Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wie de één hem vertelde, dat hij de letters der blanken kende; hij had ze geleerd van een' vaccinateur. Daarop gevraagd, of hij ook de cijfers kende, moest hij dit ontkennen en werden deze door den Zendeling voor hem op een stuk papier geschreven. Inmiddels kwam de penghoeloe, die van huis was geweest, terug en bezag met belangstelling die cijfers; ook hij wilde ze wel leeren. En toen van deze gunstige gelegenheid gebruik werd gemaakt om de school ter sprake te brengen, bleek de penghoeloe niet ongenegen deze toe te staan en werd afgesproken, dat voortaan dagelijks in de djamboer aldaar door twee der medehelpers van uit Boeloeh Hawar onderwijs zou worden gegeven. Zoo werd 6 Maart de school met 10 leerlingen geopend.

Weldra moest echter daar een onderwijzer ook met der woon zich vestigen. De vrouw toch van den penghoeloe van Boeloeh Hawar werd ziek en bleek door de-pokken aangetast te zijn, welke ziekte onder de Battaks zeer heerschende is en dikwijls verschrikkelijke verwoestingen aanricht. Het gevaar van besmetting wordt dan ook zeer erkend. En nu weigerde om dat gevaar de penghoeloe van Sala-boelan langer onderwijzers uit het besmette Boeloeh Hawar te ontvangen. Zoo ging dan reeds 12 dagen na de opening der school, 18 Maart, één der goeroes te Sala-boelan wonen en was de zaak daar dus geheel in orde.

Eerlang werden nu ook nog in drie andere naburige kampongs de andere medehelpers als goeroes geplaatst en waren er dus aan 't einde des jaars vijf schooltjes gevestigd. Men inake zich daarvan echter geen groote voorstelling; niet alleen is de inrichting hoogst gebrekkig, maar ook het aantal leerlingen gering. Volgens het aan 't slot van zijn verslag gegeven overzicht van den staat van zaken was zelfs te Sala-boelan het tiental leerlingen geslonken tot vier; te Boeloeh Hawar waren er 12, in éénder andere kampongs waren er 15, de beide overigen telden slechts 3 en 5; alle vijf samen 39 leerlingen.

De hoofdoorzaak van dit klein getal is het wantrouwen, 't welk tegen den vreemdeling, bepaald den Europeaan, wordt gekoesterd. Men kan zich niet begrijpen, dat een zendeling met al wat hij doet iets anders zou bedoelen, dan zijn eigen voordeel.

Toch is er in het afgeloopen jaar een begin van toetreding gekomen, zes personen zijn gedoopt; één gezin bestaande uit man, vrouw en zoontje en drie jongelingen uit andere gezinnen. Geen wonder dat de dag, waarop dit plaats vond, de 20 sto Augustus, door Br. Wijngaarden als een vreugdedag wordt vermeld; een dag, waarvan hij hoopt en vertrouwt, dat hij een belangrijke dag in de geschiedenis der Battaksche zending zal

Sluiten