Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 4.

%

Drie en twintigste Jaargang. (Eerste Kwartaal.)

1875.

STEMMEN UIT DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK IN NEDERLAND.

(Ten voordeele der Theologische School te Kampen.)

Joël II : la. Blaast de Bazuin.

Vrijdag1, 22 Jannarij 1875.

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almagtigen.

Ps. 91 : 1.

Dit Blad wordt wekelijks, des Vrijdags uitgegeven. Abonnementsprijs, per drie maanden, franco per post, door geheel het Kijk ƒ 1.50. Voor Amerika en Zuid-Afrika f 2.50. Voor Oost-Friesland f 2.—. Abonnementen buiten het Rijk moeten per kwartaal vóóruit worden betaald. Prijs van afzonderlijke nommers 124 ct.

Uitgever:

S. VAN YELZEN JR.

TE 'sGK A.VENHAGE.

Prijs der advertentiën van 1—10 regels f 1.—; elke regel meer 10 ets. Boekhandelaars-advertentiën 3/2 maal. — Advertentiën en bestellingen gelieve men op werkdagen vrachtvrij te adresseren aan den Drukker W. E. J. Tjeenk Willink, te Zwolle; Kerk- en Schoolnieuws, benevens in te zenden Stukken aan de Redactie te Kampen.

Godsdienst en natuurwetenschap.

»In onze eeuw doet de wetenschap reuzenschreden op het gebied der natuurkunde. Maar zij sticht een rijk van eenvormig materialisme." — Zoo ongeveer spraken we in een vorig opstel.

De geschriften van de mannen der wetenschap bevestigen deze waarheid schier dagelijks.

In een der bladen aan de bespreking van 't onderwijs gewijd, klaagt een medewerker, dat er zoo weinig pogingen worden aangewend, om de natuurwetenschap te popularizeeren , en dat hét onderwijs in dat vak op de scholen wordt verwaarloosd. Op de treurige gevolgen dier nalatigheid wijzende , zegt hij: »Geen wonder dan ook, dat de orthodoxie weliger tiert, dan eenige jaren geleden; want hoe minder kennis, des te grooter geloof. Waar 'tweten begint, houdt 't geloof op;' waar het eerste dus niet tot zijn recht komt; heeft 'tlaatste 'tRijk alleen."

En verder, zijn woord richtende tot den schrijver van een schoolboekje over de natuurkunde, vervolgt hij:... En al blijkt bet uit enkele zinsneden, dat ook gij nog eenigzins van den ouden zuurdeesem doortrokken zijt, uwe pogingen zullen strekken om't Rijk der Waarheid, des Lichts uit te breiden, ook onder 't plebs, dat reeds te lang onder 't dwangjuk der dogmatiek gezucht heeft!" — Ge ziet het — de orthodoxie, 't geloof, zijn de monsters, tegen welke de natuurwetenschap, met het staal in de vuist, te velde moet trekken, 't Geloof en de orthodoxie de nevelen, waarin de lagere standen zijn gehuld, en die verdwijnen zullen, zoodra de zonder kennis boven de kim zal rijzen, 't FV eten zal dan in de plaats komen van 't geloof. Kan t materialisme zijn streven duidelijker schetsen? Toe te geven ware 't nog, wanneer dat streven zich richtte tegen 't %'geloof. Thans , nu de natuurwetenschap 't gebied des geloofs zal betreden, overschrijdt ze hare grenzen. Zich te wijden aan 't onderzoek der stof, de verschijnselen der materiëele wereld waar te nemen, de oorzaken dier verschijnselen op te sporen , dat is hare taak. En eere, wien eere toekomt, zoolang zij zich die taak bewast was, toonde ze zich groot en verheven , werd ze met welverdiende lauweren getooid in den strijd tegen de dwaling. Ëan ganschen drom van nachtuilen heeft ze op de vlucht gedreven, alchimisten en wichelaars zijn verdwenen bij hare verschijning. Uitvindingen en ontdekkingen waren de vruchten, die ze met milde, met kwistige hand der wereld aanbood. We erkennen. die weldaden, maar schieten het harnas aan, wanneer ze, tuk op haar overwinningen, en dronken van roem, zich vermeet orthodoxie , geloof, dogmatiek in eigen veste te bestoken.

Te verklaren is die aanmatiging wel. De natuurkundige weet, dat de wisseling der jaargetijden, regen en droogte, leven en sterven aan vaste wetten onderworpen zijn. Eu waar de menigte in storm en onweder slechts teekens ziet van 's Hemels ongenoegen, verklaart hij die verschijnselen uit de wetten van oorzaak en gevolg. Voor hem is de natuur eene groote machine , alle onderdeelen zijn raderen, die in elkander grijpen, zoodat et geheel ongestoord in beweging blijft, nare rustelooze werkzaamheid, hare har¬

monie , is voor hem 't hoogste ideaal der volmaaktheid. Zij is zijn God.

Dagelijksche waarneming leert hem, dat niets wordt vernietigd in hare groote huishouding. 't Water, dat bij zomerhette in plassen en kreken opdroogt vervormt zich tot damp, tot wolken, en zal, vroeg of spa, als regen, zijn vaderland terugvinden. Het lijk, dat naar den doodenakker wordt gebracht, en den maden ten prooi gegeven, gaat over tot ontbinding. De grondstof waaruit het was saamgesteld geeft het aanzijn aan dier of plant. Zij leeft voort in eindelooze vervormingen. Zoo vindt de droom van een eeuwig voortbestaan hier reeds dagelijks zijne verwezenlijking. Aan 't bestaan der ziel, aan een eeuwig leven te gelooven, ware dus dwaasheid.

Maar tegen deze resultaten, tegen de loochening van den God der Openbaring, en van een eeuwig leven, kan en mag de Christen nooit anders dan protesteeren. Ook hij ziet de wetten, waarnaar ieder deel van 't werk der groote Schepping zich regelt, hij weet, dat uit die ketea geen schakel kan worden gemist. Edoch, bij iedere schrede die hij doet in den tempel der natuurwetenschap , bij iedere nieuwe ontdekking, ziet hij de hand van een almachtig God , roemt hij zijne wijsheid en goedheid.

Even dwaas als het zijn zou, bij 't aanschouwen van een meesterstuk van beeldhouwwerk, tot de slotsom te komen dat het beeld zich zelf geformeerd had, even dwaas is de meening, dat de stof zich zelve, door voortschrijdende ontwikkeling, tot den tegenwoordigeu toestand heeft gebracht. Of, zoo men hiervoor nog terugdeinst, nog wil erkennen dat een almachtig Wezen , in den beginne , der schepping haar aanzijn schonk, maar zich sints dien tijd terugtrok, en nimmer ingrijpt in het raderwerk des heelals , dan aanvaarden we die stelling evenmin. Op grond van de ervaring eens Christens moeten we haar tegenspreken. Immers, ware die meening waarheid, dan zou de mensch onderworpen zijn aan een onverbiddelijk noodlot, en ieder gebed , opgezonden in bange oogenblikken tot den troon des Heeren, ware ijdel geklap.

En, stemmen wij verder toe, dat er in de natuur eene voortdurende stofwisseling en vervorming plaats heeft, dat 's menscheu lichaam ook in dien zin niet sterft, we nemen met dat geloof alleen geen genoegen. Wanneer we onze doodea leggen in den koelen schoot der aarde , dan moge een stofvergoder zich verheugen in de hoop, dien dierbaren afgestorvene te goeder ure in bloem of plant herboren te zien, die troost is ons te schraal.' De schoot der aarde is voor ons de akker , waarin het sterfelijk lichaam wordt gezaaid, om eenmaal onsterfelijk te verrijzen. Om te worden opgewekt, en, met de ziel vereenigd , het eeuwig leven te genieten, waarvoor de mensch reeds bij zijne wording was bestemd. Dat eeuwig leven verkondigt ieder menschenhart, wanneer het streeft en tobt en woelt om vrede en duurzaam geluk deelachtig te worden. Van dat eeuwig leven spreekt de dichter, die op vleugelen der phantazie in purperen nevelen het verre vaderland aanschouwt, waarnaar zijn hart met heimwee dorst.

Gelijk voor den Athener van Paulus dagen,

is nog thans voor den materialist die opstanding der dooden een steen des aanstoots. Voor hem die aan Jezus hand dobbert op de holle zee dezes levens, is eene lichtbaak, die de haven des heils aanwijst. En waar zijn verstand dit wonder niet kan bevatten, daar is voor hem 't geloof in een almachtig God een bewijs der zaken, die men niet ziet'. Door dit geloof bezield, eerbiedigt hij de wonderen door dien God van ouds gewrocht, de daden, waarvan Zijn Woord getuigt. Dat woord zal geen duimbreed wijken.

De Bijbel moge naar 't zeggen der vermittlungstheorie geen leerboek der natuurkunde zijn : wij gelooven desniettemin , dat Zijne uitspraken niet in strijd zijn met de Godsopenbaring in de natuur. De resultateu der wetenschap kunnen eiken dag door ande.-e -vordeu vervangen. De priesters dier wetenschap zullen 't erkennen , dat hun weten nog verre is van de volmaaktheid. Eens, wanneer er van 't kennen ten deele geen sprake meer zal zijn, wanneer alle nevelen zullen zijn opgeklaard, en geloof plaats heeft gemaakt voor aanschouwen, dan zal er harmonie bestaan tusschen den Bijbel en de Wetenschap.

Nog een woord Christenen, bidt en werkt 1 Gij, die met loffelijken ijver strijdt voor dé belangen'van staat en kerk, — vergeet hen niet, die u het naaste zijn: uwe kinderen. De stroom van den tijdgeest zal hen meevoeren , eer ge 't weet. U-w plicht is 't, voor hen te waken. Niet door hen te onttrekken aan den strijd der geesten, maar door hen te wapenen tegen den vijand, die hunne ziel zoekt te rooven.

Januari 1875. P. K. Pzn.

Subsidievrees en subsidiebegeepte.

Het vorig nummer van »de Bazuin''' bewees dat er in onze kerk zijn die vrees hebben voor en anderen die begeerte hebben naar subsidie. Op dit oogenblik staan wij niet voor de vraag of wij subsidie van den Staat zullen aannemen of niet. Er is tijd de zaak nog eens van alle zijden te bezien. Daarom mag ook in ons blad het laatste woord over deze zaak nog niet gesproken zijn. Het is een praktisch vraagstuk waarbij de leden evenzeer betrokken zijn als de leeraars. En practische vraagstukken lokken dikwijls vele en velerlei redeneeringeu uit. Te beslissen, spoedig te beslissen, wordt hierdoor voor velen moeilijk en heeft het zijn nut dat de zaak door meerderen besproken wordt.

Voor dit oogenblik spreken wij als ons gevoelen uit dat zoomin de kerk in 't gemeen als de leeraars in 't bijzonder er finantieel door gebaat zouden wezen, indien subsidie door den Staat ons werd gegeven.

Men rekene met de werkelijkheid. En die werkelijkheid zegt het, dat waar men vroeger of later subsidie kreeg van de gemeentebesturen voor de diacouiearmen, de kollecten in' de kerk verminderden. Ons is meer dan éene gemeente bekend waar men opgehouden heeft de subsidie aan te nemen, omdat men door die subsidie, of wilt ge liever, na de subsidie, moeite had om te voorzien in de behoeften der armen. Men kwam juist door die ellende tot de bewustheid .dat de Heer der gemeente de armen ter verzorging heeft gegeven aan de gemeente en niet aan de burgerlijke regeering.

En is niet de geschiedenis van de Herv. kerk, van vele gemeenten in die kerk daar om deze meening te staven ?

Wij citeeren daarom wat wij lazen in het Wag. Weekblad van den 14 dezer; . .

Een andere gemeente op de Veluwe,ongeveer 1000 zielen sterk, waar op een enkele uitzondering na wel geen rijken gevonden worden, maar die toch ook niet arm kan heeten , was in de laatste jaren bij herhaling vacant. Alle moeite werd gedaan om het tractement, dat zoo ongeveer / 900 a f 1000 bedraagt te verhoogen. We meenen dat er ƒ 100 bijkwam. Verder kon men 't niet brengen. En dat is nu nog wel een hartelijke en kerklievende gemeente , waar bijna alle leden van denzelfden zin zijn. Hoe als eens de ƒ 577 landstraktement niet meer werden uitbetaald? — In de nabijheid dier beide gemeenten ligt een stad, waar drie predikanten dienen. Het rijk geeft ieder hunner / 1100, en de kerkvoogdij legt er ƒ 300 bij. Maar wie kan van ƒ 1400 leven , en daar moet dan voor twee dier leeraars nog de huishuur en belasting af. Hemel en aarde is bewogen om het traktement te verhoogen, wijl bij voorkomende vacaturen — en die zijn daar steeds aan de orde —. bij-oa al de beroepeuen — eens beriep men in één vacature tbt 28 maal toe —bedanken. En 't resultaat was , nul op 't request. — En in deze drie gemeenten is men orthodox , kerk- en predikantlievend ; d?,ar vindt men tal van vrome menschen. In de eene gemeente kan men niets doen, en in de beide anderen zou toen wel iets kunnen, waar om velerlei redenen doet men . het toch niet. — En zoo is 't bijna overal elders. Vraagt het maar aan de vacante gemeente in 'tBildt, prov. Friesland, waar alle pogingen om het tractement te vinden op niets zijn uitgeloopen; vraagt het maar aan Kampen. Wil men weten hoe 't gaan zou, als 'tland geen traktement meer betaalde, welnu, die tijd is er eenmaal geweest, tijdens de fransche overheersching. En hoe ging het toen? Eén voorbeeld uit vele. In een Noordhollandsche gemeente stond een waarlijk vroom leeraar, doch zonder eenig fortuin. Spoedig werd de armoede zoo groot, dat zijn vrouw een water- en vuurwinkeltje moest beginnen. De oudjes hadden 't bitter armoedig. Alleen zaturdagsch kreeg de prediker een stukje vleesch , om kracht te bekomen voor 't prediken op den Zondag. Trouw ging de man met zijn gewone werk voort. En wat deden de gemeenteleden ? Niets. Wanneer de pistoor aldaar zich over den dominé niet ontfermd had door hem nu en dan een zak aardappelen en een stuk spek te zenden, dan zou de ellende nog grooter geweest zijn."— Werd het later veel beter? Een nog levend predikant, ook van orthodoxe richting, kon aan zijue kinderen slechts droog roggebrood te eten geven; voor de vrouwdie een zwakke maag had, werd nu en dan een wittebroodje gekocht".

Hieruit blijkt dat de gemeenten, steunende op het geld van den Staat, aan het geven ontwennen en niet gemakkelijk er weêr toé te brengen zijn om in eigen behoeften te voorzien. Zelfs in dringende omstandigheden schijnen zulke gemeenten er niet toe te kunnen komen. Tijdens de Eransche overheersching waren er vele leeraren die gebrek leden —

DB BA

Sluiten