Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar zij eerst den vorigen dag zich hier hadden neergeslagen, zoo warén zij nog druk bezig met takken af te snijden en hunne hutten te bouwen, terwijl anderen in den omtrek rondzwierven, om eenige eetbare wortelen, de eenige spijs, die zij hadden, op te zoeken. Zoodra de beide opperhoofden, mokatla en moïle , onzen wagen herkend hadden, kwamen zij hand in hand, met een bedrukt gelaat, ons te gemoet, en eer zij nog het verhaal van hunne vlugt en van al de geledene ellende geëindigd hadden, omringde ons reeds eene menigte van Baharutzen en vroeg ons om spijs. Zij bragten ons alles wat zij hadden, huiden, messen, koralen, welke wij zeiven vroeger hun gegeven hadden , en begeerden daarvoor spijs. Wij wezen die geschenken af en stelden hun voor, hoe onmogelijk het ware, om aan zoo velen spijs te bezorgen, maar nu bragten zij hunne door gebrek uitgeteerde kinderen en legden die zwijgend voor ons neder. Gelukkig hadden wij eenig vee bij ons en lieten daarvan dagelijks eenen os voor hen slagten. Maar wat beduidde dit onder zoovelen? Naauwelijks was het dier in stukken gehakt, of allen wierpen cr zich op, gelijk gieren op hunnen buit, en grepen zooveel zij konden. De opperhoofden bevalen , baden, sloegen, maar niets mogt baten. Onze lieden kregen zelfs, zoo dikwijls zij uitdeelden, in het gedrang slagen en stooten, ja beduidende wonden. Men kan zich voorstellen, wat de Baharutzen , die tot dusver in overvloed leefden , op hunne vlugt hadden doorgestaan. De opperhoofden ver-

Sluiten