Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lellen te zamen niet veel minder dan vijf honderd leden, die in achttien dorpen verspreid zijn. Broeder i.acroix was doorgaans in slaat deze nieuwbekeerden, behalve des Zondags, op een' dag in de week aan hunne huizen op te zoeken.

Omtrent de scholen schrijft hij: »Deze heb ik vier onder mijn bestuur. Als eene zeer aangename bijzonderheid vermeld ik, dat onder de leerlingen zeven of acht jongens, zoons van inlandsche Christenen zijn, die goede vorderingen hebben gemaakt in de kennis van hunne eigene taal, geschiedenis enz., en die ook wel bekend zijn met de Bijbel— sche geschiedenis en de Christelijke leer. Ik ben voornemens hen weldra naar het groote Instituut van het Londensclie Zendelinggenootschap te Calcutta , dat onder het bestuur van mijn' schoonzoon, den Eerw. mullens , staat, over te brengen, in de hoop, dat zij daar tot helpers der zending en predikers van liet Evangelie onder hunne landgenooten zullen kunnen worden opgeleid. Inlandsche predikers te vormen houden wij allen voor den belangrijksten van onze zendelingspligten, daar hun land door hen , en niet door Europeanen geheel voor het Evangelie moet gewonnen worden."

Omtrent den toestand der zendelingszaak in Bengalen in het algemeen laat broeder lacroix zich aldus liooren: »Het werk der zendingen neemt toe, schoon langzaam. Het getal der Heidenen, waarop het Evangelie hier invloed moet oefenen, is zoo groot, dat hel lang zal duren, eer er eene beslis10*

Sluiten