Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rapport omtrent de zendingconferentie te liremen. (28 tot 31 Mei 1889). (1)

Toen ik ten vorigen jare de eer en het voorrecht had de groote, algemeene zendingconferentie te Londen bij te wonen, sprak ik aldaar in een bijzondere bijeenkomst van de continentale afgevaardigden den wensch uit, dat de zevende samenkomst te Bremen, die dat jaar was uitgesteld, toch in 1889 gehouden zou worden, omdat ik van meening was, dat de kleinere vergadering in de vriendelijke Weserstad aangenamer indruk maakte, en waarschijnlijk ook vruchtbaarder mocht heeten, dan de door honderden bezochte, in meer dan één opzicht imposante conferenties in de Exeter-Hall.

Mijn destijds uitgesproken wensch is vervuld, en de goede verwachting, die ik van de Bremer-conferentie koesterde, is niet beschaamd geworden.

De Nord-Deutsche Missious-Gesellschaft zond in het afgeloopen voorjaar haar uitnoodigingsbrieven aan de verschillende zendelinggenootschappen van het vaste land van Europa, en aan enkele specialiteiten op het zendinggebied, en bepaalde naar gewoonte de Hemelvaartsweek om in het gastvrije Bremen samen te komen.

Ons Hoofdbestuur deed üs. Schuller tot Peursum en mij de eer en het genoegen aan, ons wederom'tot afgevaardigden van het Nederlandsche zendelinggenootschap te benoemen, gelijk ook de Utrechtsche Vereeniging door denzelfden afgevaardigde, dien wij vóór vijf jaren ont-

(1) Bestemd voor de Jaarvergadering van het Nederlandsche zendelinggt nootiirhxj ; doch, bij gebrek aan tijd, daar niet voorgedragen.