Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreeselijke beenwond, tengevolge van liet springen van een dynamietpatroon ; en hij is niet de eerste.

Dankbaar zijn de Bat-aks niet erg, maar toch zijn ze vaak erg gevoelig voor betoonde hulp; als ik een dorp bezoek waar een oud-patient van mij woont, kan ik meestal rekenen op vriendelijke ontvangst althans van dezen.

Maar ik moet ook een en ander vertellen van Boekit, onze eerste bijpost.

Over Boekit heb ik niets dan lof!

In het begin van dit jaar begonnen we aan een huisje voor den goeroe, die na zijn huwelijk met een dochter van den overleden pëngoeloe van dat dorp een gewoon Bataksch huis -— een Bataksche djaboe (deel van een huis) betrok. Al lang was mij dit een doorn in het oog geweest. Onze onderwijzers, die door hunne opleiding wat hooger staan dan hun rasgenooten, verlangen zelf ook naar een eigen huisje, al is het dan ook wat klein, maar voor het behouden van hunnen geestelijken rijkdom is dit ook zeer noodig. Zoo spoedig zakt zoo'n Batak terug!

De lieden van Boekit hebben flink geholpen : hout gesleept en idjoek (= dakbedekking) gehaald. Zelfs van andere dorpen boden ze hulp, die ook gretig werd aangenomen.

In Boekit was nog iets dat reden tot blijdschap gaf. Bijna alle huisgezinnen hebben van het hunne een weinig afgezonderd om den timmerman te helpen betalen. „Wij een deel, de toewan de rest," zeiden zij. Gaarne wilde ik, dat ze op alle plaatsen, waar ik wil beginnen, zoo spraken, Maar zoover zijn we nog niet. Zóóveel voelen ze er nog niet voor, maar aan dit denkbeeld blijf ik wel vasthouden, en ben nu al zeker, dat ze het later gaarne betalen.

Ik ben over Boekit nog niet uitgepraat!