Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Van i—10 September. Dezer dagen had ik veel blijdschap met de inwoners van dit eiland, want zij werkten met de grootste tevredenheid aan de herstelling van de kerk en het schoolhuis. Zij willen' mij niet gaarne mijne bezoekreis naar Amboina laten aanvaarden, vreezende dat ik dan niet weder tot hen komen zal.

„ Den i6 den October. Het vaartuig, dat mij naar Amboitia zoude overbrengen, is dezen morgen aangekomen. Alvorens te vertrekken liet ik den Koning, den Orangkaja en de ouderlingen tot mij roepen, en verzocht hen, om toch voor de schoolkinderen en voor alles wat de godsdienst betrof, goede zorg te dragen, en aan den schoolonderwijzer, wien ik huis en goederen toebetrouwde, allen bijstand te bieden, hetwelk zij mij beloofden. Twee dagen daarna zouden wij vertrekken, en honderden bejaarde Christenen en heidenen hadden zich verzameld, om ons naar het strand te geleiden, waaronder ook de Opperhoofden des eilands en hunne vrouwen. Zij weenden en riepen overluid, dat hun vader en moeder hen verlieten, en verzochten ons gedurig, om toch spoedig weder tot hen te komen; hetwelk i'c hun dan ook, in de hoop dat de Heer mij gezondheid en leven bewaren zoude, beloofde. Toen wij in de sloep stapten, konden zij bijkans niet scheiden; vooral waren de schoolkinderen zeer bedroefd, terwijl ook mannen, die anders niet zeer aandoenlijk zijn, hunne tranen niet konden verbergen. Ook mijne echtgenoot en ik waren zeef getroffen."

Sluiten