is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 12, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATUURLIJKE PHOSPHATBN.

Na bekomen machtiging van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, zoowel tot het instellen vaneen onderzoek in loco, als tot het kosteloos verrichten van het chemisch onderzoek van een aantal monsters uit de ontdekte lagen, werd mij op 29 Sept. jl. door den eigenaar der gronden, waar de phosphaatlagen geconstateerd waren, gelegenheid gegeven de terreinen in oogensohouw te nemen, waartoe mij genoemde eigenaar, de heer Mr. J. P. 8., notaris te A. bij Maastricht, op de meest voorkomende en meest heusche wijze ontving en mij alle gewenschte inlichtingen verstrekte. Het terrein, waar het phosphaat was gevonden, ligt op de helling en op het plateau aan den linker oever van de Gulp, een zijriviertje van de Geul, kort bij het dorpje Slenaken dicht bij de Belgische grens en strekt zich uit overeen complex van minstens een paar honderd H.A. inde richting van zuid tot noord. De eerste boring, waarbij dadelijk de aanwezigheid van phosphaat was geconstateerd, had plaats in Juli 1890 en sedert werden op verschillende plaatsen, in ’t geheel over de honderd, andere putten geboord, die alle ongeveer hetzelfde resultaat opleverden: nadat men door de zandlaag en door de daarop volgende grijze mergelhoudende laag was heengekomen, stiet men op eene zekere diepte (variëerende tusschen 3 en 8 meter) op eene groene samenhangende vochtige laag, welke bij onderzoek phosphorzuur bleek te bevattendeze groene laag had eene gemiddelde dikte van circa 2t/2 meter. Op enkele plaatsen werden in inzinkingen bruine stukken nodulen gevonden die eveneens een phosphorzuurgehalte aantoonden. Bij mijn bezoek ter plaatse werd in mijne tegenwoordigheid eene nieuwe put geboord; uit deze laatste en uiteen 6 tal der oude putten werden monsters uit de verschillende lagen medegenomen; bij het onderzoek dezer putten (het nederdalen geschiedde eenvoudig door middel vaneen touw met beugel om den voet in te plaatsen dat langs een katrol werd afgewonden) kon de groene stof inde etages (gangen, vanuit den ingang der put ondergronds doorloopende) duidelijk als eene onafgebroken laag worden waargenomen; opmerkelijk waren hierbij de groote hoeveelheden Belemnieten (1) welke zich daarin bevonden, benevens andere dierlijke overblijfselen. Ook van deze voorwerpen werden een aantal medegenomen ten einde omtrent den ouderdom en oorsprong der groene phosphaathoudende laag zoo mogelijk nadere opheldering te kunnen geven. Het chemisch onderzoek der medegenomen monsters strekte zich hoofdzakelijk uit over de bepaling van het totaal phosphorzuurgehalte, terwijl van één der monsters, dat als type voor de groene matière kan dienen, een volledig qualitatief onderzoek werd ingesteld. (1) Belemnieten zijn deelen van het beenderstelsel vaneen cephalopodon, welke waarschijnlijk 10 armen had, die zuignappen droegen en met scherpe haken bewapend waren, de dieren hadden twee groote vinnen, in het lichaam een inktzak en schijnen over het algemeen genomen in hunne soort vrijwel analoog aan de hedendaagsche inktvisschen te zijn geweest.

180