Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeielijkheid, om ze goed te bewaren en te onderhouden; 4e. de geringe noodzakelijkheid der aanschaffing, daar reeds nu elk bruidspaar bij de huwelijksplechtigheid zelf zorgt voor een pajoeng (door leenen of huren).

Dit laatste nu juist was de groote grief van de voorstanders van het voorstel: de gegoeden toch konden van prijaji (ambtenaar) familieleden, gemakkelijk een mooie pajoeng leenen, terwijl de arme lieden zich met een leelijke gehuurde moesten behelpen. Dit stond mlarat (armoedig) en was der gemeente onwaardig. Bovendien in kleinere gemeenten (in een ander ressort) had men reeds pajoeng's ! En wat het geld betreft, als de kerkekas de kosten niet kon dragen, dan moest de armekas (loemboeng miskin) er maar voor aangesproken worden ! Kyaï Asiël, gesteund door zijn ambtsbroeder en de ouderlingen, stelde dus voor, dat de kerk f> of 7 pajoengs zich zou aanschaffen, zooals die van de ,,mantri goeroe's klas no. 1 (Gouvernements hoofdonderwijzers, eerste klasse). Die pajoeng werd voor de bruidsparen als „pantës" (betamelijk) beschouwd, niet te hoog, niet te laag. !)

Het rapport van Bongsa-rëdja was in veel kalmer toon gesteld. Daar toch waren de broeders wel algemeen voor de aanschaffing van trouwpajoeng's, maar zij vroegen uitstel, aangezien de gemeente nog gebukt ging onder hare schuld voor de school.

In denzelfden geest was ook dat van Ngara. De gemeente daar moet nog gedurende eenige jaren f 200.— 's jaars aflossen van hare schuld op de kerk !

Maar Kërta-rëdja ging nog een stapje verder dan Madja-warna. De broeders daar vonden, dat men be-

1) Bij huwelijksplechtigheden mag volgens de Javaansche adat zelfs de gouden pajoeng gebruikt worden.