Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang-.

N°. 49.

EENE NEDERLANDSCHE STEM

voor

voor

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag, 3 December.

ps. cxvi: 10. : ; ■ I • _ .—— ■ ■ =- ■

- — ~~ ii .. , i „ ^ ~A n i /»</>(; A J l üm.. 1 c T . .

De uüffïwo van dit Blad, onder Redactie" van Dr. ö SCHWAETZ, geschiedt geregeld des Vrijdags

Bijdragen, .brieven

..„ i. _ _ n n _ TT^ f rrovr>T*S

enz., genevu mcu unuuu ie adresseren aan ae u»-bw'"

van iedere week.

H. DB HOOGH & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,-_ elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

ij dit blad behoort een BJVOEGSEL.

Inhoudende : Vrijmaking der kerk. IV. Of de vrijmaking der kerk ook noodig ia { Christelijke pers. — Twee en twintigste Jaarfeest der Vereeniging ter Verbreiding der Waarheid. II. — Overxigt der prijzen van effecten aan de Amsterdamache beurs.

Plaatstgebrek verhindert0118 het BELANGRIJK ADRES van den heer Jacob Voorhoeve IICzn., aan den Gemeenteraad te Rotterdam, in dit nommcr op te nemen,

gf zij, die zich abonneeren op de volgende jaargang van dit blad, ontvangen van af heden de nog te verschijnen nummers gratis.

"Tenraad.

XXIII.

En de zonen van Rimmon, den Beërotliiet; Kccliab cn Baëna, gingen lieen, en kwamen ten huize van Isbóseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in den middag. En zjj kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende tarwe halen; cn z\j sloegen hem aan He vyfde rib; en Recliab en zyn broeder ^aëua ■ kwamen. Want zij kwamen in huis, als hy P zijn bed lag, in xijnc slaapkamer, en sloegen u > en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd op namen zijn hoofd, en gingen henen, den het vlakke veld, den gansclien gach^'ël4. 5 7.

Dat David van gansclier harte den moord van Abner door Joab afkeurde, lijdt geen twijfel. Abner had wel is waar het huis van Saul tegen David gesteund, en al zijn inv oe gebruikt om het aansluiten der overige stammen bij David te beletten, maar David was juist de man om eene dergelijke getrouwheid te waarderen en eerder te prijzen dan te laken. Buitendien Abner had getracht eene

plannen van Abner, kon hij onmogelijk weten. dat li fit leven van Abner ten minste

even gevaarlijk voor hem was

als zijn dood.

verzoening met hem tot stand te brengen, en het vermoorden van dien in gansch Israël vermaarden man kon slechts de breuke grooter maken en de andere stammen meer dan ooit van David verwijderen. Reden dus genoeg voor David om op het duidelijkst te doen blijken, dat hij in geenen deele gemeene zaak maakte met de moordenaars, maar integendeel hunne daad ten sterkste en stelligste afkeurde, al was hij niet in staat ze te bestraffen.

De dood van Abner was aanvankelijk naar het scheen nadeelig voor de zaak van David; later echter bleek hij eer voordeelig geweest te zijn. Want Abner was de voornaamste, om niet te zeggen de eenige oorzaak geweest dat de overige stammen van David vervreemdden. Zijne toestemming om denzoon van Isaï te huldigen had dat beletsel reeds uit den weg geruimd en zijn dood voleindigde wat hij in de laatste dagen van zijn leven begonnen had. Ware Abner in het leven gebleven dan zou hij zeer natuurlijk zich zeiven den roem hebben toegekend van de andere stammen tot David te hebben toegebragt, en het ware voor David bijna onmogelijk geworden Abner overeenkomstig zijne wenschen te beloonen. Hij moest waarschijnlijk het opperbevel over het leger hebben,

en een man van zijn temperament zoude spoedig bij elke gelegenheid van dezen zijnen rang en zijne magt hebben doen blijken, om zijne eischen te doen gelden, en David te doen gevoelen dat hij koningen aanstellen en afzetten kon naar zijn welbehagen; en welligt zou hij dan ook eene gunstige gelegenheid hebben aangegrepen om deze zijne magt te bewijzen. Maar juist de hooge rang, dien hij dusdoende zou hebben bekleed, zou alligt ontevredenheid hebbenopgewekt onder de dappere helden, die in de donkere dagen van Davids leven, toen hij een balling en gesmaad man was, zich bij hem hadden aangesloten, en nu reeds menigeen de woorden later door Joab uitgesproken, in den mond gegeven hebben: »Ge haat uwe vrienden en bemint uwe

vijanden." Men mag daarom veilig onderstellen dat Abners dood voor David eene winst was, al kon hij de wijze, waarop deze vorst in Israël gedood werd, niet goedkeuren.

Toen Isbóseth hoorde dat Abner niet meer was, hield hij alles voor verloren. Hij wist dat hij slechts door Abners dapperheid en invloed staande gehouden werd, en daar hg zeer zeker onbekend was met de

De stammen die tot dusver den zoon van Saul als koning hadden erkend, waren voor een oogenblik verlegen niet zich zeven, niet zoozeer omdat zij twijfelden aan den uitslag, maar omdat zij de leiding der geheelezaak aan Abner, die hun plotseling ontvallen was, hadden toebetrouwd. Toorts zou het waarlijk niet vreemd zijn, zoo zij ook eeni°'zins verlegen waren met hunne verhouding tot Isbóseth, dien zij gedurende verscheidene jaren .en tot op dat oogenblik als koning hadden gehuldigd, en juist de zwakheid van den vorst wekte eer medelijden dan vijandschap op. Het is zelfs waarschijnlijk, dat Isbóseth in het besef van zijne zwakheid David aanbiedingen gedaan en de kroon aan hem afgestaan zou hebben, zoo niet een kraebtig man als Abner ware opgestaan, en den troon van Sauls zoon had staande gehouden. Terwijl men hierover dacht en redekavelde, verspreidde zich plotseling het gerucht door het gansche land dat ook Isbóseth dood was.

Het was dan ook zoo. Zijne zaak werd aan zij n eigen hof voor verloren gehouden, en zijne omgeving begon voor zich zelve op uitkomst bedacht te zijn. Twee officieren zijner lijfwacht Rechab en Baëna dachten bij zich zeiven, dat hunne toekomstige positie niet weinig verbeterd zou worden, zoo

zij het zwakke leven van den man, die tus-

schen David en den troon over gansch Israël scheen te staan, uitbluschten. En zij besloten daarom hunnen heer té dooden.

Gedurende de hitte des daags, wanneer overeenkomstig Oostersche gewoonten, allen

trachtten te rusten en ook Isbóseth en zijne omgeving rustten, begaven zich de twee

officieren naar het paleis des konings met eenen grooten zak, alsof zij koren wilden halen uit de schatkamer van den vorst. Zij drongen door tot de kamer waar de koning rustig lag te slapen, sloegen hem het hoofd af, verborgen het in den zak, en ontkwamen uit het paleis voordat iemand wist wat gebeurd was. Met den grootsten spoed gingen zij naar Hebron om het loon voor hunne daad te ontvangen.

Zij bragten het hoofd van Isbóseth tot David en zeiden al wat gezegd kon worden om David gunstig voor hen zeiven te stemmen , en hem den indruk te geven, dat zij hem eene groote dienst hadden bewezen, door slechts te doen wat God zelf voor David

zoude willen doen. >Zie, zeggen zij, daar is het hoofd van Isbóseth, den zoon van Saul, uwen vijand, die uwe ziel zocht." Niemand zal ontkennen, dat deze woorden wel berekend waren om in David het gevoel van het geleden onregt te verlevendigen, en hem te herinneren al die mishandelingen en gevaren, waaraan Saul's onverstandig en onverzoenlijk jagen hem gedurende verscheidene jaren van zijn leven had blootgesteld. David was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en eene zoodanige herinnering zoude hem al ligt met mannen kunnen verzoenen, die een zoon van een zoodanigen vijand uit den weg hadden geruimd. De sluwe moordenaars gingen nog een stap verder, en voegden er bij: » Alzoo heeft de heer mijnen heer den koning te dezen dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad." Men ziet de moordenaars trachten hunne daad te kenmerken als iets, dat van den heer zei ven is uitgegaan, en daarmede hunne zelfzuchtige en nietswaardige berekeningen op God te wentelen. Alzoo deden zij wat zoo velen voor en na hen gedaan hebben, God voor hunne ongeregtigheden verantwoordelijk te maken, en te beweren wanneer zij verzocht werden, dat zij door God zeiven verzocht waren geworden,

en daarmede toorn vergaderende voor den dag des oordeels.

David was voor een oogenblik van smart en onwil overweldigd, en naauwelijks in staat iets te zeggen; maar eindelijk sprak hij in woorden, zoo kenmerkend voor den man, die Sauls leven, toen hij wezenlijk in zijne hand gegeven scheen te zyne door

den Heer, tot tweemalen toe had gespaard,

gloeijend van verontwaardiging: »Zoo waarachtig als de Heere leeft, die mijne ziel uit alle benaauwdheid verlost heeft! dewijl ik hem, die mij boodschapte, zeggende; Zie,

Saul is dood, daar hij in zijne oogen was als een, die goede boodschap bragt, nogthans gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende, dat ik hem bodenloon zou geven; hoeveel te meer, wanneer goddelooze mannen eenen regtvaardigen man in zijn huis op zijne slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uwe handen niet eischen, en u van de aarde wegdoen?"

Wij hebben deze woorden volledig medegedeeld , omdat zij ons een diepen blik doen slaan in de gemoedsgesteldheid van David in die oogenblikken. Er is iets gejaagds, hartstogtelijks in die taal. Hij spreekt van den Amalekiet, die zooveel voor zich had te zeggen, en in de opgewektheid en verontwaardiging zijner ziel, zegt hij evenwel niet wat tot verontschuldiging van den Amalekiet had kunnen gezegd worden; hij onderstelt liet evenwel en trekt slechts het besluit: »Hoe veel te meer," wanneer men doet, zoo als gijlieden hebt gedaan, tegen wien alles getuigt en die door alles beschuldigd en verklaagd worden. Indien (dit is Davids redenering, volledig uitgedrukt) ik den Amalekiet niet ontzag, die echter slechts Saul

op zijn 'eigen verzoek, en toen deze aan zijn leven wanhoopte, heeft gedood, hoeveel te minder zal ik dan u ontzien, die verraad en moord en niets dan deze hebt ge¬

pleegd? De Amalekiet had zijne gruweldaad daarmede eenigzins kunnen vergoelijken, dat Saul zijn volk kwaad had gedaan, en hij zich dien ten gevolge op hem wilde wreken; maar gijlieden waart de dienstknechten, officieren van de lijfwacht van uwen koning Isbóseth, aan ulieden had hij zijn leven toebetrouwd, en juist gijlieden hebt hem van het leven beroofd; wat kunt gij tot uwe verontschuldiging zeggen?

Het gedrag van David was allezins regtvaardig en edel, en komt vrij wel overeen met dat van Alexander den Groote, die Bessus, den moordenaar van Darius, de ontzettende woorden toevoegde: »Met welke woede van een wild dier waart gij bezeten, dat gij een vorst eerst binden en daarna vermoorden durft, aan wien gij ten hoogste verpligt waart?" En met diepe verontwaardiging de verontschuldiging verwerpende, die de moordenaar inbragt, gaf hij hem over aan folteringen en daarna aan den kruisdood. De Romeinsche geschiedenis heeft een gansch ander beeld in 't geen Marcus Antonius deed, die den bekenden grooten staatsman liever deed onthoofden en daarna beval dat men hem zijn hoofd en regterliand zou brengen. Toen deze voor hem geplaatst werden, en hij er aan dacht hoe dezen iedereen tot tranen hadden kunnen bewegen, beschouwde hij ze met groot welbehagen, brak herhaaldelijk in een schaterend gelach uit, en verlustigde zich in het verlagen van de overblijfsels van zijn slagtoffer.

David gebood zijn jongen de handen en voeten der moordenaars af te houwen, als

eene daad van bloedige vergelding voor de handen, die den moord hadden begaan en de voeten die ze tot den moord hadden gebragt, overeenkomstig de wet der vergelding, die Mozes in den naam van God had afgekondigd, zeggende: »oog voor oog en

tand voor tand." In den Bijbel echter leest men niet, dat die wet ten uitvoer werd gelegd. Er is slechts een enkel geval, en wel dat van Adonibezek, van wien geschreven staat: »zij jaagden hem na en grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af." (Rigteren 1: 6 en 7), en in het ^eval van de moordenaars bij David

werd de straf uitgevoerd na den dood. In den Bijbel wordt zeer weinig van het afhouwen van handen en voeten, iets dat nu nog zeer gewoon is in Oostersche landen, gesproken, en waarschijnlijk werden dergelijke

straffen in geldboeten veranderd. Maar hoe dit ook zij, het eenige waarmede wij thans te doen hebben, is de edelmoedigheid van David tegenover Saul en zijn geslacht. David wist, dat God hem den troon had gegeven, en hij wist dat God onmogelijk goddelooze middelen goedkeuren kon, en naardien hij den troon uit de hand van Jehova had ontvangen, wilde en kon hij geene middelen goedkeuren, die in strijd waren met Gods Woord.

Het is geene geringe zaak zich onbesmet te houden van alle middelen, die het redenerend verstand aan de hand doet, en vooral wanneer zekere middelen den schijn van door God zeiven ter onzer beschikking gesteld te zijn, aannemen; dan vooral zijn wg al ligt geneigd eene aanwijzing der Voorzienigheid daarin op te mérken en de verraderlijke taal der moordenaars vindt een weerklank in ons hart: »Alzoo heeft de Heer mijnen heer den koning te dezen dage wraak gegeven van Saul en van zijn zaad." Jezus Christus, Davids Zoon en Davids Heer, wist dat Hem door den Yader de koningrijken der aarde tot eene erfenis waren gegeven, en Hij heerschen zou tot aan de einden der aarde, en de duivel bood hem deze erfenis, die Hem van regtswege toebehoorde, aan,

T • 1.7 J T

op cie eenige voorwaarcie riem te menen.

Jezus verwierp het aanbod, omdat wij niet alleen Gods gaven maar ook Gods voorwaarden en middelen, om tot het bezit dezer gaven te geraken moeten aanvaarden; en wie immer beproefd heeft naar dien regel te wandelen ondervindt telkens, dat hoe gewillig de geest ook moge zjjn, het vleesch zwak is, en er overvloedige reden bestaat om te bidden: » Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze." C. S.

De 144,000 verzegelden.

Deze (zegt Openb. 14 v. 4 en 5) zijn 't die met vrouwen niet bevlekt zijn: want zij zijn maagdon. Deze zijn 't, die het Lam volgen, waar het ook henen gaat. Deze zijn gekocht uit de menschen tot eerstelingen Gode en het Lam. En in hunnen mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn onberispelijk voor den troon Gods !

Wat al wonderlijke verklaringen hebben deze woorden uitgelokt, onder menschen, die zich niet eenvoudig aan de Schrift hielden!

Paulus zegt aan eene gemeente, schuldig aan velerlei onreinheid, 2 Corinthe 11 v. 2: »Ik ben ijverig over u met eenen ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als eene reine maagd aan eenen man voor te stellen, namelijk aan Christus."

Het was alzoo mogelijk, dat de zeer bevlekte Corinthische Gemeente* kwam tot den toestand eener reine maagd. Houdt men dat in het oog, dan levert dit gedeelte der Openbaring geene zwarigheid op.

Br is hier geene kwestie van ongetrouwde menschen. Het huwelijk bevlekt niet, volgens de Schrift. Maagden met vrouwen niet bevlekt kunnen in de taal der Schrift wel niet anders zijn dan geloovigen, die zich van de vlekken van valsche kerken en afgevallen natiën hebben vrijgehouden!

Men overdenke de hooge en heerlijke eigenschappen, welke aan deze 144,000 worden toegekend elk afzonderlijk en te zamen, en 't zal blijken dat hetgeen van hen gezegd wordt, op aar Je bereikbaar is, ja zelfs onmisbaar voor eene ware gemeente Christi, een regt volk des Heeren! Dit valt duidelijk in het oog, wanneer men eene vergelijking maakt tusschen hun toestand en die der zaligen, wier arbeid en moeite voorbij is; die zijn waar de troon Gods en des Lams is; die tot aanschouwing van Gods aangezJigt zijn gekomen en als koningen heer¬

schen in allo eeuwigheid (Openb. 22 vs. 3—5.) Dit kan van de 144,000 niet gezegd worden; zij zijn geschikt voor Gods rijk, doch hun arbeid is niet voleindigd; zij leeren het nieuwe lied 't welk zij hooren zingen voor den troon; zij houden zich rein als maagden, als verloofden des Heeren en volgen het Lam waar het ook heengaat, ook in den laatsten strijd. Zij zijn waarlijk een volk des eiger.doms, de eerstelingen welke als gemeenschap, liet doel bereikt hebben door God aan de menschen voorgesteld en door den dood van Christus mogelijk gemaakt.

Eerstelingen Gods zijn deze! Deze uitdrukking geeft zeer veel te denken, en 't is tot genezing van onzen hoogmoed volstrekt niet kwaad, om er ernstig bij stil te staan, in verband met

de 7 brieven aan de 7 gemeenten, waarvan niet ééne het tot dezen trap van heiligmaking heeft gebragt. M. Baxter zegt, dat deze 144,000 geene Israëlieten zijn, omdat het eerstelingen zijn; ik geloof juist andersom naar Jeremia 2 v. 3, Bomeinen 11 v. 16 en Jakobus 1 v. 18, dat deze voornamelijk uit Israël zijn,

In hunnen mond is geen bedrog gevonden; 't zijn louter Christen-Nathanaëls, niet alleen naar menschelijk oordeel, maar voor Gods troon onstraffelijk. Het voornemen van Christus is in hen bereikt zoo als dat aan de gemeente te Efeze was voorgehouden, maar zij niet bereikt heeft, namelijk — Efeze 5 v. 27 — om te zijn „eene gemeente die geene vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, heilig en onberispelijk." Aan dit beeld van menschelijke volmaaktheid op aarde beantwoorden deze 144,000 ten volle. Waren zij reeds opgestaan uit de dooden en hemelbewoners, dan zouden ze niet voorgesteld zijn als op den berg Sion. Zoo als zij nu geteekend zijn, staan ze daar als bereikbare voorbeelden, die wij behooren na te volgen, willen wij eene ware gemeente van Christus zjjn. Wij behooren, om God te kannen loven met een nieuw lied, de gansche kracht van liet werk van Christus aan ons zeiven te ervaren. Dat is in de taal van Psalm 68 niet op den berg Bazan roemen, maar op den berg Sion (Hebreen 12 v. 22); wij behooren ons rein te houden van alle bevlekking der wereld als eene reine maagd; vrij van elke magt — 't zij geestelijke, 't zij staatsmagt-, 't zij nationaal of maatschappelijk, of hoe ook genaamd, waardoor ons hart zou kunnen worden verhinderd, om met eenvoudige ongeveinsde liefde en trouw aan Christus te hangen. In den tijd van Ezecliiël werden Samaria en Jeruzalem voorgesteld als twee vrou¬

wen Ohola en Oholiba (Hoofdstuk 23), en wanneer de profeet kort en krachtig eenige stad in Israël zou hebben willen waarschuwen tegen de verkeerdheden dezer steden, zou hij eenvoudig gezegd hebben: houd u als eene reine maagd voor den Heere, bevlekt u mét deze vrouwen Ohola en Oholiba niet. Zijne bedoeling zou dan volkomen zijn verstaan en zich uitgestrekt hebben niet alleen tot de geestelijke gesteldheid dezer twee steden, maar tot alles wat als de vrucht dezer gesteldheid in het godsdienstig, staatkundig en maatschappelijk leven der bevolking openbaar was,

Zoo dan, gelijk eene reine maagd haren bruidegom geheel aanhangt, behooren wij Christus te volgen op al Zijne wegen, in het aangezigt ook van den Draak het Beest uit de zee en het Beest uit de aarde.

Dit najagen van het Rijk Gods en zijne gerogtigheid moet opregt en ernstig zijn, zonder eenig bedrog in de belijdenis of do getuigenis. Deze onvoorwaardelijke overgave aan Christus en Zijn werk; dit aangrijpen van Zijnen wil, is onberispelijk voor den troon van God, omdat Christus volkomen en heilig is, en wij door geheele overgave aan Hem tot ééne plant, tot één leven, met Hem die ons Hoofd is, vereenigd worden.

Nu blijft nog de vraag over: van waar deze 144,000 op den berg Sion? Wanneer verschijnen zij er en waartoe ?

Het getal van 144,000 is vermoedelijk dat der verzegelden, waarover is gehandeld bij do beschouwing van het 7dc Hoofdstuk der Opcnbabarin'g. Ik zeg vermoedelijk, omdat er niet staat de 144,000, maar eenvoudig 144,000. 't Verband laat 'echter naauwelijks toe aan anderen te denken dan die in het 7de Hoofdstuk bedoeld. Door den sterken Engel van den opgang der zon uit alle geslachten van kinderen Israëls verzegeld, staan zij nu daar als eerstelingen in deii glans der overwinning op den berg Sion. Die Israëlitisch kan denken, gevoelt de beteekenis der uitdrukking van te staan op den berg Sion, met het Lam Gods. De verzegeling loopt -vermoedelijk over het gansche tijdvak der 5 bazuinen , terwijl gedurende de 6dc bazuin, de verzameling of weder herstelling van het volk Gods begint. Dat werk wordt eerst afgebeeld door den tempelbouw, en daarna door geboorte uit de vrouw met de zon bekleed, 't Is zeer klaar, dat alleen Gods volk tot een tempel kan gebouwd worden, en wel een verzegeld volk, genoemd èn ingedeeld naar de 12 geslachten Israëls. Maar zal het een regt heilig volk zijn, dan moet het tot eene nieuwe geboorte komen. De vrouw met de zon bekleed en omkransd met do 12 sterren baart alzoo het volk, dat

Sluiten