Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ln Luthers geloof, dat de tijd der genade voor de Mohammedaansche volken voorbij was.

Groot is Simon's lof voor den arbeid van een Truber en een Ungnad in de hervormingseeuw. Deze mannen lieten de Heilige Schrift benevens andere boeken vertalen en verspreidden ze in Turkije. Het resultaat was gering. Niet alleen door de tegenreformatie in de Zuid-Slavische landen, maar in hoofdzaak omdat het vertaalde Woord Gods tot de Turken kwam zonder predikers.

Simon concludeert terecht, dat bijbelverspreiding zonder evangelieverkondiging weinig uitwerkt. Hij verhaalt verder van het werk en de opoffering van vele andere geleerde en vrome mannen uit allerlei kerken. Het is niet noodig ze allen te noemen. Sprekende over een Xaverius, waardeert hij dezen Roomschen zendeling zeer, maar hij stelt in 't licht hoe verkeerd de leer omtrent de heiligen werkt. De Islam haat beeldendienst en waar de Roomsche kerk groote waarde hecht aan de leer, dat de Paus de stedehouder van Christus is op aarde, daar betoogt Simon dat de Mohammedaansche wereld genoeg heeft aan de kracht en den zegen van den verhoogden Heiland.

Veel gunstiger oordeelt hij over Martyn, Pfander en anderen, die, toegerust met veel zaakkennis, op liefdevolle, geduldige wijze aan de Mohammedaansche wereld de heerlijkheid Gods aangetoond hebben en tevens de zwakheden van den Islam.

Simon vestigt steeds de opmerkzaamheid op de Mohammedaansche tegenaanvallen; hij verzwijgt niet de fouten, die de christelijke zending maakt en hij betreurt het, dat na een zendingsarbeid van vele eeuwen het resultaat zoo gering is. De strijd tusschen christendom en Isjlam is nog in vollen gang. De geschiedenis is nog niet tot haar einde genaderd. In de volgende hoofdstukken treedt de schrijver op als wetenschappelijk bestrijder van 't Mohammedanisme. Als zoodanig maakt hijzelf geschiedenis.

In 't tweede hoofddeel: „Die Offenbarungsfrage" behandelt Simon de verhouding tusschen Bijbel en Koran. De boeken der Heilige Schrift worden in den Koran weliswaar als heilige geschriften erkend, maar deze concessie geeft weinig, want de Moslim denkt den Bijbel naar Mohammed's opvatting. Hij gelooft verder aan de vervalsching der Schrift door Joden en Christenen en is van meening dat waar de Koran is, de Bijbel uitgediend heeft. De schrijver bestrijdt een en ander en verheft de Heilige Schrift vanwege haar religieuse en zedelijke waarde boven het heilige boek der Mohammedanen.

In Hoofdstuk III: „Der Gottesglaube" spreekt Simon over God, Christus en den Heiligen Geest. Met betrekking tot God wijst hij op het starre godsbegrip in den Islam. Allah kent geen aandoeningen. Hij heeft slechts slaven. De Heilige Schrift daarentegen Iaat God zien in zijn drievoudige openbaring als Vader, Zoon en Heili-

Sluiten