Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deren rust, en waarvoor het de krachtige ondersteuning van zijne Vrienden dringend behoeft. Wellicht is eene andere Vereeniging bereid, zich tot dit werk aan te gorden, en vooral daarom willen wij de roepstem van Ds. wielandt tot ruimer kring overbrengen. Zij luidt als volgt:

»Den 6 den December j.1. begaf ik mij op reis naar de gemeente te Gorontalo, mede behoorende tot mijnen werkkring, etmaal stoomens van Menado. De Resident van Menado, die aan boord was, haalde mij over om met hem door te stoomen in de bocht von Tomini. (1)

»Wij bezochten toen Todjo, de hoofdplaats van het rijk Todjo en Mopane, eene kleine handelsplaats, behoorende, naar ik meen, tot het rijk van Posso" (aan Todjo grenzende). »Op beide plaatsen ontmoette ik Alifóeren uit de bergen, die hunne boschproducten op de strandplaatsen kwamen verkoopen, of liever die komen verruilen. In hun voorkomen toonen zij veel verwantschap met de bewoners der Minahassa, en uit hun geheele optreden spraken onafhankelijkheid en vrijmoedigheid. Hunne wapenen, die zij steeds met zich dragen, bestaan uit een zwaard en eene piek met ijzeren punt. Terwijl zij gekleed zijn in tjidako, dekken zij zich van achteren nog met een lapje apenvel, dat hun ten allen tijde als zitmatje dienen kan. De kleedingstukken der vrouwen zijn van geklopte boomschors, foeia genaamd. (2)

(1) De Bocht van Tomini ligt tusschen de beide noordelijkste schiereilanden van Celebes. Langs hare kusten vindt men ongeveer een 20tal rijkjes, van welken Gorontalo het oostelijkste, Todjo op het meer zuidelijke schiereiland, het westelijkste is. In het Aardr. en Stat. Woordenb. van Ned-Indië leest men omtrent dit laatste het volgende: «Todjo, landschap, rivier en dorp op Celebes, residentie Menado, aan de zuidzijde der golf van Tomini of Gorontalo. Het opperhoofd voert den titel van Kaboesena. Aan Todjo is de geheele landstreek van Tandjong-Api en zijn zelfs de Togian-eilanden in naam onderhoorig. Het hoofd heeft zijn' zetel te Kompah, in bet gebergte, op 1 uur afstands van het strand. De bewoners zijn Alfoeren, die een weinig tabak en rijst kweeken, en ook muskus verzamelen, en deze artikelen verkoopen aan de op het eiland Togian gevestigde Boegineezen. Langs de kust wonen ook eenige Boegineezen, die zich met den ruilhandel bezig houden.'*

(2) Wie op ons stedelijk Museum voor Land- en Volkenkunde acht heeft geslagen op de daar van ons Genootschap voorhanden kleedingstoffen, is met deze foeia wel bekend.

Sluiten