Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fcöfi c^si§pi jPt

Zondag 31 October 1880. N". 150.

De Stichting ba Drije Mnteemteit

o, Volk van God, dat zonkt in smaad door trouwverbreking; Maar, in dien smaad gezift, weêr boete doend', met smeeking Aanriept der Vaderen God: „O God! stuit de ontwrichting Van zielevastheid, van Uw Kerk, van 't vaste Woord!"

God heeft gehoord!

Uit deernis met uw smaad, schonk u Zijn trouw deez' stichting.

$ie in be moeftijne bioaelben/ in eenen weg!) ber rcifberniffe: bie geene ftabt ter roooninge en nonben.

<Sij waren Ijongerigï)/ oocl borftig!)/ Ijare gteïe roaS in ïjen ooerftelpt.

ÜDocï) roepenbe tot ben §Cs@9t(§ in be benamobfjept bie fp Robben/ ïjeeft Ijijfe gerebt npt fyare angften.

@nbe (jij tepbbefe op eenen reepten roeg^; om te gaen tot een ftabt ter rooonittge.

Saetfe ooor ben fijne goebertierenïjexjt tonen/ enbe fijne roonberroercfen

ooor be ïinberen ber menfefyen. Ps. CVII : 4—8.

2Bant §et btoafe ©obtë i§ mpfer ban be menfeïjen: enbe [jet ftoacfe ©obts i§ ftercïer ban be menfe^en.

ÜBaitt gp fiet moe rocpinge/ ^ broeberê/ bat [gij] niet nele toijfe [en jijt] na ben oleefelje/ njet oele machtige/ nieï oeïe ebete.

2Waer Ijet btoafe ber raerelt ïjeeft ©obt uptoerloren/ opbat Ijp be roijfe befeïjamen fonbe: enbe fyet froaeïe. ber roerelt ïjeeft ©obt uptoertoren/op bat bp tiet ftercfe fonbe befeljamen.

©nbe ïjet onebele ber roerelt/ enbe I;et oeracljte/ fjeeft ©obt nptoerforen/ enbe Ijet gene niet en i3/ op bat Ijp fjet gene [pet] iê te niete fonbe maïen.

Dp bat geen oleeëcï) en fonbe roemen ooor Ijem. 1 Cor. 1 : 25—29.

Er is in de jongst verloopene week door het volk van God in deze landen gevoeld en bekend, dat de Heere goedertieren is!

Hem Kij de dank, Hem de aanbiddenisse toegebracht!

Want al beliefde het den Machtige Jacobs, óók bij de stichting dezer hoogere School, belijders als instrumenten te gebruiken, Gods echte volk houdt zich bij die instrumenten niet op, maar klimt door tot den Schenker en Bewerker, den Bezieler en Ingever, om te weten, en er in te iubelen, dat het door Hem is rijk gemaakt.

Diep, zeer diep, heeft vooral de kern van dat volk geleden. Hetis geploegd op den rug. Het is vertreden onder smaad. Het is door schoonpraters in den hoek gedrongen, en door spotters bespet met venijn.

Wat anderen voorbijvloog, dat was hun een pijl door de lever.

Hun trok het bloed; het bloed der ziele; dat ze de versmadingen van 's Heeren heiligen Naam als de heffe van den alsem, in de bitterheid hunner eigen ziel, hebben uitgedronken.

Zij konden niet meêjubelen, als anderen die de breuke Zions op het lichtst genazen, reeds lofzongen van geweken gevaar.

Hun oog drong door tot den ontzettenden achtergrond der dingen, waar Satan; zij het ook voor de einduitkomst doelloos; nog nooit afliet in te rennen tegen de heiligheden Gods.

De doodelijke stooten der worstelingen in het rijk der geesten hebben nagedreund in de angstige beving van hun eigen hart.

Het is niet uit te meten noch uit te spreken, wat in de verborgen schuilhoeken der ziel nu deze halve eeuw lang doorworsteld is aan smaad en smart.

Aan smarte bovenal, omdat God den Heere, ook in dien smaad, te belijden als een God die naar recht doet, de overtuigende inspraak der consciëntie was.

Neen, we leden niet als de heiligen, enkel om des Heeren Naam.

Maar zonde, maar ontrouw, maar liefdebreuk en diepverborgen afval werd onder dat over ons komen van de Philistijnen aan het zwervenslieve Israël thuis gezocht.

Het werd bekend dat er een oordeel over Gods huis ging. Dat het oordeel van dat huis begon.

En dat vernederde.

Dat verleerde den hoogen waan des roemens, en het ijlen van dat valsch

gebed, dat wel een wonder uit den hemel wilde, om zonder zielsverbrijzeling en zonder inspanning van alle zielskracht, weêr uit dien smaad met de kerke Gods te komen tot een staat van eer en luister!

Zoo zocht men weêr de diepe wegen.

Walgende van dit zeer lichte brood, ging men Weêr vragen naar de vaste spijs waar spieren van aan de ziel komen.

Uit de valsch-geestelijke rust, die zich zelf behaagde in een opgewreven vernis van keuvelende vroomheid, joeg de wind des Geestes weêr op; weêr uit; naar buiten; door de doornen en de distelen heen.

Zoo kwam men in de woestijn. Men werd ontledigd. De nood benarde en neep. Men voelde zich klein gemaakt en vernederd.

Toen riepen ze tot den Heere in de angsten, die ze hadden, en Hij zond een geest uit van verootmoediging, en toen er nederigheid door nederheid kwam, daalde er genade uit den Hooge neêr.

En zie, toen schoot er een vezel uit den zaadkorrel, en die vezel zoog sappen op, en de kiem sproot uit, en er kwam weêr een opleven, een nagel aan de heilige plaats door Zijn groote ontfermingen.

Dat is de zin, dat de beteekenis van wat 's Heeren volk de week die verliep, bij het openen der „Vrije Gereformeerde School van hooger onderwijs" gevoeld; waaronder dat volk zich zelf verootmoedigd; waarvoor het den trouwen Ontfermer gedankt heeft.

Och, dat nu alle hoogheid geweerd bleve!

Dat het gegeven pand door ons volk met vrijwilligheid wierde gesteund!

Niet enkel voor ons kleine landje, maar voor alle Gereformeerde kerken kan deze Stichting een gunste Gods worden.

Bid dan, o mijn volk, bid, om mannen vol van kracht en des Heiligen Geestes, die staan kunnen in deze voorhoven van de Wetenschappen des Heeren.

Laat er een roepen zijn al den dag en al den nacht, óm vrede; wede ook in de wereld der gedachten; voor het Jeruzalem Gods. ,

En is, ter gedachtenisse aan zoo heuglijke gebeurtenis, in dit gedenkblad saamgevat wat deze Stichting voorafging, weêrvoer eer ze optrad en bij haar optreden verzeilen mocht; trekke dit geen onzer te sterk naar wat menschen deden, maar blijve èn voor bouwmeesters èn voor wie den bouw kwamen aanstaren, de diepste zielstoon ook te midden van het heiligst enthousiasme:

(Boö alleen 31; 6e eer!

KÏÏYIER,

Sluiten