Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgzaamheid en haar nederig harte, werd zij wat zij heden is. Mijne vrouw heeft veel vreugde aan haar beleefd. Het geduld, de liefde, de opoffering aan haar hefteed bleven niet onbeloond, maar zij oogstte tienvoudig van het uitgestrooide zaad. Geen wonder dus, dat wij en vooral de kinderen tegen haar vertrek opzagen. Wij gevoelden, haar heengaan zoude een gemis aanbrengen, moeielijk te vergoeden. En dan ook geen wonder dat wij allen deelnamen in hare vreugde, en dat wij bij haar heengaan wenschten te toonen, dat zij ons dierbaar was, en daarom ook vreugde wilden betoonen en blijdschap wekken, waar wij dat konden.

u En ook daartoe hadden wij dubbel reden. Immers zij deed een goed huwelijk. Zelve uit den minderen stand gesproten en ouderloos, zoude zij zich verbinden met een wakker jongman, uit den hoogeren stand, den zoogenoemden adel der Minahassers; daarbij was hij een oud-moerid van mij, thans reeds ruim twee jaren lang onderwijzer in eene kleine, maar zeer bloeijende gemeente. De vooruitzichten waren dus gunstig. Hoe verheugden wij otis daarover!"

Aan een voegzaam uitzet lieten brouwer en zijne echtgenoote daartoe ook door anderen in staat gesteld het den jongelieden niet ontbreken. Behalve vier stel kleederen voor plechtige gelegenheden, voor den zondag en twee dagelijksche., werd er gezorgd voor al hetgeen er tot eene minahassasche huishouding behoort. Daarenboven werd de bruidegom begiftigd met den bij de huwelijks-verbindtenis zoozeer gewenschten zwarten rok. Bij eene bezoldiging van zestig gulden 's jaars is het natuurlijk omnogelijk zich /,ulk een kostbaar kleedingstuk zelf aan te schaften. Een niet lang geleden door brouwer uit Rotterdam ontvangen zwarte rok kwam hier dus uitnemend te pas. En hoe potsierlijk de inlanders er somtijds in europeesch kostuum mogen uitzien, met te wijde schoenen, te korte of te lange rokken en ongeloofelijke hoeden, onzen bruidegom stond zijn trouwrok opperbest. „ Onze vroegere moerids," zoo schrijft brouwek, «konden dus zeer goed in het openbaar verschijnen, behoefden voor den zoogenaainden adel niet onder te doen, en mochten

Sluiten