Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wereld met zichzelven verzoenende; wat ons aangaat, wel betamend ons bij dezen godsdienst te houden of ons daarbij met geheel ons hart aan te sluiten en in geloof, bekeering en heiligmaking de bewijzen daarvan te geven. Ik wist, dat het mij daarbij aan stof niet ontbreken zou; alléén had ik toe te zien, het meest bevattelijke en geschikte voor mijne toehoorders, toegelicht met de noodige beelden en verhalen, uit te zoeken.

»Vó<5r kerktijd kwamen Kjai Bandjar en Pak-Soeratthi hunne opwachting maken. Kjai-Bandjar woont in de desa Gilang, ] paal (=20 minuten gaans) van Mlaten. Hij is weduwnaar, Geruimen tijd vertoefde hij te Mödjöwarnö, om genezing voor zijne oogen te zoeken. Daar werd hij indachtig, dat zijn vader, die stierf, toen hij nog zeer jong was, ook christen geweest was. Meer en meer werd zijne belangstelling gewekt. Teruggekeerd, begaf hij zich tot Paq-Mastökö, om te leeren, en in het vorige jaar werd hij in de gemeente opgenomen. Hij is een opgewekt en belangstellend man. Pak-Soeratti gaat met hem mede. Hij behoort onder degenen, zooals er vooral onder deze gemeente velen gevonden worden, die wel ter kerke komen, doch zich niet willen laten onderwijzen. Dat dezulken niet tot veel licht kunnen komen, ondervond ik ook aan dezen. Te vergeefs trachtte ik hem tot eeuig bewustzijn van de behoefte zijner ziel te brengen. Ik vroeg hem, waarom hij niet leerde, zooals Kjai-Bandjar vroeger gedaan had? Hij begreep mij niet.

n vPak Soeratti"" zeide ik hierop, »//weet gij wel, dat gij eene ziel hebt?"" Kennelijk verstond hij mij nu nog veel minder.

»/ Hierop vroeg ik hem, of er verschil is tusschen mensch en dier? Dit wilde hij wel toestemmen.

,/Ik vroeg hem nu naar zijne gezondheid? O, dat ging nog al, als van iemand, die niet jong meer is.

Sluiten