Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minahassa kwalijk genomen, dat zij op zulke gronden den Doop weigerden, en ik kan mij dit zeer wel begrijpen. Ook ik ben van meening, dat zij hierin te streng kerkelijk te werk zijn gegaan; maar dit gaf den Heer de Vkies nog niet het recht zulke kinderen in zijn doopboek op te nemen, al laat men gelden de verplichting, die de Roomsche kerk hare geestelijkheid oplegt tot doopen, waar slechts daartoe de gelegenheid zich voordoet. De pastoor was hier niet minder verantwoording verschuldigd aan de Regeering, van welke hij, onder bepaalde voorwaarden, verlof tot zijne dienstreis ontvangen had.

Te Batahan ging het erger toe. Daar werden ongeveer 180 personen gedoopt, en onder dezen de hoekoem-besar, die door zijnen invloed vele volwassenen en onder dezen niet weinige reeds gedoopte christenen tot overgang wist te bewegen, ja te dwingen. Hoe dit is toegegaan, is indertijd door den zendeling Wieesma in het licht gesteld. (1)

Is het te verwonderen, dat de zendelingen diep getroffen waren door eene ervaring als deze. Was de pastoor zijn verlof te buiten gegaan, of lag het in de bedoeling der Regeering, dat ook de Roomsche kerk haar zendingwerk tot de Minahassa zou uitstrekken? Het laatste was immers niet aan te nemen? Waartoe zou de Regeering hare taak verzwaren, waar zij het in hare macht had, geheel in overeenstemming met haar beleid, verdeeldheid te voorkomen? Doch men kende de volharding van Rome, den invloed, dien het zich daardoor op den langen duur weet te verwerven ; er was voldoende reden om zich tot de Regeering te wenden, en de zendelingen deden zulks in het hiervolgende request.

(1) Zie zijn t Ervaringen gedurende mijn twaalfjarig zendingsleven" p. 148, e v.

Sluiten