is toegevoegd aan uw favorieten.

De heraut voor de gereformeerde kerken in Nederland, 1920, no 2235, 21-11-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V

« Het nadrukken van den Inbond van dit blad is verboden overeenkomstig de Wet op het Antenrsrecht.

". ^laa wordt gekegeld des Vrijdags aan dc geabonneerden veraonden, 'IQragen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den Inhoud

LJ I J _ J „ DtO A fUTIC A knnnomontAII Ptt

»*n dit m»a

A 1 •*—" ucilCll. IC dUI CsSCCI Cll <*«*■!« uv okunu ■ II.. ' »

,ertentiën aan de ADMINISTRATIE. Bureau: N.Z. Voorburgwal 68—60, ta Amstardam

'Qzendlnaan !. . j 7J - - J , ... 11 iinr nrnr/i^n fint.

mc laiei uaD uonaer'*<*£ » uaimuuags ic **«•

**ngen. kunnen voor het nummer 'in die week niet meer In aanmerking komen

Zondag 21 November 1920 N°. 2235.

ADonnamantsprUs: franco aan huls, per drie maanden /1.60 bij vooruitbetaling voor het Buitenland en Ned.-Indië per jur / 7.20 bij vooruitbetaling. Afzonderlijke nummers j —.18.

Adfartantiin: van 1 tot 5 regels /1.35, met In begrip van bewijsnummer, voor eiken repel meer /-.?5 Aanvragen en vermelding van liefdegaven /-.I2 per regel.

€tjjtócf)en.

i.

Nu de Heraut de vorige week het laatste Voorstuk heeft gebracht dat Dr. Kuyper, die, als Groen, tot stelregel had, «steeds vooruit te werken", nog geschreven heeft, begin ik in de de Heraut van deze wtek aan de taak, wa-irtoe ik ben a»ï oreznr hr

ö »

tot het einde van dit nar het blad van

TT J-

Voorstukken te voorzien.

Ik heb deze taak aanvaard met weemoed

bij de gedachte aan het heengaan van hem, op wien zij zoovele jaren rustte; met schuchterheid bij bezinning op de wij'.e waarop hij haar vervulde en waartoe onder

meer behoorde wat, op den dag na zijn

sterven, een met-antirevolutionair blad »de

kroon op zijn werk als schrijver" noemde:

dat »een kind hem kon begrijpen*; maar

ook heb ik deze taak aanvaard met liefdepiëceit voor de nagedachtenis van hem, aan wien ik, sedert ik hem voor nu vijfen-dertig ja*r op mijn levensweg mocht ontmoeten, zoo onzegbaar veel heb te danken, want ik weet hoe zijn Heraut, als middel ter veriijking en verheldering van het Gereformeerde bewustzijn van ons volk, hem na aan het hart lag.

Zoo hoop ik, de laatste zes weken van dit jaar, dat in den avond van 8 November Kuyper's sterfjaar is geworden zijn Heraut als schrijver van dc Voorstukken te dienen, en wel met een in het Kersten een in het Ourlejaar-Nr. en met vier Nrs. over: «De Ethischen".

Na al wat, zoo vroeger als later, van Gert fotmeerden kant over dit laatste onderwerp reeds is geschreven, zou ik het niet

hebben gekozen.

Toch meen ik, dat door de wetenschappe¬

lijke behandeling van dit onderwerp ook

iu den joi g>ten tijd, etn »populaire" uit

eenzetting nog niet oveib d'g is gemaakt. En ik kwam t >t die meening door een, bij

onze redactie, tweemaal it gekomen schrijven, waarin naar zulk een uiteenzetting gevraagd

werd. Een vraag, gericht door wie zich aandienden als eenvoudige kerkleden, tot den

Raad hunner dorpskerk en die door dez-n

verzonden is naar de Heraut, r.en vraag der bezorgdheid, opgekomen uit het, door die leden in naburige Kerken waargenomen,

verschijnsel vau grensveifl >uwing tusschen

«gereformeerd" en »ethisch", zelfs ook,

hoewel nog maar nu en dan zich opdoende

in de prediking. En toen de wettige troon

opvolger van onzen nu gestorven gebieder

over de Heraut, mijn mederedacteur Dr. H.

H. KuVper, mi] verzocht zulk een uit¬

zetting te geven, achtte ik het, al is het

mij niet te doen een aanval te richten op

mijn «ethische" mede-christenen, mijn plicht

aan zijn verzoek te voldoen.

De be/waren daaraan verbonden, onder¬

schat ik niet.

Een uiteenzetting als mii verzocht werd

te geven, eischt, om bevredigend te zij

voor hen, die haar vroegen, ten, zooal met vermijten, dan toch, wanneer zij onvermijdelijk zijn, telkens toelichten van god¬

geleerde en ook van wijsgeerige vak-termen.

Daarbij komt, dat onder ons Gerefor¬

meerde volk, en ik denk hier weer aan

hen die de uitzetting vroegen, omtrent de

«Ethischen" en de richting, die zij wijzen en volgen de meest zonderlinge voorstellingen gangbaar zijn. Werd toch niet reeds vóór ji^en vau onverdacht Gereformeerde zijde omtrent de ethische Theologie geschreven : «Onder ons volk heer-enen over de ethische Theologie zoo vreemde voorstellingen, dat alle afwijkingen van net geijkte Gereformeerde op haar naam worden geboekt"? En werd, nog niet zoo lang geleden, van den zelfden kant omtrent de ethische richting geschreven dat zij, »onder het volk met Remo'istrantisme. gematigde Orthodoxie of het streven naar heiligheid des levens verward wordt*?

Een uitzetting als voor hen, die haar vroegen, dient èn een beschrijving èu een beoordeeling te bevatten.

Maar dan ook een beschrijving, dieniet, door overdrijving, tot een caricatuur van de Ethischen en hua richting op Theologisch gebied z u worden, doch door het afsnijden van aan haar wezen vreemde en daaromtrent verwarde voorstellingen, een wel omlij id beeld tracht bij te brengen.

Maar dan ook een beoordeeling, die teedciheid aan rechtvaardigheid paart. Een stoere Gereformeerde zei mij onlangs, en ik was het goed met hem eens, «de ethischen zijn onze broeders* Wie toch «ethisch* is zal, bij alle verschil dat ook onder hen heerscht, op de vraag: »wat is

Remo'istrantisme. gematigde Orthodoxie of

uw eenige troost beide in het leven en sterven ?* met ons be'ijden, wat wie »moderne is niet kan en wil doen: »Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven

en s: rven, niet mijn, maar mij s getrou¬

wen Zaligmaker Jezus Christus eigen ben*

nan al moet ook de teederheid zich

paren aan de rechtvaardigheid, bij de be-

nnrrWlirnr mae de eerste ae laatste mei vei

schalken. Naar de normen of maatstaven, die d . Schrift, de belijdenis en de geschie¬

denis ons. Gereformeerden aan de hand

kunnen wii. dit waarin onze ethi¬

sche mede-christenen van ons ver-chillen,

niet anders zien dan als een van wat voor

ons »de meest zuivere religie* is, afdwalende richting.

Dit verschil, dat niet mag worden verdoezeld, zal ik dan ook in mijn beoordeelii g van wat «ethisch* is, trachten te doen uitkomen.

Het verschijnsel van grensverfUuwing

tusschen Gereformeerd en tuniscn worat niet alieen door hen, die ons naar een populaire uiteenzetting van het verschil

vroegen, besp-urd, maar blijkens hetgeen

onlangs van e'hiscne zijae is gezegd, worat

deze grensveiflmwing, ook door de Ethischen zelf gezien.

Op een vergadering der «vereemgmg tot

versterki' g van het ethisch beginsel*, den 21sten October van dit jaar te Utrecht

gehouden, zei toch Dr. J. F. B=erends, die

haar praesideerde, sprekend over: »De

ethischen en de Kerk*: »Wie zijn de ethischen ? Niet de menschen, die het zoo nauw met de waarheid niet nemen, zich tevreden stellen met een »afgezakte theo¬

logie», in de algemeene verzoening geloo

Dan, ik voorzie ook no,| iets anders en

wel. dat de lezers voor wie miin uiteen¬

zetting bestemd is, er in zullen missen die zeldzame gave van, als het moet, populairschrijven, waardoor al wat uit de pen komt, reeds op het eerste gezicht voor de mannen en vrouwen uit het volk begrijpelijk is. Een gave, die aan onzen gestorven H »ofJredacteur zoo rijkelijk was toebedeeld, doch mij en daarom vraag ik dan ook van die lezers bij voorbaat toegevendheid, in zooveel mindere mateis geschonken. Maar laat mij daar ook de verzekering aan mogen toevoegen, dat het mijn oprechte begeerte is, zij het dan ook met minder helderkliukeude en met zwakkere stem, niet ?nders

te verkondigen dan wat door dezen heraut onzer Gereformeerde Kerken in zijn Heraut voor de leden dier Kerken steeds is uit¬

geroepen.

Aan de beschrijving en beoordeeling van

de Ethische richting wil ik in dit inleidende Voorstuk doen voorafgaan een schets van den toestand ten onzent op het gebied van Kerk en Godgeleerdheid in dtn tijd toen deze richting ontstond.

Alzoo eeu stukje vaderlaodsche geschiedenis.

Ea dan is het zeker niette sterk gezegd, dat, als uit het geboomte in den winter, de levenskracht uit onze Gereformeerde Kerken, om ons tot haar te bepalen, in dien tijd scheen geweken te zijn.

En het winterde al lang.

Mea zegt dat het reeds omstreeks 1750 begonnen was.

De stempel door den machtigen geest van Calvij.i, den Vader van onze, in de 16s eeuw tot reformatie gekomen, kerken op haar leer en mricl ting geztt was, altnans wat die leer octrui, t<-eu vrijwel uitgesleten.

De dagen waarin Voetius, dè Leeraar onzer gereformeerde — even als Tnomas van Aqumo, dè Leeraar der middeleeuwsche

ven, dp heiligmaking op den voorgrond)op haar leer en mricl ting geztt was,

plaatsen, «Meer* zeggen, nieuwe gezangen

zingen, vrij met de kerkelijke liturgie om

springen, of aan »critiek« doen. Er zijn

predikanten en gemeenteleden, die al deze

kenteekenen vertoonen en niet ethisch zijn, zooals omgekeerd er menschen zijn, die

geregeld de wet laten voorlezen, enkel

Psalmen zingen, «Heere* zeggen, beweren, dat zij niet aan «critiek* doen en toch ethisch zijn. Ethisch is men, wanneer men

den godsdienst beschouwt als iets dat de geheele persoonlijkheid raakt, niet in de

eerste plaats het verstand, maar het hart, het centrum der persoonlijkheid. De ethi¬

schen leggen den nadruk op het zedelijk

karakter der waarheid in tegenstelling met

confessioneelen en gereformeerden, die het

mtellectueele karakter op den voorgrond

brengen, al ontkennen zij natuurlijk dat

zedelijk karakter niet.*

Nu weet ik wel, dat Dr. B erends toen

hij het had over predikanten en gemeenteleden, die gereformeerd schijnen, maar

ethisch zijn, menschen in de Hervormde

Kerk op het oog had; doch reeds, door enkel maar te letten op de beweegreden.

die de hierboven gemelde gereformeerde

dorpbewoners leidde tot de vraag naar een

uiteenzetting van het verschil tu-schen ge

reformeerd tn ethisch, wordt mij de ken¬

nis bijg-bracht dat er zulke menschen ook

in onze kei ken zijn

En dat niet alleen van Gereformeerden

kant door eenvoudige gemeenteleden,

maar ook van ethischen kant door een

ethischen doctor in de Theologie de be¬

denkelijke verdoezeling van het verschil

werd waargenomen, is dan ook de reden

waarom ik het zeggen van Dr. Beerends

hier na voren brti g. Daarbij komt dan nog, dat onze vragers aan dit zeggen van

B;erends, waarin, op wat tnièt ethisch is", volgt »wat dan wèt ethisch is", met dit laatste al terstond een, zij het dan ook nog maar gedeeltelijke, beantwoording van hun vraag hebben.

Ik zou hun daarom dringend willen raden dat stuk uit mijn aanhaliug hetwelk met: »Ethisch is men" begint en eindigt met «zedelijk karakter niet", — nog eens opmerkzaam te herlezen. Want al vermoed ik, dat zij er ook dan nog niet heelemaal achter zullen zijn wit «ethisch" is en waarom het een tegenstelling met «gereformeerd" vormt, zij hebben er dan toch alvast een »kort begrip" aan van wat in mijn «populaire uiteenzetting" nader zal worden toegelicht.

En nu nog even vóór ik met mijq uiteenzetting van wal steek.

Ik voorzie dat de theologisch-geschoolden onder mijn lezers er van zullen zeggen: izwijg gij maar stil, dat weet i« ook wel!" Maar ik verzoek ze dan te bedenken, dat ik deze Voorstukken over de Ethischen, niet voor de koks, m^ar voor de gasten schiijf en dau bepaaldelijk voor gasten, die slechts gediend zijn van wat naar de regels der Hollandsche kookkunst is toebereid.

L

altnans wac aie leer octrui, toen vrijwel

Kerk — door toepassing van in de scholen

beoetende logika of «kunstleer van het

denken*, die wij, als een ook thans nog

bruikbaar werktuig in het wetenschappelijk bedriji, aan den Griekschen in 322 v. Chr.

gestorven wijsgeer Anstoteles hebben te danken, de logika waarmee Voetius, door

haar op de dogmen of leerstukken toe te passen, het begiijpen daarvan had bevorderd, die dagen waren iu 1750 lang voorbij.

Zeker, met een enkel verstandelijk, of

intellectueel »begrijpen* van de leerstukken is men nog geen christen, geen gereformeerd christen, en dat wist Voetius ook wel. Hij toch wist, dat men ook zouder dat begrip wel christen kon zijn. Wat t< ch eeu mensch tot een christen maakt is de »wedergeboorte* of die werking van den H. Geest, welke God, zonder ons, in ons werkt; een verborgen werking, een genade waardoor de mensch, die haar ontvangen heeft, straks gelooft in den eenigen waarachtigen God en zich tot Hem bekeert.

Maar wie zich omtrent iets wat ook, en dus Ook omtrent een leerstuk en wat er mee saamhangt, de vraag stelt: wit het is, wil zich daaromtrent, min of meer bewust, een »begrip* vormen. In het »begrip* toch trekt ous denkend ik een grens tussch n wie iets is en wit het niet-is, zooals men — herinner u maar het »verzet de

oude palen niet* — door te ompalen, grenzen

zet tusschen akker en akker, dorp en dorp.

Zulk een begripsbepaling voorkomt verwairii g en bevordert helderheid van inzicht, en bezin u er nu maar op hoe noodig het is zich intedenken, om maar iets te noemen het onderscheid tusschen wit »liefde" en wit «geloof", tusschen wat de «hebbelijkheid" en de «dadelijkheid", het vermogen en de werking des geloofs is. Niet alleen toch voor wie goed onderwijst is zulk onderscheiden noodig, maar ook voor hem die Oi derwezen wordt. Eu zulk onderscheiden heeft onze Voetius sedert hij, in 1636, hoogleeraar aan de hoogeschool te Utrecht was geworden zijn studenten geleerd en

deze hebben het als predikers in onze

kerken hun kerkleden, die er vatbaar voor waren, weer geleerd.

Voetius had, met smart en deernis, het

na korten zomertijd herfst zien worden. Dat begon al betrekkelijk kort na de Synode van Dordt in 1618 en '19, waarop het

Remonstrantisme dat in onze kerken was gedrongen er was uitgedreven.De Voetiaansche richting werd, als de scholastieke, door de

bijbelsche , die op de geschiedenis inplaats

vau op de kerkleer eu daarin op de voor¬

beschikking den nadruk legde, bestreden

en straks drong het Remonstrautisme in

de kerken weer in.

En toen naderde de winter.

Er was geen gertf. rmeerde Theologie aan

onze hoogescholen en er was in onze ktrken,

op enkele uitzonderingen na, geen gere¬

formeerde prediking meer sedert 1750.

De stempel van Calvijn waarin de woorden: «Gods Souvereiniteit" en «Gezag der Schrift" zoo diep en duidelijk gegrift waren, eens doorhem op onze Kerken gedrukt, wis uitgesleten.

Voetius' Theologie drukte men toen onverdiend het schandmerk «dor intellectualisme" op.

Onvrrdiend, want niet minder dan op verheldering van leerstellig inzicht door

begripsbepaling, had Voetius aangedron-i

gen op vordering van het innige, mystieke of verborgen leven en ook op saamleven met de menschen, in gezindheid en handelen, naar de daarvoor door God gegeven

geboden.

«Dor intellectualisme", niet Voetius was er de patroon van geweest, maar de voorstanders van dat rationalisme en supranaturalisme, die nu in School en Kerk aan het woord waren.

Zij, de mannen der 18e eeuwsche Verlichting, der «opgeklaaide en vrijzinnige denkbeelden".

De Rationalisten, die de menschelijke «ratio" of rede vereenzelv:gden met «gezond verstand", en godsdienst en kerkleer met hun gezond verstand trachtten te bewijzen om, voorzoover hun dit niet mogelijk was, ze te verwerpen of te laten rusten.

De Supranaturalisten, van «supra" boven en «naiura" natuur, die met hun «gezond verstand" nog wel konden overeenbrengen, dat er boven de Natuur een goddelijk Wezen was en, dat ook de wonderen waarvan de

Bijbel verhaalt, kon hebben verricht, maar voor wie die wonderen zelf, als eenmaal

[geschied, geen verdere beteekenis hadden,

en die overigens met hun «gezond ver¬

stand tegenover de kerkleer, als niet opgeklaard genoeg, vrij slap stonden.

Het winterde lang en het winterde fel in

de tweede helft der 18s eeuw, in School

en Kerk.

Maar daarbuiten was de levenskracht

* p

die eens in de Gereformeerde kerken werkte,

nog niet geweken.

Zij werkte, als de groeikracht in vroe¬

gen lentetijd, onder die stillen in den lande,

die, als niet vele rijken en aanzienlijken, zich terugtrekkend uit wat voor hen

«wereld" was, hun geestelijk voedsel zoe¬

kend bij de «oude Schrijvers", in de «ge¬

zelschappen ot «conventikelen , deels met voorliefde voor het dogmatische, deels

met voorliefde voor het mystieke of prak-

tikale, naar bevrediging zochten voor wat zij iu hun eigen kerken niet vonden.

Eu dat bicven zij doen, toen ook de stempel, dien Calviju op onze kerk inrichting had gezet, tot onkenbaar wordens uitsleet. Tueu de Dordtsche kerkenordening, waaronder de Geieformeerde kerken totdusvei hadden geleefd, werd vervangen door het dien kerken onwettig opgelegd Reglement vau 1816. Toen de «Syuodale organisatie" de moker werd die sloopte het onder Calvijn's archuekiuur, ten behoeve* zijner geestverwanten opgericht monumentaal gebouw.

Dan, ook buiten de conventikels deden zien verschijnselen voor, die lente-opleving spelden.

Baderdijk, de denker-dichter, en zijn leerling Da Costa lieten hun stem hooren tegen den geest der eeuw, tegen het liberalisme of de vrijzinnigheid ook in de Kerk.

De door Bdderaijk beïuvloede Réveil, welks invloed straks ook Da Costa onderging, een «Ontwaking* van zondebesef in het protestantache Zw.tserland en Frankrijk, vertoonde zich vandaar, omstreek» 1830, ook in ons land als een opwekking, zooai niet uitsluitend, dan toch vooral in de hoogere standen onzer maatschappij, tot persoonlijke bekeenng.

Dan, de mannen en vrouwen van den

verbrijzelden kerkbouw^ waarop men in de kringen van de gezelschappen althans hoopte, schier niet gedacht.

En toch is, onder Gods leiding, ook de Réveil, zoo voor het weer opbloeien van het gereformeerde leven, als voor dien opbouw, zij het ook indirect, tot een middel geworden.

De stoot daartoe èn voor de mannen en de vrouwen der conventikels èn voor die van de Réveil is, hoe onbedoeld ook,

van de Theologische Faculteit der Groninger Akademie uitgegaan.

Deze Faculteit, als die onzer andere Akademies, bestemd tot opleiding van predikers in het Hervormd Kerkgenootschap, was in 1831 bezet door de hoogleeraren Hofstede de Groot, Pareau en Van Oordt. Onbevredigd met de «gezondverstands" Theologie der Rationalisten en Supranaturalisten, vreemd aan den Réveil met zijn

verdiept zondebesel en van het Calvinisme,

als uitheemsch van oorsprong, afkeerig, poogden deze drie Godgeleerden aan de Theologie een nieuwe, echt-Nederlandsche en evangelische richting te geven. Vrucht

van dit hun gemeenschappelijk pogen was

de «Groninger Theologie", wier eigenaardigheid zich kenmerkt door nadruk leggen

op het «gevoel tegenover het «verstand*;

zien van het Christendom als «de open¬

baring en de opleiding door God in Jezus

Christus ons gegeven om ons Gode steeds gelijkvormiger te maken"; onderschatting

van het Uude- tegenover het Nieuwe Tes¬

tament en in het laatste onderschatting van Paulus' brieven tegenover de evangeliën ; ontkenning van het leerstuk der Heilige Dneënheid Gods en daarmee van I de Godheid vau Christus, en, bij het doen

; pgaan van «verzoening" in «opvoeding", ontkenning ook van de «voldoening" voor <>ns, door Christus aan de gerechtigheid Gods.

Dat deze hoogleeraren tegenover zichzelf en de door hen gevormde predikers van geen handhaving der nog altijd, als «leer van de Hervormde Kerk," in de drie Formulieren van eenigheid vastgelegde kerkleer wilden weten en dan ook meenden aan het formulier-gezag zich niet te moeten storen, is zeker zielkund g te Verklaren.

Met name in de conventikels der vromen, waarin de leer der Kerk nog bekend was, werd men door, deze nieuwe leer bedroefd en verontrust, en in hernieuwde liefde voor de Kerk der vaderen drong de gedachte aan hervorming van de in leer en inrichting vervormde Kerk zich al meer op.

In enkele jonge mannen onder de toen zeldzaam geworden rechtzinnige predikers in het Hervormd Genootschap, in De Cock te Ulrum, in Scholten te Doeveren, in Biummelkamp en van Raalte vond dit volk zijn bezielde en bezielende leiders op den weg tot reformatie.

Deze reformatie van 1834 bedoelde, blijkens «de acte van afscheiding en wederkeering*, niet het stichten eener nieuwe

Da Costa lieten hun stem hooren tegen den geest der eeuw, tegen het liberalisme of de vrijzinnigheid ook in de Kerk.

Réveil, «kinderen van ééu vader, maar

van verschillende moeders*, komend uit

Kerken van onderscheiden belijdenis, waren op het stuk van de leer onderling ver¬

deeld. De Réveil met zijn vasthouden aan slechts drie leerstukken : «het gezag

der bcnrift*, «de Godheid van Christus* en «Zijn verzoenend sterven* heeft, als algemeen-christelijk, voor het weer opleven vau het gereformeerde leven, dan ook geen rechtstreeksche gevolgen gehad. De Réveil, in ziju wezen onkerkelijk, met ziju zoo weldadig aandoende «soit des icnes* of dorst naar redding der zielen, heeft, naar zijn aard, meer bedacht op «het zoe¬

ken van hut verloren schaap dan op het

Kerk, maar enkel door middel van schei¬

ding van het in 1816 ingestelde kerkbe¬

stuur, de vervormde Kerk te hervormen. Bij de leiders der beweging, beinvloed door de studie van Calvijn en ook door den Réveil, zat de gedachte voor aan her¬

tel van Calvijns verbrijzelden kerkbouw en

een dan daarin weer verkondigen vanCalvijns

leer. Vandaar dan ook, dat de mannen

van '34, zich bewust van de wettige kin¬

deren der 16s eeuwsche vaderen te zijn,

hun rechten op het vaderlijk erfgoed niet piijs gaven. Dan, juist daarom, als predi¬

kanten door de besturen afgezet, als kerk¬

leden door de regeering vervolgd, door Groen van Prinsterer verdedigd, heeft maar een deel van hen bij die aanspraak volhard, en gaf een ander deel haar op. Toen het toch iu 1836 tot de hernieuwde kerkinrichting kwam onder den naam van «Christelijke Gereformeerde Kerk onder het Kruis* met als grondslag: de Heilige Schrift, de drie Formulieren van eenigheid en de Dordtsche Kerkenordening, werd de aldus na deformatie op nieuw gereformeerde Kerk door de regeering niet erkend.

Het kruis der vervolging bleef drukken en werd enkel opgeheven voor hen, die, ten koste van hun rechten, de vrijheid verkregen. De beweging van 34 ging in twee stroomingen uiteen, die eerst in 1869 op de Synode te Middelburg, onder den naam van «gedeeltelijk Christelijke Gereformeerde Kerk", werden hereenigd.

Door de stichting van de Theologische School te Kampen in 1854 werd in de wetenschappelijke opleiding van predikanten

herstel vau de ontredderde schaapskooi*«, voorzien.

als zoodanig, aan weeropbouw vau CalvijusJ Zoo is dan, door de Scheiding, de