Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus geroepen waren. Wij hebben tot dit volk van vrede gesproken, en men heeft ons met beleedigingen geantwoord. Wij hebben getracht van plaats tot plaats te gaan om goed te doen, en men heeft ons vervolgd. Men spot daarbij met onze smart, en tergt ons, evenals den Heer, toen Hij aan het kruis dat woord moest liooren: Indien Hij de Koning Israëls in, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem gelooven. Maar hoe spoedig volgde de heerlijke zegepraal van den gekruisten Heer, en de volslagen nederlaag der hel, der zonde en des doods! Wij grijpen dan ook nieuwen moed, en zeggen met paulüs: Indien wij met Chrishts gestorven zijn, zoo zullen wij ook met Hem leven (1)."

Een andere Zendeling wekt ons op tot gebed door ons opzettelijk met de zwakheid en de vele gebreken der jeugdige Christenen uit de Heidenen bekend te maken. » Wij ervaren gedurig al meer," schrijft hij, » dat het volk, waaronder wij leven, nog in kindschen staat verkeert. Wij missen bij hen die bestemdheid van begrippen, en die vastheid van overtuiging, die bij meer ontwikkelde volken tot volharding leiden. Ook de meestgevorderde leden mijner gemeente missen die volharding. Zij zweren wel het Christendom niet af, maar wandelen niet met vasten tred op den weg ten leven. Zij hebben weinig ootmoed en vorderen langzaam in heiligmaking. Doorgaans

(1) 2 Tim. II: 11.

Sluiten