Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen, maar van vermoeidheid van de reis van den vorigen dag was geen sprake.

Wieu zou het een oogenblik in de gedachte hebben kunnen komen, te onderstellen, dat dit de laatste maal was, dat wij den nog zoo krachtigen man gezond voor ons zouden zien? En toch was het zoo. Na enkele dagen werd hij op het ziekbed geworpen, en toen hij langzaam herstelde, bleek het, dat er iets bij hem had plaats gehad, dat hem geheel en al had veranderd. De lichaamskrachten keerden wel gedeeltelijk terug, maar de geest was voor een groot gedeelte uitgedoofd. Hij was genoodzaakt zijn ontslag te vragen, of liever, de noodzakelijkheid bestond hem daartoe zacht te dwingen, want hij zelf had geen besef van zijn' toestand. Hij, die altijd een zoo levendig aandeel had genomen aan al wat er in zijn district voorviel, kon nu dingen in zijne onmiddellijke nabijheid geschied, zich laten vertellen als gingen zij heui in 't minst niet aan. Deze toestand werd van lieverlede erger. Toen in October '86 zijn oudste zoon, tot zijn' opvolger benoemd, werd geïnstalleerd, en hij aan dezen den stok met vergulden knop, het teeken zijner waardigheid moest overgeven, was het treffend te zien, hoe hij tranen stortte, en dus op dat oogenblik nog wel eenige bewustheid had van hetgeen gebeurde. Maar dat werd al minder, en toen ik in Mei j.1. afscheid van hem kwam nemen, begreep hij in 't minst niet, dat ik op 't punt stond van te vertrekken. De man was levend dood.

Toch had ik toen nog niet gedacht, dat na ruim één maand ook het lichaam reeds zou bezwijken. Zeer trof het mij, toen ik de tijding van zijn' dood ontving, en het speet mij, nu het zóó weinig verschilde, dat de omstandigheden niet eenigszins anders waren geweest en ik niet eenige weken later Maoembi had verlaten.