, enz., geneve men iraneo te adresseren aan de Uitgevers n. V& nuuun <k

Het geloof is uit het gehoor.

Rom. X: 17.

Bij dit Blad behoort een BIJVOEGSEL.

inhoudende : Vergadering van het Schoolverbond te Utrecht. — Zevende Jaarfeest der Nederl. Ver. voor Israël. — Zevende Jaarfeest der weesinrigting te Neerbosch. — Zeventiende Algemeene Vergadering van de Ned. Evang. Prot. Vereeniging.

Aangezien verscheidene geabonneerden op de Heraut de kwitantiën van hun abonnement gedurig onbetaald terugzenden, worden zij alsnog vriendelijk verzocht , door liet zenden van een postwissel , aan hunne verpligtingen te voldoen, dewijl men zich anders genoodzaakt -zal zien hunne namen in deze Courant bekend te maken.

I)E UITGEVERS.

David onder de Filistijnen.

XVII.

En David zeidetot Achis: Indien ik nu genade in uwe oogen gevondeir heb, men geve my eene plaats in eene van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? Toen gaf he m Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag. Het getal nu der dagen, die Pavid in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden. David nu toog op met zijne mannen, en zy overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten, (want deze zijn van ouds geweest de inwoners des lands) daar gij gaat naar Sur, en tot a;mEgypteland. En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en kleederen, en keerde weder en kwam tot Achis. 1 Samuël 27: 5 9.

Ons opschrift vertelt een pijnlijk feit. David, de toekomstige koning van Israël en overwinnaar van Goliath, in het midden der mannen, wier voorvechter de lasteraar van

Gods naam en volk was geweest. Niemand zal kunnen gelooven, dat het veilig was voor Loth in het midden der mannen van Sodom, niemand onderstellen dat het goed was voor David onder de Filistijnen te vertoeven. Nogtans moet men niet uit het oóg verliezen, dat David volkomen geregtigd was om geen vertrouwen in de verklaringen en betuigingen van Saul te stellen. Niet dat de koning hem opzettelijk wilde misleiden, maar vroegere ondervinding had David doen zien, dat de indrukken, door zijne edelmoedigheid op het hart van den ongelukkigen vorst gemaakt, niet van langen duur zouden zijn, en dat hij weldra door zijne hartstogten weggesleept, de tijdelijke verootmoediging als het ware vergoeden zoude door stoutmoedige nieuwe vervolgingen. David vermeende daarom een scheidsmuur, sterker dan de voorbijgaande opwellingen van Saul, tusschen zich en zijnen vorstelijken vervolger te moeten plaatsen , en daarom besloot hij naar het goeddunken van zijn hart, en zonder den Heer, zoo als hjj gewoon was te doen, te raadplegen , zich tot de vijanden van Israël te

begeven. Welligt vertrouwde hg zelf de mannen, die hem omringden , niet volkomen en vreesde hij dat ook zy, de vervolgingen moede, hem öf zouden verlaten, of aan Saul overleveren, om daardoor zijne gunst te winnen en zich die te verzekeren.

Naar den mensch gesproken was die stap wijs, maar geestelijk, en daarom naar waarheid beoordeeld, was hij dwaas en zeer gevaarlijk. Klaarblijkelijk had de langdurige beproeving eenen verzwakkenden invloed op David uitgeoefend, zoodat hij niet wandelde in het geloof, maar naar hetgeen voor oogen was, en op dit oogenblik meer dacht aan hetgeen zijne persoonlijke veiligheid kon bevorderen of verzekeren, dan aan hetgeen hem betaamde als den man Gods, den koning naar Gods hart. Vroeger reeds hebben wij aangetoond, hoe nadeelig het voor David was tot de Filistijnen te gaan, en hoe deze zwakheid des geloofs gevolgd werd door eene onzedelijke daad, naardien David genoodzaakt was leugenachtig te handelen en zich als gek voor te doen. Maar nu werd de toestand nog veel moeijelijker. Immers hij kwam niet zoo als de vorige keer, alleen, maar omringd van eene schare van dappere mannen, die niets hadden te verliezen en alleen te winnen, en hij kon wel begrijpen dat de Filistijnsche koning hem en zijne bende niet vriendelijk zoude ontvangen, zoo hij niet hoopte David en zijne makkers tegen Israël te kunnen gebruiken; maar tegen Israël te strijden zoude niet alleen

eene zonde tegen God geweest zijn, maar hem onmogelijk gemaakt hebben als koning van Israël, daar de smet, die hem als bondgenoot der Filistijnen tegen zijn eigen volk aankleefde, niet gemakkelijk, zoo immer kon uitgewischt worden. En hij zelf ontwaarde dit spoedig, want hij moest tot allerlei oneerlijke en hem diep vernederende hulpmiddelen zijne toevlugt nemen, om dus doende de gevolgen van zijn verkeerden stap onschadelijk te maken.

Van de andere zijde was de verhouding van David tot de Filistijnen veel gunstiger. Het was nu algemeen bekend, dat Saul met onverbiddelijken en onverbeterlijken haat je¬

gens hem was vervuld, en "niemand kon een man wantrouwen, die aldus miskend, mishandeld, vervolgd als balling eene schuilplaats zocht in het land der vijanden. Der¬

gelijke overwegingen en het vooruitzigt om een dapperen leidsman, zoo als David ongetwijfeld was, en gesteund door moedige mannen, van Israël te vervreemden en voor .de Filistijnen te winnen , deden Achis besluiten om hem zeer vriendelijk te ontvangen. Het

is met onmogelijk, dat Achis, zich herinnerende dat David vroeger eene poging had gedaan om in zijn land eene schuilplaats te vinden, hem uitnoodigde om zich met hem tegen hun gemeenschappelijken vijand Saul te vereenigen; en zoo men meent niet zoo ver te mogen gaan, dan is er in elk geval geen bezwaar tegen de onderstelling van den Joodschen geschiedschrijver Josephus, dat David vóórdat hij tot de Filistijnen ging, zich van eene welwillende ontvangst had vergewist.

Vele Filistijnen te Gath sloegen zekerlijk met bewondering den dapperen man gade, die niet alleen vele Filistijnen van minderen rang, maar zelfs hun dappersten held Goliath had overwonnen. Zij die het Oostersche leven en de gewoonten van krijgshaftige stammen niet kennen, kunnen niet begrijpen, dat David juist omdat hij zoovele Filistijnen en Goliath had gedood, niet onmiddelyk in levensgevaar verkeerde, zoodra hij zijnen voet zette op Filistijnschen grond. David was volkomen veilig ; want een dapper generaal zoude ook nu nog onder een krijgshaftig volk met eer

ontvangen worden, wanneer hij als een vlugteling tot hen kwam, en zijne vroegere heldendaden zouden niet tegen hem maar voor hem pleiten.

Desniettegenstaande was David te Gath in eene zeer moeijelijke positie geplaatst. Hij zoowel als zijne mannen konden naauwelijks onder afgodendienaars leven zonder op de eene of andere wijze aanstoot te geven , en de dagelijksche gedurige aanraking met een afgodisch en aan Israël vijandig volk kon ligt godsdienstige en nationale twisten doen uitbarsten. Elke hunner bewegingen werd zonder twijfel gadegeslagen, en menig wantrouwend en vijandig Filistijn trachtte den koning tegen David in te ne¬

men , terwijl deze zelf naar eene gunstige gelegenheid uitzag om David en zijne bende tegen Israël te gebruiken; een toestand, dien

David natuurlijk zeer vreesde. Zoo men dit alles in aanmerking neemt, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat David vele en velerlei reden tot vreezen had, zoodat hij niet alleen geene rust genoot, zoo als hij had gehoopt, maar gedurig in gevaar verkeerde van of weggejaagd, of als een verrader beschouwd, of tegen Israël gebruikt te worden. David verkeerde naar ligchaam en ziel in een zeer moeijelijken toestand, en ondervond in zijnen persoon wat velen voor en na hem zullen ervaren, dat het zéér gevaarlijk is zich in het midden der vijanden te wagen, omdat men daarmede den Heer verzoekt en zich zeiven aan verzoekingen blootstelt, die, zoo Gods genade niet overvloediger was ten eeuwigen leven, ons zeer zeker zouden verderven.

David dan verzocht aan Achis hem eene stad in het land aan te wijzen, waar hij zich met zijne mannen zoude kunnen vestigen en in hun eigen onderhoud voorzien, zoodat zij niet langer den koning ten laste zouden komen. Het was een zeer stoutmoedig verzoek, want het plaatste David in zeker opzigt in eene geheel onafhankelijke positie, en gaf den vlugteling den rang van een vorst; evenwel gaf Achis daaraan gehoor, en David had nu te beschikken over de wel gelegen en wel beveiligde stad Ziklag, die zoozeer zijn eigendom werd, dat zij voortaan aan de koningen uit het huis van David behoorde.

David wenschte ten deele te gemoet te komen aan de begeerte, om niet te zeggen de bevelen van Achis, en moest tevens zijne mannen in het hanteren der wapenen oe¬

fenen en in hunne dagelijksche behoeften voorzien. Hij leidde hen dien ten gevolge in den strijd tegen de naburige volken. Doch deze waren vrienden der Filistijnen, en daar David den indruk wenschte te geven, ja uitdrukkelijk verklaarde dat zijne togten ondernomen werden tegen de Israëlieten , bleef er niets anders over dan regelmatig alle levende zielen te vermoorden, opdat er geen

getuige van hun onregt overbleef. Natuurlijk was koning Achis dubbel blijde toen hij hoorde hoe David door deze strooptogten het ganscli en al onmogelijk had gemaakt, om zich wederom met Israël te verzoenen en tevens als Israëliet de hand

tegen Israëlieten had uitgestrekt. Alzoo werd David genoodzaakt het door hem gepleegde onregt, toen hij zich in het land der Filistijnen had begeven, voort te zetten, door leugens, huichelarij en bloedvergieten. Men heeft getracht Davids gedrag jegens de naburige volken te verontschuldigen, met de verklaring dat deze volken behoorden tot de door God met een vloek be» laden natiën; maar wat men ook hiervan moge zeggen, David deed het niet om God te verheerlijken, maar om zijn eerste onregt door een tweede te bedekken, en hij staat evenzeer schuldig als Pharao die de Joden on¬

derdrukte, al had God voorzegd dat zij vreemdelingen in zijn land zouden zijn; en de Joden zeiven, die al had God voorzeard dat de

Messias gekruisigd zou worden, Hem kruisigden; niet omdat het voorzegd was en zij de voorzeggingen geloofden en ten uitvoer wilden brengen, maar omdat zij de voorzeggingen niet geloofden en hunne hartstogten botvierden.

En al tracht men Davids gedrag jegens God te verontschuldigen, dan blijft nog steeds zijne verhouding tot Achis, koning

van Gath, over. Deze was wel is waar een Filistijn, afgodendienaar en vijand van Israël, maar hij beschermde" David, was zijn vriend, en al was hij geen vriend van hem geweest, David had geen regt om hem te bedriegen. Juist omdat hij een Israëliet, een geloovige was, is zijne schuld des te zwaarder; want

wanneer een geloovige zijne eigene gedachten volgt en zich veiliger gevoelt onder de bescherming der Filistijnen dan onder de vleugelen van den Allerhoogste, ja Israël verlaat, omdat hem gevaar dreiert en ziine

verblijfplaats onder de Filistijnen kiest, omdat hij meent rust en vrede bij hen te kunnen vinden, dan heeft hij zich daarmede op een zoo gevaarlijk terrein begeven, en zoo klaarblijkelijk zich zelf in verzoeking gebragt, dat hij niet verwonderd zijn kan, wanneer zoodanig verblijf hem de rust en de veiligheid, waarnaar hij haakt, niet geeft en hem buitendien zoozeer in moeijelijkheden verwart, dat alleen die God, dien hij verlaten en op dat oogenblik door wantrouwen verzaakt heeft, hem daaruit redden kan.

Wanneer ik dit ter neder schrijf, dan geschiedt het waarlijk niet om iemand onzer'

tot het veroordeelen van, of tot zelfverheffing

boven David op te wekken, of slechts om David als een man, niet naar het hart van God te doen kennen. In geenen deele; de ondervinding door David opgedaan, moet ons allen tot waarschuwing verstrekken. Ik zoude van David kunnen zeggen, dat hij vergelijkender wijs bij het groene hout vergeleken kan worden, en indien dit nu aah het groene hout is geschied, wat zal aan het dorre geschieden? David had kort te voren blijken van wonderbare zelfverloochening gegeven^ en duidelijk getoond, dat hij de handhaving der hem door God geschonken kroon niet in zijne hand wilde

nemen, maar gansch en al in de hand van God wilde laten. Hij had tot twee malen toe den satanischen raad ontvangen van vrienden, om zich van de kroon meester te maken, door zijne hand tegen Saul uit te steken, die naar het scheen, door God zeiven in zijne hand was, gegeven. Nogtans bood hij weerstand, wandelde in het geloof en bleef onberispelijk. En de man, die zooveel zelfverloochening en zelfbeheersching kon betoonen, die man wordt plotseling zoo verschrikt, dat hij zich tot de vijanden van zijnen God en zijn volk snoedt. en om

zoo te spreken, meer den koning van Gath, dan den Koning des hemels vertrouwt.

Ja, het geloof is eene zeer teedere zaak, en wanneer men eenmaal het regte pad heeft verlaten en het pad der ongeregtigheid gekozen, dan is het onmogelijk te zeggen, waarheen de vijand, die altijd op de been is, en elke gelegenheid gretig aangrijpt om ons nu eens met wantrouwen en dan weder met zorgeloosheid te vervullen, ons zal

doen belanden. Niet zelden is het gevaar het digtst nabij, juist wanneer wij eene schitterende overwinning hebben behaald, en dan ons overgeven aan eene zekere gerustheid, vergetende dat de ondervinding der genade van gisteren in geenen deele voldoende is voor den striid van heden. En

Elias, die op den Carmel Achab en al zijne priesters tegenstand biedt, de eene tegen zoo velen, is op het punt 0111 door eene boodschap van de goddelóoze Jezabel te vlugten. Daarom heeft Hij, die het hart kent in zijne verborgenste schuilhoeken . ons rrp.waar-

schuwd, er niet op te vertrouwen, en ons bevolen te waken en te bidden; want al is de geest gewillig, nogtans wordt ook liij telkens overwonnen door het vleesch, dat helaas zwak, zeer zwak is. C. S.

De Prijs der Advertentlën is TOnT^iTe^lJ/TI worden naar de plaatsruimte berekend. ° '

t ~ —.—

* , '"«igesieia, om art. 14 van het Svnodaal Reglement op de kerkeraden aldus aan te vullen. dat in het voorschrift voor de Doopsbedie111 "7 achter de woorden: op de meest indrukwekkende wijze worde opgenomen: met de gebruikelijke formule (Mattheus 28 vs. 19).

U1ft i00y dit voor te stellen, zal men zesgen, heeft de Synode het regt in twijfel gesteld

m.predikanten, die den christelijken doop niet bedienen te ontslaan.

,, n gebeld ook jjRj. ware kerkelijk regt Zaal-

«n£.;,,C| 0n! n'an'. ^et dan ook regt voor de

■ •• • " 'e' Bestrijders van Christus, heidenen

pn ■zal 6 en tot in de Synode toegelaten,

pnnsripnrien 26 nu ^w"1gen om tegen hunne

„ebruiken? P^nsstelijke doopsformule te

man en . 0U| rGgt en billijk zijn een

te geven 1 n* ri f ^aalberg aan armoede prijs

colWn !r dat h» eerhJker is da)1 raenig

kennen' dat !1' opre»t' °PenllJk zon er-

A ° het doopen m den naam dos Va-

creluk is ™°°nSiien deS. heiligen Geestes onmoj. p i, or allen, die niet gelooven noch in

liikheidA Heeren' 110<* Ü1 de

dat R®n Geostes- Als die mannen

diff gevoelen> is het immers eenvou-

N °,.' t hui1 geweten nog meer verhard is, dan dat van Zaalberg?

w°''\ eei\ man a's Zaalberg te willen dwin^ zÜn geweten hem niet toelaat, t ware gruwelijke dwingelandij!

joo zal men redeneren, en dan liever dan iets te doen, zich zuchtend voegen bij de achtingswaardige vrienden, die de gemeente tot gees e ijken strijd hebben opgeroepen, zeggende: »ik heb gedaan Wat ik kon (d. i. „tets); ik kan den kerkelijken toestand niet veranderen!"

1 Ti- ^ VirejS ,dTt..de IIeer auc,0rs oordeelen 'f ;,, ,enlc dat Hjj zal vragen: wist gij niet dat lk gehoorzaamheid verlangde en geen offerande? Van eene geestelijkheid, die zich niet openbaart in pligtsvervulling, hebt gij immers m uw eigen huis een afkeer ? Zoudt gij het au ld en, wanneer uwe kinderen al de boeken in uwe kamer overhoon miBrnon or> ™

om 70 i x Vicii Ïctsij

strïirlpn °^* redderen ten antwoord gaveu: wij te overw,'n °nS bl.nnenste om deze slordigheict

overwonnen hebben kunnen'^w"^ Tf De huismoeder zon ~ " I!LTC 0pi'flderen'-

, , . 00— ai aoenüe

! , ï11?' en ?P gehoorzaam zijn in het dom

K-uiiii neb aan. iviatineus ji vs. 28 31.

Valsche leer is erg; maar het voorbeeld van ongehoorzaamheid aan ambtspligt en de slapheid om dit tegen te gaan is niet minder kerkverwoestend en werkt:

, . OUCIlVCj:

ten kwade, omdat het aanschouwelijk onderwijs in daden gegeven door iedereen verstaan wordt.

I. E.

üstlier Lyons.

ii.

Eene vraag, die in de gemeente van 'sGravenhage gedaan wordt.

De Synode der Nederl. Hervormde kerk heeft, beweert men, het formulier van den Doop behouden. Dus, zegt de gemeente, moeten de predikanten doopen met de gebruikelijke formule. Maar Zaalberg onttrekt er zich aan door in het geheel niet te doopen. Een diaken vroeg mij : mag zulk pligtverzuim door den kerkeraad lijdelijk worden aangezien? Hij wenschte de aandacht gevestigd te hebben op da vraag in de gemeente gedaan: hoe nu met predikanten te handelen, die eenvoudig zich aan de doopsbediening onttrekken?

Die vraag is vooral in den Haag aan de orde, omdat daar het geval voorkomt. De arme kerkeraad komt van de eene ellende in de andere.

Er zijn diakenen, die bij Zaalberg niet willen^ collecteren; ouderlingen, die bij hem dienst

wei^oicu «iis hij op zijne wijze avondmaal houdt, terwijl de gemeente verwonderd vraagt: mag een leeraar ongestraft den doop nalaten? Als de een dat mag, is 't ook aan een tweede geoorloofd, en zoo zouden ze allen kunnen weigeren te doopen!

Ach ja! in zulk een jammerlijken toestand zijn kerkeraad en gemeente te 'sHage gekomen, door ongehoorzaamheid aan het Hoofd der gemeente.

Bij de eerstvolgende verkiezing van diakenen zal er vermoedelijk eene vrij sterke meerderheid van goedgezinden. in den kerkeraad zijn. Zal deze dan eindelijk den stier bij de hoorns vatten ?

Waarschijnlijk niet. Deze meerderheid zal zeggen: de Synode heeft het formulier van den Doop nog niet gehandhaafd. Integendeel, zij

Nadat Esther Lyons gedurende vele jaren deze mishandelingen eener verwoede, zoo niet half krankzinnige moeder had doorgestaan, kwam zij eindelnk tot hef ^ u

. um uciaraan

moeten onttrekken. Maar het was geene o-e-

zij Ttrern' a huis te verlaten, daar

SLvf l 8 T? , bewaakt, en hare moeder dik-

we-stonfp6 i / w 611 V00ral .hare sclloene» kon V ' zo.°da(;.het arme meisje niet uitgaan Kon Kn buitendien waarheen zou zij gaan ?

wezenlïlf50116 ™lddel®n en geene kennissen, die

Tene sX -Pw !°Ude" zlJn Seweest om haar eene schuilplaats te geven. Zij had eene vrien-

• ®enc Christin (in naam, die echter later

ik wel ? T7g'. °n W;elke reden dan ook, reden m V m Cardlff aïgemeen bekende

reuen niet opnoemen) die haar grootelijks bemoedigde en haar den raad gaf Mr. en Mrs.

omas, die in de stad als zeer vriendeliike menschen bekend stonden en staan, te gaan

sT Bant"'fMr' Thomas is een leeraar dergrootste JJapUsten gemeente in Zuid-Wallis, en wordt

L V I , °°g geaCht te Cardiff- Zijne vrouw heeft zich bijzonder het lot van het arme

c3" !?w V en is eene zeer ernstige

den i °Pr, den avond van 23 Maart,

aen dag waarop Esther het ouderlijk huis ver-

biL "T en, bler?p vestiS ik de aandacht meer "^zonder, daar dit feit van het hoogste gewigt

meer 1 reg^ ™arderil>g der geheele zaak en meer bepaaldelijk der uitspraak van de jurv—

a Esther nooit Mrs. Thomas gesproken, ofschoon Z1J haar welligt op de straat had gen, daar Gardift niet eene zoo groote plaats dat menschen, die daar leven en veel uitgaan, niet elkander zouden ontmoeten. Nooit hadden zij met elkander over Christelijke onderwerpen gesproken, nooit heeft Mrs. Thomas aan Esther door hare nicht een Nieuw Testament heimelijk gezonden. Dit alles werd op het duidelijkst bevestigd voor den regter door de geloofwaardigste getuigen. Wat volgt bieruit? Dat toen Esther naar het huis van den heer ^ihomas ging, zij noch hem noch zijne vröuw persoonlijk kende, nooit met hen over Christelijke dingen gesproken had, en dus onmogelijk door hen bewogen kon zijn, om hare familie te verlaten van wege hare Christelijke overtuiging. Wat ik hier mededeel rust op het

Sluiten