Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 jaar geleden verordineerd werd, dat de erven der Europeanen in 't kadaster moesten ingeschreven worden , werd mij medegedeeld, dat het erf, waarop mijn huis stond, grond was die aan pl.m. 1000 personen toebehoorde. En zoo gaat het met vele tuingronden. Na overlijden van den bezitter wordt niet verdeeld, noch verkocht, doel) alles blijtft gemeenschappelijk bezit van de kinderen. Zoo gaat dit voort op kindskinderen, enz. zoodat ten laatste een lapje gronds dat vroeger een eigenaar had, nu er honderden heeft. En daar heeft dan de minst vrijmoedige, de zwakke, weinig of niets aan, want degeen, die zich op den voorgrond weet te plaatsen, die van zich af durft bijten, de brutale schoenen weet aan te trekken, gaat zeker met het leeuwenaandeel strijken en matigt zich het recht aan te verkoopen, tot zich te nemen, wat hem niet toebehoort.

Nog erger wordt dit, waar het meer klein© persoonlijke huiselijke bezittingen betreft- Ongeveer 30 jaren geleden overleed plotseling de onderwijzer D. T., nalatende eene jonge weduwe met twee kleine kinderen. Veel was er niet, toch wel enkele dingen die eenige waarde hadden, waaronder een kast. Nu zou ieder onzer zeggen, die kast behoorde aan de weduwe. Doch neen! Er werd beweerd, dat de overledene die kast gekregen had van zijn vader, en dus hadden de andere broeders en zusters daar mede recht op. Ja, een hunner wilde absoluut zijn deel van die kast hebben, zeggende: al krijg ik er maar een plank van, doch ik moet en zal mijn deel hebben. Hoe menigmaal kwam die jonge weduwe weenend en klagend bij miji, om raad te vragen hoe te handelen. Ten slotte heeft het distriktshoofd bepaald, dat de kast eigendom der weduwe moest blijven, en liet men haar verder ongemoeid.

In 1886 overleed tijdens een korte cholera-epidemie in een der kampongs alhier, de weduwe M. W., na-