Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kortelijk opnoemen. De lidmaten zijn grootendeels onwetend en onbeschaafd. Deze arme lieden wonen niet in één dorp, maar in twintig of twee-en-twintig dorpen, vele van welke verscheidene mijlen van elkander verwijderd liggen. Dit is een groot beletsel voor regelmatig en herhaald huisbezoek, en is ook eene oorzaak, dat de lidmaten weinig verkeer met elkander kunnen hebben, uitgenomen des Zondags , wanneer zij ter kerk komen. Zij zijn dus gedurig blootgesteld aan de vervolgingen, bespottingen , en wat het ergste is, aan de slechte voorbeelden hunner Heidensche naburen, zonder een' vriend in de nabijheid te hebben, om hen te vertroosten , of met zijnen raad bij te staan. Het gewest, waarin die gemeenten gelegen zijn, is zoo moerassig en ongezond, dat een Europeer daar onmogelijk gestadig kan wonen. Derhalve zijn de inlandsche Christenen beroofd van dat aanhoudende herderlijke opzigt, hetwelk zoo onontbeerlijk is voor het welvaren, niet slechts van pas opgerigte gemeenten , maar zelfs van zulke, die lang bestaan hebben en in de beste orde zijn. Om dezelfde reden kunnen de vrouwen der Zendelingen niet dien invloed uitoefenen op de vrouwen en dochters der inlandsche Christenen, die op andere plaatsen zulke weldadige uitwerkselen heeft gehad, en welke, uit hoofde van de bijzondere omstandigheden van Indiê , aldaar meer vereischt wordt dan ergens elders. Laat mij toch, geëerde Broeders! in uwe voorbede deelen, opdat ik onder deze moeijelijke omstandigheden genade en kracht moge hebben,

Sluiten